Ger Groot

Autodidact

Er loopt in Sartres roman Walging een bijfiguur rond die Antoine Roquentin (de schrijver van de dagboeken waaruit de roman bestaat) ‘de Autodidact’ noemt. Zo veel als hij kan is hij te vinden in de Gemeentebibliotheek van Bouville, die hij probeert van A tot Z door te lezen om toegang te krijgen tot het Walhalla van het Weten. Hij is al een heel eind gevorderd.

De Autodidact lijdt aan de kenmerkende zielszwakten van wie cultuur en wetenschap niet van jongs af aan heeft ingegoten gekregen. Hij heeft een heilig geloof in alles wat ooit op papier is gezet en ‘weten’ is voor hem een superieure vorm van feitenkennis. De autodidact is de ideale kandidaat voor Twee voor twaalf. Maar hij is nooit zeker van zijn zaak, omdat hij het fundament mist waarop al die feiten een betekenis krijgen. Hoeveel hij ook weet, die wetenschap zelf houdt voor hem iets ondoorgrondelijks – en daarom staat hij er vol onzeker ontzag tegenover.

Sartre beschrijft dat, wrang, al vrij vroeg in het boek. Roquentin staat te bladeren in een boek wanneer hij plots door de Autodidact wordt aangesproken: ‘“Neemt u me niet kwalijk, meneer, het was niet m’n bedoeling u te storen. Ik zag uw lippen bewegen. U zei vast bij u zelf zinnen uit uw boek op.” Hij lacht. “U was op alexandrijnenjacht.”’

Roquentin kijkt de ander verbijsterd aan, en die raakt daardoor van de weeromstuit zelf van zijn stuk. ‘In proza moeten alexandrijnen toch zorgvuldig vermeden worden, meneer?’ zegt hij. Hij put uit de wijsheden die hij heeft opgedaan, al ontgaat hem hun diepere zin. Juist daarom begrijpt hij Roquentins verbazing niet, die als echte geleerde de evidentie van dit mysterieuze alexandrijnenverbod zou moeten inzien. ‘Ik ben enigszins in zijn achting gedaald’, tekent die laatste in zijn dagboek aan.

In werkelijkheid is het andersom. De Autodidact is nog verder gedaald in zijn achting, zo geverseerd in de regels van de literaire correctheid dat hij het zich kan veroorloven er lak aan te hebben. Roquentin speelt het perverse dubbelspel van wie zich in zijn klasse en stand altijd al op zijn plaats heeft gevoeld: regels te kunnen overtreden zonder daarbij zelfs maar het vermoeden te wekken dat hij niet zou weten hoe het moet.

Dat standsverschil is de heimelijke tragedie van de nouveau riche, zo heeft Pierre Bourdieu in zijn grote studie over goede en slechte smaak La distinction laten zien. De nieuwgekomene komt in de zeden en vanzelfsprekendheden van de klasse waar hij zo graag bij zou horen altijd te laat. Omdat hij afhankelijk is van anderen holt hij amechtig achter diegenen aan die van de achteloze overtreding van de voorschriften zelf een nieuw klassenkenmerk maken.

Daarom zal ook alleen de universitair gevormde met scepsis kunnen spreken over de academische geleerdheid waarvan zijn doctors- of doctorandussentitel getuigt. Ongetwijfeld heeft hij daarin gelijk. De kennis die het onderwijs hem heeft gebracht kan zo gedegen niet zijn of ze rammelt aan alle kanten en zit vol gaten van onwetendheid. Hij heeft haar beperkingen leren zien en weet dat anderen in wat lord Baden-Powell ooit chic The Varsity of Life noemde hem soms verre kunnen overtreffen.

Maar voor de Autodidact, hoe diep gevormd in de ‘levensuniversiteit’ ook, is die nonchalance een klap in het gezicht. Niet alleen omdat ze zijn ideaal misprijst, maar vooral omdat ze de peilloze diepte benadrukt die haar scheidt van zijn amechtige verlangen. In haar geveinsde nederigheid pepert ze hem des te pijnlijker het besef in zich haar privilege niet te kunnen veroorloven – en hij weet zich in zijn tekortkomingen dubbel vernederd.

Zijn grootheid bestaat erin dat hij stug volhoudt. Sartres Autodidact zal niet stoppen met lezen tot hij het laatste boek van de Z bereikt heeft. En Liza Doolittle uit Shaws Pygmalion houdt niet op totdat zij vlekkeloos Engels heeft geleerd van haar ‘professor Higgins’, die haar misprijst. Niet omdat hij de perfecte gentleman is, maar juist omdat hij als gefortuneerde geleerde lak kan hebben aan de gepolijste omgangsvormen. Zijn grofheid onderstreept de adeldom waarvan haar grofheid juist de absentie onderstreept.

In My Fair Lady wordt zij, in de gepaste omgeving van een ‘volkse’ musical, de belichaming van een koppige wil tot meer en hoger weten. Zij weet dat men met wat er op het spel staat alleen maar speelt wanneer de winst al binnen is. En mateloos ontroerend wordt zij, wanneer zij daarin uiteindelijk slaagt. The Rain in Spain, haar eerste correct uitgesproken zin, adelt haar als de heldin van emanciperende beschaving.