De Amerikaanse constitutie

Autoriteit van inkt

De Amerikaanse constitutie heeft een centrale plaats in de nationale cultuur. Heiligverklaard door conservatieven en extreem lastig te veranderen, blokkeert het document democratische vernieuwing.

6 september, Washington DC. Kandidaat-opperrechter Brett Kavanaugh en zijn vrouw en dochters tijdens een hoorzitting van de Senaat over zijn voordracht © Chip Somodevilla / Getty Images

Toen in 1918 een einde kwam aan de Eerste Wereldoorlog haastten veel Europese elites zich om tegemoet te komen aan de eisen van de arbeidersklasse, gesterkt als die zich voelde door de revolutionaire wind die vanuit Duitsland en Rusland over het continent waaide. Hoe anders ging het er in Amerika aan toe. Daar privatiseerde de regering van president Wilson in rap tempo de sectoren die tijdens de oorlog genationaliseerd waren en werden even snel de arbeidsrechtelijke beschermingen uit de oorlogstijd teruggedraaid. Het deed de juridische denker en latere Supreme Court-rechter Felix Frankfurter verzuchten dat de VS ‘het reactionairste land ter wereld’ waren. Toen in 1924 ook nog eens de conservatieve Republikein Calvin Coolidge tot president werd gekozen, concludeerde hoofdrechter van het Supreme Court William Taft tevreden: ‘Dit is geen land voor radicalisme. Ik denk dat dit echt het meest conservatieve land ter wereld is.’

In een redactioneel commentaar deed The New York Times, destijds meer nog dan nu een krant voor de elite, een poging dit te verklaren. De belangrijkste oorzaak dat ‘Amerikanen zich de meest conservatieve natie in een turbulente wereld tonen, is de Constitutie’, zo schreef de krant, want ‘die zorgt ervoor dat Amerikaanse burgers zich verzekerd voelen van hun individuele rechten wanneer die bedreigd worden door vluchtige volkssentimenten’. Die ‘vluchtige volkssentimenten’ waarover de patriciërs van de Times-redactie repten zou je natuurlijk ook de wil van het volk kunnen noemen. Feit is dat de Amerikaanse constitutie het nagenoeg onmogelijk maakt voor het electoraat om met een collectieve daad van politieke wil een concrete verandering in nationaal beleid te bewerkstelligen. Zo is de Senaat een ronduit ondemocratisch orgaan waarbinnen elke staat twee senatoren levert. De ongeveer half miljoen inwoners van Wyoming hebben er dus evenveel vertegenwoordigers als de veertig miljoen van Californië, met als gevolg dat 84 procent van de bevolking kan worden weggestemd door de zestien procent uit de minst bevolkte staten.

Nieuwe wetgeving dient te worden goedgekeurd door drie organen – het presidentschap, de Senaat en het Huis van Afgevaardigden – die de kiezers nooit tegelijkertijd kunnen kiezen. Opnieuw spant de Senaat de kroon: elke twee jaar gaat slechts eenderde van de Senaat op voor herverkiezing.

Geen wonder dat ‘vluchtige volkssentimenten’ niet zomaar tot verandering leiden. En dan is er nog het Electoral College waardoor presidentiële verkiezingen in feite in slechts enkele ‘swingstaten’ worden beslist, met de reële mogelijkheid dat de kandidaat met de meeste stemmen (Al Gore in 2000, Hillary Clinton in 2016) niet de president wordt. Dit krankzinnig ingewikkelde en onlogische systeem is ook nog eens extreem moeilijk om te veranderen: een amendement van de constitutie vergt de goedkeuring van tweederde van de Senaat en het Huis van Afgevaardigden en dient vervolgens door driekwart van de staten te worden goedgekeurd (er zijn nog drie andere manieren, maar dit is de kortste weg).

