Autobiografie van het sterven

Harold Brodkey, Het verhaal van mijn dood: Aidsdagboek. Vertaald door Paul Syrier, uitg. Vassallucci, 143 blz., 336,90
DE DERDE roman die Harold Brodkey (1930-1996) wilde schrijven, had een boek over het sterven moeten worden, geschreven vanuit een jongeman. Die roman heeft Brodkey niet kunnen afmaken, omdat er in het voorjaar van 1993 aids bij hem werd geconstateerd. In de tweeënhalf jaar dat hij nog leefde, bleef het schrijven de beste pijnstiller, ‘die vluchtig kijkende en vaag stralende onmiddellijke nabijheid van de taal’.

Hij hield een meedogenloos openhartig journaal bij - This Wild Darkness: The Story of My Death - over zijn eigen langzame lichamelijke aftakeling, over zijn wegsijpelende ziel in het aangezicht van de dood, die hij als stilte omschrijft: ‘Ik vind het zwijgen van God erg mooi.’ Zijn dagboekoefeningen ziet hij als de beschrijving van een omgekeerde adolescentie, omdat zijn krachten afnemen in plaats van toenemen. De precieze aantekeningen vormen het verslag van een weglekkende identiteit die wéét dat het onmogelijk is om er tegenover de dood een ego op na te houden. Op de rand van het 'onbestaan’ blijkt dat identiteit slechts een spelletje was te midden van het geweld van natuur en tijd.
Wie de megaroman The Runaway Soul heeft gelezen, weet hoe Brodkey de ziel van een met stomheid geslagen joods weesjongetje tussen wegkwijnende adoptieouders kan ontrafelen en zijn blik van seconde tot seconde vastleggen. In zijn hoofdwerk verbeeldt Brodkey de wrede wereld van een kindertijd. Zijn lezers herkennen de maniakale nauwgezetheid waarmee hij de verweesde, zoekende kinderziel tot in de kwetsbare kern ontleedt. In This Wild Darkness analyseert Brodkey zijn eigen sterven (zonder in de buurt te komen van zogenaamde slachtofferkunst) en richt hij zijn blik weer op die plekken waar het jongetje begon te kijken en te luisteren: 'En ik, Jezus, ik ben een genie of een oplichter, of - wat ik echt denk - ik ben vanaf de allereerste rand van mijn herinnering bezeten door stemmen en gebeurtenissen en heb nooit bestaan, behalve in de gedaante van een voortuin in Illinois waar deze dingen steeds weer opnieuw worden opgevoerd, tot ik sterf.’
Er staan zinnen in Brodkeys dagboek die tot nadenken stemmen. Het zijn overpeinzingen over het sterven van mensen, steden (New York, Venetië) en de wereld; over aids en openhartigheid; over zijn aids die hem onherroepelijk afsnijdt van een familietraditie vol dodelijke ziektes; over echte en aangenomen vaders en moeders.
Het is geen grootspraak als Brodkey schrijft dat hij al vroeg de dood heeft aanvaard om lichamelijk en moreel vrij te kunnen zijn. Die opmerking krijgt iets wrangs als hij schrijft over zijn echte vader, Max Weintrub, een analfabete, gewelddadige maar lichamelijk ijzersterke 'voddenjood’, maar vooral als hij over zijn pleegvader Joe Brodkey begint. Die blijkt hem tijdens zijn sterfbed seksueel te hebben lastiggevallen, met alle gevolgen vandien. Het getraumatiseerde kind Harold Brodkey mag dan een muur tussen zichzelf en zijn pijn, wanhoop en verdriet hebben opgetrokken, de schrijver Harold Brodkey moest door die muur heen. 'Om minder bedeesd een klein deel van mijn verhaal over mij en mijn vader te kunnen vertellen zou ik mijn manier van schrijven moeten veranderen. In het werkelijke leven heb ik met homoseksualiteit geëxperimenteerd om mijn eigen trots te breken, om mezelf open te stellen voor het verhaal.’ En voor de dood, zou de lezer er cynisch aan toe kunnen voegen.
Maar wat bedoelt Brodkey met die notitie over anders schrijven? Vijftig bladzijden later komt hij terug op het seksuele misbruik door zijn vader. Het is een grenzeloos thema, want hoe houd je het verhaal, de beschrijvingen en oordelen binnen 'een grens’? Waarna Brodkey een nieuw 'personage’ in zijn dagboek introduceert, een jonge leraar die hij in 1970 in het badhuis heeft ontmoet en die later aan aids zou sterven. 'Het punt is niet dat ik mezelf in hem herkende. Nee. Maar voor het eerst kon ik een glimp opvangen van fragmenten, stukken van mijn verhaal met Joe Brodkey in het leven van een ander. Ik begon anders te schrijven. Het eerste verhaal kreeg als titel “Verhaal op vrijwel klassieke wijze” en het tweede heette “Onschuld”. Beide gingen ze over de autonomie van vrouwen en beide berustten ze op het feit dat ik aan Joe Brodkey was ontkomen, zij het niet volledig.’
This Wild Darkness, een titel die naar de dood verwijst, maar misschien ook naar dark rooms voor homoseksuelen, is het verslag van een stervende schrijver wiens pleegvader aan de wieg van zijn vroegtijdige dood bleek te staan. Het moest zo zijn.
De literatuur blijkt tot en met de laatste bladzijde van Brodkeys aidsdagboek vóór het leven te gaan. Toen Brodkey in 1970 het gezelschap van de jonge leraar zocht, had hij bescherming nodig 'terwijl ik werkte en zin probeerde te ontlenen aan het verleden en aan andere levens’.
Ondanks dat hij wil ademen, vertellen en in de wereld blijven, raakt Brodkey door zijn ziekte zijn zin voor de mensen kwijt. Hij staat ambivalent tegenover het 'onleefbare’ New York, dat voor hem ten dode opgeschreven is. In het voetspoor van William Gaddis en James Purdy onderneemt hij een laatste aanval op de jaloezie, het gelieg en bedrieg, kortom 'de eindeloze verbale straatroverij’ van mensen die menen dat ze weten wat er werkelijk gebeurd is, of die de ander menen te kunnen kennen. Amerika is het land van valse hoop, reclame-optimisme en toekomstgerichte blikken. Vooruitzien is de basis. 'Het is ook een soort waanzin, een door dromen geteisterde begeerte de toekomst de plaats te laten innemen van een zin voor geschiedenis.’
Een paar maanden voor zijn dood is Brodkey zijn zin voor geschiedenis niet verloren, integendeel. 'Geschiedenis is een schandaal, net zoals leven en dood. Ik ben stervende… Venetië is stervende… De eeuw is stervende… De imbeciele zekerheden van de laatste driekwart eeuw zijn stervende.’ Toch droomt hij nog over een gigantisch schrijfproject, een autobiografie van het sterven, dat, in zijn geval, ook moet stilstaan bij het lot van de Russische joden, de pogroms, de moordpartijen en de Oktoberrevolutie die zijn moeder naar Amerika dreef. 'En zo zou ik ook Amerika moeten oproepen, Illinois, de uithoeken van de wereld, en immigratie, nomadisme, de trots van vrouwen, geilheid, en, in sommige gevallen, behoedzaamheid.’
De lezer van The Runaway Soul en Stories in an Almost Classical Mode weet dat Harold Brodkey dat gedaan heeft: alle uithoeken van de ziel beschreven, behoedzaam en nauwkeurig, maar zonder terughoudendheid.