Auto zonder startmotor

In Suikerbastaard ontsluit Jaap Scholten een onbekend stuk geschiedenis. Maar het resultaat is meer documentair dan dramatisch.

Jongens uit Twente bij de suikerfabrieken van Wonji en Shoa, Abessinië rond 1960 © Collectie Heerschap

Familiegeschiedenissen worden pas boeiend als iemand een misstap heeft begaan. Fout in een oorlog, buitenechtelijke kinderen, moord. Het liefst in een ver land, zodat er wat achterna te reizen valt.

De nieuwe roman van Jaap Scholten heeft dat allemaal. Het alter ego Frederik Spengler, onder meer uit De wet van Spengler (2008), is net als de auteur een telg uit een familie die twee generaties terug suikerfabrieken uit de grond stampte in Abessinië (Ethiopië), het rijk van keizer Haile Selassie. De Twentse jongens die daar in de jaren vijftig en zestig kwamen werken, leefden er als pseudo-koloniale vorsten, met bedienden, paarden. En vrouwen. Daar gaat het uiteraard mis. De titel Suikerbastaard zegt het al. Al blijkt het uiteindelijk net iets ingewikkelder.

Klassieke opening: familie bijeen op een landgoed, diner in smoking, voor koortsig crisisberaad: wat te doen met die uitzending van Spoorloos waarin een Ethiopische man claimt familie te zijn? Deze Duponts – gemodelleerd naar machinefabrikanten Stork (de achternaam van Scholtens moeder) – besluiten Frederik eropuit te sturen om de zaak eens grondig te onderzoeken. En daar begint het avontuur.

Allemaal beloftevol, en prima beschreven. Maar dan gebeurt er iets vreemds, dat typerend is voor deze roman. Er volgt een hoofdstuk waarin Frederik een half jaar eerder die Spoorloos-uitzending bekijkt, thuis in Roemenië. Dan een hoofdstukje dat een herinnering aan zijn Ethiopië-tripje met zijn grootvader is. Dan een paar hoofdstukken waarin jeugdliefde Mila opduikt, met alle herinneringen van dien. Er ontstaat een mailwisseling: zij gaat hem in zijn reis vergezellen, omdat haar vader ook een van die Ethiopië-reizigers was. Akkoord, dat is een spanning verhogend element, zeker met de herinnering aan haar borsten voor ogen die ze eens achteloos ontblootte (‘de tepels iets naar buiten gericht, alsof ze loensten’), maar intussen zijn we tachtig pagina’s verder en moet de reis nog beginnen.

© Collectie Heerschap

Er volgen: nog maar weer eens wat land- en volkenkundige uitweidingen over de geschiedenis van de reisbestemming, en in het vliegtuig raakt hij in gesprek met een rozenspecialist. Daarna weer wat herinneringen aan Mila, we maken kennis met de onvermijdelijke taxichauffeur bij aankomst, met de mensen van het hotel…

Tientallen pagina’s later: ‘Ik moet de dag een beetje door zien te komen, vanavond komt Mila, als de goden het willen.’ Dus volgt een uitgebreid bezoek aan het voormalige Keizerlijke paleis, nu een plaatselijk museum, een garantie voor weer extra historische feiten, extra uitstel.

Bij de verwekking van het bastaard-kind springt het boek weer ‘aan’

Dat de protagonist de tijd een beetje moet zien door te komen, betekent niet dat dat ook voor de lezer hoeft te gelden. Ruim een derde van het boek zit die in de wachtkamer. Het verhaal komt eindelijk, met horten en stoten, op gang als Mila eindelijk is gearriveerd. En natuurlijk valt dat vies tegen. ‘Ze is daar in Tirol veranderd in een flirtmachine’; ‘Ze roept weerstand bij me op. En dat zit ’m vooral in haar gestoorde kledingkeuze.’

Als het avontuur dan eindelijk op gang komt, volgt een nieuwe ingreep. Een nieuw boekdeel, dat de geschiedenis van Marinus Hilbrink vertelt, een van die Twentse jongens die in de jaren zestig voor de suikerfabriek naar Ethiopië vertrok. Natuurlijk heeft hij met de zoektocht van Frederik en Mila te maken, maar waarom moet hij op dít moment de vertelling onderbreken? Waarom bouwt Scholten hem vanaf de bodem op, met voorgeschiedenis, anekdotes uit de oorlog? Het zijn zijtakken die in stilstaande poelen veranderen, statische beschrijvingen, in plaats van opgenomen te zijn in de dynamische stroom.

Het interessante aan dit boek is dat er geregeld langere passages zijn waarin je wel degelijk echt meegesleept wordt door het verhaal, waarin je je nestelt, en geabsorbeerd wordt door die fascinerende wereld. In het ‘Marinus’-deel gebeurt dat zodra de jongens, als voorbereiding voor hun missie, een voorlichtingsavond krijgen, met op droge, vanzelfsprekende toon een uitleg over geslachtsziekten en hoe die te voorkomen. ‘Alsof ze aspirant hoerenlopers waren.’ Daar springt het boek ineens weer ‘aan’. Niet per se door het onderwerp, maar vooral omdat je voelt dat we weer in de hoofdstroom zijn: de verwekking van dat bastaardkind.

© Collectie Heerschap

Voorbij de helft zijn die stroomversnellingen talrijker, en krijgen ook de onderstromen meer vat op het verhaal: de spanning tussen Frederiks conformistische familie en zijn vrijheidsdrang, de problematische verhouding tot vaderschap en vaderloosheid.

Maar juist omdat er zoveel krachtigs aanwezig is, kreeg ik tijdens het lezen een niet te onderdrukken belerende impuls: gooi de structuur om, begin meteen met Mila in Ethiopië, stippel hun avontuur uit, en weef al die feiten en voorgeschiedenissen daar dynamisch doorheen! Kom pas met die jeugdherinnering aan Mila nadat ze gearriveerd is. Meng ze in de reis, de gezamenlijke zoektocht, de sluimerende erotiek en die jaloezie als ze met een andere kerel begint te flirten. Meng ook de geschiedenis van de machinefabrieken erdoorheen terwijl je de restanten ervan in het heden bezoekt.

Dan kun je terloops hun werking beschrijven, of de omstandigheden in de fabriek, de onderlinge verhoudingen tussen de Nederlanders en de Ethiopiërs schilderen. Want dit is allemaal razend fascinerend materiaal, dat levendiger, beter tot zijn recht zou komen als het niet zo geïsoleerd en log was gebracht. Nu is het vaak een diavoorstelling die maar geen film wil worden.

Het is de grote verdienste van Scholten (die in 2011 de Libris Geschiedenis Prijs won voor Kameraad Baron) dat hij met deze roman een nog onbekende stuk geschiedenis ontsluit. Hij doet dit aan de hand van allerlei bronnen, dagboeken, brieven, die hij vermengt met fictie, zodat een niet meer te ontwarren mengsel van feiten en verzinsel ontstaat. Dat spel wordt versterkt door het opnemen van allerlei fotomateriaal. Als uitgangspunt is dat allemaal goed, maar de presentatie en uitwerking daarvan zijn uiteindelijk meer documentair dan dramatisch.

‘Mijn hersenen zijn de meeste tijd als een auto zonder startmotor. Om hem aan de gang te krijgen moet je hem met een paar man aanduwen of een helling af rollen.’ Dat zegt de verteller aan het begin. Helaas blijkt het een voorspellende opmerking over de hele roman.