Het is niet zo dat links zich nooit heeft verzet tegen de beperkingen van de constitutie. Tijdens de Progressive Era van eind negentiende eeuw noemde de Socialist Party de grondwet een ‘bedreiging van de democratie’ en zorgden progressieve volksvertegenwoordigers voor de aanname van het Zestiende en Zeventiende Amendement, respectievelijk voor het autoriseren van federale inkomstenbelastingen en directe verkiezingen van senatoren, die tot dan gekozen werden door de wetgevers in de staten. Veel maakte het niet uit.

Effectiever zou de conservatieve tegenaanval blijken, zo toont de historicus Michael Kammen in The Constitution in American Culture (2006). Organisaties als de American Legion en de Constitutional League begonnen een ‘patriottisch constitutionalisme’ te promoten dat ‘als tegengif moest dienen tegen overheidscentralisatie en socialisme’. Al gauw ging de constitutie een centralere rol spelen in de Amerikaanse cultuur: een nationale Constitution Day werd ingesteld (17 september) en scholen werden geïnstrueerd om het heilige document nader te verheerlijken.

‘Waarom zouden we de ideeën van de opstellers als die van onszelf beschouwen? Waanzin’

Hedendaagse conservatieven tonen zich trotse erfgenamen van de traditie om de constitutie als een bolwerk tegen democratisch avonturisme te omarmen. Toen ik in 2010 in Nashville de eerste Tea Party Convention bezocht en ’s avonds aan een tafel belandde met een tiental Tea Party-activisten ontstond een conflict over de vraag of voor het eten eerst uit de bijbel of uit de constitutie moest worden voorgelezen.

Mike Seidman, hoogleraar constitutioneel recht aan Georgetown University, verklaart de rechtse liefde voor de constitutie uit een hang naar autoriteit, die zich uit in wat hij een ‘just-give-me-my-marching-orders-benadering’ noemt. ‘De constitutie is voor hen een disciplinaire vader die hen zekerheid geeft.’

Daarnaast onderschreven de opstellers (framers) van de constitutie een wereldbeeld dat past bij de huidige Republikeinse Partij, zegt Seidman. ‘Ze wilden een markteconomie promoten. De constitutie bevat niet voor niets sterke beschermingen voor eigendom en contractrechten die ontworpen waren om progressieve hervormingen tegen te gaan. Zelfs het recht van vrije meningsuiting was gebonden aan eigendomsrechten.’

Maar ook ter linkerzijde omarmt men volop de constitutie, zegt Seidman, en dat geldt voor zowel liberalen als progressieven. Hij wijst op het debat rondom de nominatie van de conservatieve rechter Brett Kavanaugh voor het Supreme Court. ‘Dat wordt voor een groot deel in constitutionele termen gevoerd. Kavanaugh zal de constitutie vermoorden door de presidentiële bevoegdheden te vergroten, zo heet het. Of hij zal net als zijn voorganger Antonin Scalia de constitutie te letterlijk uitleggen.’

Kavanaugh (53) is er inmiddels van beschuldigd op zijn zeventiende Christine Blasey Ford te hebben verkracht; zij heeft zich ook bereid verklaard in het Congres te worden ondervraagd. Ook dit wordt vertaald naar een constitutionele crisis, want als Kavanaughs benoeming bekrachtigd wordt, telt het Hof straks twee conservatieve rechters die geloofwaardig beschuldigd zijn van seksueel wangedrag – Clarence Thomas werd in 1991 door Anita Hill beschuldigd van seksuele intimidatie. Dat schaadt niet alleen de geloofwaardigheid van het Supreme Court, maar ook die van de president die hem heeft benoemd en de Senaat die de benoeming heeft bekrachtigd – en dus de constitutie die de ganse procedure voorschrijft. Ook vanwege zijn ideeën over vrouwenrechten ligt Kavanaugh vanaf links onder vuur. De grootste angst is dat hij de constitutie dusdanig zal interpreteren dat hij het in de uitspraak Roe vs. Wade (1973) erkende recht op abortus zal terugdraaien.

