Avant-garde

Het essay van Cyrille Offermans (in De Groene van 25 januari) over de dood van de avant-garde verdient een aanvulling op het terrein van de architectuur. Offermans meen dat ‘de realisering van de troosteloos monotone nieuwbouw van na de oorlog’ niet zomaar aan de schilder Piet Mondriaan mag worden toegeschreven. Wel aanwijsbaar is de invloed van De Stijl en Bauhaus, maar ik zeg Offermans na dat we veel moois aan hem te danken hebben.

Toch zou de Moderne Beweging bij Offermans niet ongenoemd mogen blijven. De architectuurcriticus K. Frampton noemt het in de geautoriseerde vertaling van Modern architecture (Nijmegen 1988) een feit dat de Moderne Beweging ‘een in het oog springende rol heeft gespeeld bij de complete vernietiging van de stedelijke cultuur’. Ook Peter Blake liet in zijn Form Follows Fiasco (New York 1974) de dramatische ontsporing van het gedachtengoed der Moderne Beweging zien.
Zelf heb ik het verloop van Amsterdamse stadsuitbreidingen sedert 1917 bestudeerd. Voor mij is komen vast te staan dat de wens met iets geheel nieuws op stedebouwkundig terrein te komen een van de drijfveren is geweest bij ontwerpers die eind jaren vijftig met de planning van de Bijlmer waren belast
Volstrekte eenvormigheid en grootschaligheid zijn de meest in het oog springende karakteristieken van de dertienduizend galerijflats. De ontvankelijkheid van onder meer wethouder Publieke Werken J. M. den Uyl voor dit gedurfde avantgardisme was overigens al door Jacques de Kadt in 1967 gesignaleerd, wanneer hij spreekt over diens 'verwerpelijke voorliefde voorplanistische constructies’. De bouw van de Bijlmermeer was toen volop aan de gang.
Leiden, MAARTEN MENTZEL