Ger Groot

Auto-luisteren

Naarmate de trein door drukte en walkmanterreur minder de plaats wordt waar zo goed te lezen valt, wint de auto, als een akoestische bibliotheek, aan gemak voor het literaire luisteren. Als hoorspel of gesproken boek maakt de literatuur zelfs de koudste files draaglijk, al moet de doorgewinterde lezer daarvoor wel wat scepsis overwinnen.

Vanzelfsprekend is het immers niet dat een boek nog een boek blijft wanneer het tot klinken wordt gebracht. De letteren zijn een affaire tussen schrift en ogen, zo houdt de literatuurwetenschap ons sinds jaren voor. Niet het verhaal dat verteld wordt vormt de betekenis van de roman, maar de wijze waarop hij geschreven is. Zijn «moraal» heeft niet te maken met voorbeeldfiguren ten goede en ten kwade, zo betoogt ook de recent verschenen essaybundel Negen muzen, tien geboden van de Gentse onderzoeksgroep Literatuur – Ethiek – Recht (Academia Press, Gent), maar met de bevrijdingskracht van de taal zelf.

In het hoe van het schrijven ontdekt de lezer de dwang van de woorden en tegelijk de ontmaskering daarvan, zo wordt duidelijk in de loop van de acht bewonderens waardige essays in deze bundel. De wereld is niet gedachteloos overgeleverd aan de vanzelfsprekendheden waarmee zij beschreven wordt. Literatuur lezen is altijd een oefening tegen de keer van de woorden.

En daarmee wordt de letterlijkheid van de tekst cruciaal. Als een schrijver zijn bevrijdende strategieën in en tegen de woorden ontplooit, dan komt het ook heel precies op die woorden aan. Daarover is het modernisme in de literatuur het roerend met het postmodernisme eens, en die twee maken – of we dat willen of niet – nog altijd de dienst uit in het literaire geweten van de lezer.

Vandaar diens weerstand tegen alles wat bewerking is en zijn routinematige verzuchting bij het verlaten van de bioscoop, dat «het boek beter was». Bij de hoorspelen die uitgeverij Muntinga in samenwerking met De HoorSpelFabriek uitbracht, zal dat niet anders zijn. Het gehoorde is het boek niet – misschien met uitzondering van Joyce’ monoloog van Molly Bloom, die door Annewil Blankers subliem gemompeld, gemijmerd en vooral verzucht wordt.

Op deze drie cd’s komt het klinkende woord nog het dichtst bij het gedrukte, zoals dat op de klassiekere voorlees-cd’s op afstandelijker wijze het geval is. De literatuur lezer zal daar maar matig mee tevreden zijn; «tekststrategieën» wil hij zien. Maar hij heeft ongelijk. Tegenover wat hij verliest ziet hij niet wat hij wint, wanneer hij op een plek die het lezen niet toestaat het boek klankbeeld hoort worden.

Zijn eerste winst is pragmatisch: verloren tijd wordt literaire tijd. In plaats van de etherwind die gewoonlijk door de luidsprekers blaast, worden nu de contouren zichtbaar van een kunstwerk, zij het dan in hoorspel-travestie. Voor die verkleedpartij schaamt het literair geweten zich altijd te snel. Zijn calvinistische sola scriptura vergeet dat een roman nog zoveel méér is dan alleen de tekst. Hij is ook een wereld, bevolkt door personages die in het beste geval levensecht worden, en van morele emoties die daarvoor niet onderdoen.

Zo komt het ’s-Gravenhage van Couperus in de Eline Vere-box niet alleen opnieuw tot leven, maar daarenboven op een zeer Couperus-echte wijze. In Erik of het klein insectenboek hoor je de bonhomie van Bomans en in de Anton Wachter-romans (op acht cd’s) de kenmerkende afstandelijkheid van de romans van Vestdijk zelf. De kleur en sfeer van de boeken is er even bewonderenswaardig in klank omgezet als Multatuli’s onverfilmbare Max Havelaar door Rademakers dat ooit in beelden werd.

Geldt dat ook voor de hoorspelversie van Márais De gravin van Parma? Het zou niet pleiten voor het boek: goede smaak overschreeuwd door cloak-and-dagger-achtige bombast. Alles wordt weer goedgemaakt door het prachtverhaal Novecento van Alessandro Baricco, 78 minuten lang prachtig vertolkt: de tijd van een avondfile die plotseling geen ramp meer is.