Voor Seidman zijn dergelijke vraagstukken absoluut relevant, maar niet de grondwettelijke argumenten daarbij. Volgens de schrijver van On Constitutional Disobedience (2012) zouden Amerikanen het idee dat ze de constitutie moeten gehoorzamen namelijk helemaal moeten laten varen. ‘Die is geschreven in een tijd dat de Verenigde Staten nog een kleine plattelandsrepubliek was langs de oostkust, die voornamelijk dreef op slavenarbeid. De opstellers wisten niets over industrialisering, het internet, of de oorlog tegen terrorisme. Deze mensen hadden nog nooit gehoord van Bill Gates, Albert Einstein, Adolf Hitler of Lady Gaga. Deze mensen wisten niets van dit land. Dus waarom zouden we hun overtuigingen, hoop, ideeën en obsessies als die van onszelf beschouwen? Dat is gewoon krankzinnig.’

‘De Sovjet-Unie had een geweldige grondwet vol prachtige dingen. Het maakte niets uit’

Zijn favoriete voorbeeld is het debat over schietwapens. ‘Dat is een moeilijk onderwerp. Zelf zie ik bijvoorbeeld niet zo snel hoe we middels regulering kunnen afkomen van de meer dan driehonderd miljoen schietwapens. Maar ik weet wel dat het kolder is om de discussie daarover te voeren op basis van het Second Amendment en wat de opstellers ooit bedoeld zouden hebben met het woord “militie”. Daartegen zou iedereen moeten zeggen: nou en?’

Seidman pleit voor ‘constitutionele ongehoorzaamheid’: ‘Misschien wel de grootste helden uit de Amerikaanse geschiedenis zijn de abolitionisten. De constitutie beschermde overduidelijk slavernij, dus verbrandde een abolitionist als William Lloyd Garrison publiekelijk de constitutie. Ook president Abraham Lincoln wist dat de constitutie slavernij gedoogde. Toch kondigde hij de afschaffing ervan aan en begon de Civil War, omdat hij wist dat het juist was en een meerderheid van de bevolking bereid was ervoor te vechten. Uiteindelijk werd de slavernij afgeschaft ondanks de constitutie.’

Seidman is dan ook geen voorstander van impeachment van de huidige president. ‘Het is heel belangrijk dat we van Trump af komen of hem neutraliseren, maar ik hoop niet dat dit gebeurt doordat het Supreme Court zegt dat de constitutie dit vereist. We moeten zelf het harde politieke werk verrichten om mensen ervan te overtuigen dat deze persoon niet geschikt is om president te zijn. Gelukkig helpt hij daar zelf ook aan mee.’

Ook als antidotum tegen autoritarisme ziet Seidman geen rol voor de constitutie. ‘Daarvoor heb je een goed geïnformeerde en gemobiliseerde burgerij nodig. Uiteindelijk is de constitutie niet meer dan een stuk papier. Ik bedoel, de Sovjet-Unie had een geweldige grondwet vol prachtige dingen. Het maakte niets uit.’

‘We the people’, de beroemde drie eerste woorden van de Amerikaanse constitutie, staan in Gotisch aandoende koeienletters geschreven, de rest van het document is in een kleinere maat letter. Onder leiding van James Madison hadden de opstellers vier maanden gedebatteerd en geschaafd voordat het document op 17 september 1787 aan de afgevaardigden van de Federal Convention werd gepresenteerd, die zich in Philadelphia hadden verzameld om ‘een perfectere Unie te vormen, binnenlandse rust en een gemeenschappelijke verdediging te verzorgen, het algemene welzijn bevorderen en de zegeningen van vrijheid veilig te stellen voor onszelf en ons nageslacht’.

39 van de 55 gedelegeerden ondertekenden het document, waarop de tekst via kranten en pamfletten onder het publiek werd verspreid, vaak met ‘We the people’ in extra grote letters.

‘Als de Constitutie een viool is, dan is ze ook alle muziek die er ooit op gespeeld is’

Tegelijkertijd werd het origineel gepresenteerd aan het Congres, dat destijds nog in New York zetelde, dat het vervolgens zonder erover te stemmen ter goedkeuring aan de staten stuurde. Op 21 juni 1788 werd de grondwet van kracht.

Met ongeveer 4400 woorden is de Amerikaanse constitutie een van de kortste ter wereld. Toch heeft driekwart van de Amerikanen de tekst nooit in zijn geheel gelezen. Wie dat wél heeft gedaan, zal beamen: helemaal duidelijk is de tekst lang niet altijd. Wat bijvoorbeeld te denken van dit artikel? ‘The Congress shall have Power to declare the Punishment of Treason, but no Attainder of Treason shall work Corruption of Blood, or Forfeiture except during the Life of the Person attainted.’

Hoe ingewikkeld en ondoorgrondelijk de tekst ook is, toch was Californië tot 1860 de enige staat waar de constitutie verplichte kost was op school. Ook politici hielden zich destijds niet of nauwelijks bezig met de tekst. Zo schreef gouverneur van New York Silas Wright in 1847 in een brief: ‘Niemand die vertrouwd is met regeringszaken kan zijn ontgaan dat veel van onze staatslieden de indruk wekken nooit de Constitutie van de Verenigde Staten nauwgezet te hebben gelezen, maar wel heel vindingrijk zijn als het document op dat moment van pas komt voor de verwezenlijking van hun doelen.’

Dat veel van het geschrevene verschillend geïnterpreteerd kan worden, wordt versterkt door wat er allemaal niet in de constitutie staat. De woorden ‘God’ en ‘blank’ komen er bijvoorbeeld niet in voor. Toch was senator Stephen Douglas uit Illinois ervan overtuigd dat de federale overheid gemaakt was ‘door blanke mannen, ten gunste van blanke mannen en hun eeuwige voorspoed’. Voor zwarte mannen geldt de constitutie daarentegen niet, zo besloot het Supreme Court in 1857.

Ook niet genoemd in de constitutie: slavernij, banen, spoorwegen, vrouwen, vrije markten, gezondheidszorg, privacy, de scheiding van kerk en staat – allemaal onderwerpen waarnaar men alleen maar kan gissen en steeds nemen Amerikanen er verschillende posities over in op basis van diezelfde constitutie.

Binnen de rechtspraak zijn er sinds de jaren tachtig grosso mode twee methodes van constitutionele toetsing die rechtstreeks tegenover elkaar staan: ‘originalism’ versus ‘the living constitution’. Met excuus voor de versimpeling: originalism zoekt de constitutionele duiding dicht bij de letterlijke tekst en vraagt zich aan de hand daarvan af wat de opstellers ooit kunnen hebben bedoeld, terwijl de living constitution steunt op het idee dat een maatschappij een ‘levend organisme’ is en dat de rechter derhalve de geest van de constitutie moet bepalen aan de hand van de huidige opvattingen binnen de samenleving in plaats van aan de letterlijke tekst.

‘Een deel van die muziek is prachtig; veel ervan is ruis; een deel ervan klinkt hels’

Over die aanhoudende strijd over de interpretatie van de constitutie schreef de historica Jill Lepore in haar New Yorker-essay The Commandments uit 2011 deze nadien vaak geciteerde woorden:

‘De Constitutie is inkt op perkament. Ze telt 4400 woorden. Ze is ook de som van de betekenissen die aan die woorden zijn toegekend, van de amendementen, de afgewezen amendementen, de worstelingen, de debatten – de gebeurtenissen – gedurende meer dan twee eeuwen. Ze is niet makkelijk, maar ze is van iedereen. (…) Als de Constitutie een viool is, dan is ze ook alle muziek die er ooit op gespeeld is. Een deel van die muziek is prachtig; veel ervan is ruis; een deel ervan klinkt hels.’

Ook Mike Seidman kent het citaat, maar meer dan mooie woorden vindt hij het niet. Hij heeft ook geen positie in het debat tussen originalism versus the living constitution: ‘Ze gaan beide over wat de constitutie betekent en veronderstellen dat we moeten doen wat die betekenis is.’

Voor Seidman kent de constitutie maar drie belangrijke woorden: we the people. ‘Die woorden impliceren dat we de rest van het document kunnen negeren. Met “we the people” worden namelijk de levende mensen bedoeld, niet de dode mensen. En wij levende mensen hebben het recht en de verplichting om dit land naar eigen inzicht zo goed en rechtvaardig mogelijk te maken.’

Een goed en rechtvaardig land is ook wat Jedediah Purdy, hoogleraar constitutioneel recht aan Duke University, voor ogen heeft. Alleen wil Purdy dat doen middels wat hij noemt ‘progressief constitutionalisme’. In een begin deze maand in The New York Times gepubliceerd essay getiteld The Left’s Guide to Reclaiming the Constitution schreef hij onder meer: ‘Wat progressieven vooral nodig hebben is een eigen constitutionele visie, een helder beeld van wat rechters zouden moeten doen met de macht van de rechtspraak.’ Zo pleit hij voor een ‘constitutionalism of strong democracy’, waarbij rechters in de constitutie aanknopingspunten vinden om een einde te maken aan het uitsluiten van kleurlingen en (ex-)gevangenen van hun kiesrecht. Een ander idee is een ‘constitutionalism of economic citizenship’, dat burgers rechten moet geven op bijvoorbeeld zorg, kinderopvang, hoger onderwijs en ontslag- en huurbescherming – ideeën die misschien onder volksvertegenwoordigers nog niet op brede steun kunnen rekenen, maar wel onder de bevolking zelf.

Seidman is onder de indruk van het essay, omdat de inspirerende aard ervan hem doet denken aan de mooie stukken uit de constitutie. ‘Er staan prachtige, ontroerende dingen in onze grondwet. Het probleem is alleen dat goed bedoelende mensen haar haast zien als een geldend contract, alsof je rechten zou kunnen ontlenen aan een contract met mensen die twee eeuwen geleden zijn gestorven. We zouden het in plaats daarvan moeten beschouwen als een kunstwerk – een symfonie, of een gedicht dat ons kan ontroeren en wellicht zelfs tot actie kan aanzetten. Maar niemand zal overwegen om een gedicht te gehoorzamen.’

Wat Purdy en Seidman gemeen hebben is dat ze zich beiden ervan bewust zijn dat hun ideeën niet zo één-twee-drie verwezenlijkt zullen worden. ‘Het lijkt wellicht zinloos om te fantaseren over progressieve rechterlijke uitspraken juist nu rechts bezig is zijn greep op de rechtbanken te verstevigen’, schrijft Purdy. ‘Maar dit soort dingen verandert snel: niemand verwachtte dat Trump Supreme Court-rechters zou mogen benoemen. En de democratische, generationele en ideologische veranderingen die nu links nieuw leven inblazen zouden best eens decennialang de politiek kunnen vormgeven.’

Seidman verwacht al helemaal niet dat zijn oproep tot constitutionele ongehoorzaamheid brede navolging zal krijgen. ‘Ik ben niet gek: de kans is klein dat dingen op korte termijn radicaal in mijn richting zullen veranderen. Wat nu eerst nodig is, is geen juridische maar een culturele verandering. Mensen moeten gaan inzien hoe bizar het is om de constitutie zoveel gewicht te geven.’

Zo’n cultuurverandering zou zomaar kunnen plaatsvinden, houdt Seidman zichzelf voor. ‘Als iemand me twintig jaar geleden had verteld dat het homohuwelijk eraan kwam, had ik gevraagd: “Wat heb jij gerookt?”’ En hij heeft vertrouwen in het gogme van de gewone man. ‘De meeste Amerikanen zijn niet gek. In controversiële zaken hoef je maar naar de ideologische samenstelling van de rechters te kijken om de uitkomst te weten. De rechtbanken zijn niet oprecht als ze claimen dat ze simpelweg de constitutie interpreteren en dat hun politieke overtuigingen geen rol spelen. Daar laten mensen zich niet door verblinden: ze weten donders goed dat het instituut dat de constitutie moet uitleggen eigenlijk iets heel anders doet. Dat zorgt voor cynisme en brengt ons in een onstabiel equilibrium waarin het onduidelijk is wat mensen denken. Dat zijn omstandigheden waaronder verandering gedijt.’