Avantgarde-problemen

Vraag een willekeurige cultuurminnaar uit het buitenland wat hij vindt van het Nederlandse kunstenbestel en je zult horen: ‘privileged, privilegie, privilegiert’. Laten we er eens van uitgaan dat we ons gelukkig mogen prijzen met onze voorrechten. Hoe kunnen we er, met verkiezingen (en Gatt) voor dedeur, voor zorgen dat de situatie in ieder geval zo blijft?

Want de beer is los. Terwijl ambtenaren en bewindvoerders twijfels uiten over de legitimiteit van de kunstsubsidies en om argumenten vragen aan'het veld’ zelf, mag er in de grote media ongegeneerd worden gekankerd op de hooghartigheid, het onbenul en vooral de lelijkheid van de hedendaagse kunst. ‘Mag dit weg?’ vraagt Mieke van der Wey bij argeloze beelden van hard werkende kunstenaars. 'Is dit nu alles?’ klaagt Max Pam bij de blijkjes van goede wil. Avond aan avond vraagt Ischa Meijer waar zijn artistieke slachtoffer nu weer het godvergeten lef vandaan haalde een erbarmelijk kunstwerk de wereld in te smijten. Er worden weer enquetes gehouden over 'wat mooi is’, en afgegeven op 'losgezongen'theorieen a la Derribla. Er wordt weer serieus de vraag gesteld of dit nu allemaal wel moet van onze belastingcenten. En wee degene die zich neerbuigend uitlaat over het 'lekenoordeel’. Je moet wel Carel Weeber heten om dan de vox populi van 'Karel’ te weerstaan.
Het gaat heel snel. Nog even en de kunsten mogen weer volmondig om hun publieks vijandigheid worden aangevallen. En helaas, vanuit de kunsten zelf gebeurt niet zoveel om de volkswoede te beteugelen. Natuurlijk, er is een lobby van instellingen en beroepsverenigingen die juist nu zeer actief is. Onlangs nog werd een plan voor een basisuitkering aan alle professionele kunstenaars in Nederland door een lange rij zwaargewichten in de landelijke persondersteund.
Maar deze propaganda gaat voorbij aan de toorn des volks. Waar het om gaat is dat de kunsten hun aanspraak op de veronderstelde verhevenheid, op grond waarvan er uberhaupt nog altijd kunstbeleid bestaat, niet meer kunnen waarmaken. De avant-gardekunst heeft in de ogen van velen haar waarde als therapie verloren. Zij verlost niet meer, noch weet zij ons door homeopathie dichter tot ons zelf te brengen. Zelfs een rol als eenvoudige pijnstiller is haar niet meer gegeven. De missie is vervuld: de zuiverste vorm, de zuiverste emotie, de zuiverste provocatie - we hebben ze al beter gehad dan in onze stoutste fantasieen. Vooruitstrevend kunstbeleid, dat uiteindelijk slechts kan steunen op paternalisme, wordt langzaam maar zeker beroofd van haar raisondetre: namelijk dat vooruitstrevende kunst goed is voor de mensen. (Gelukkig weten we via Pierre Bourdieu dat kunst ook sociale distinctie betekent,anders troffen we in de tempel helemaal niets anders meer dan kennissen aan.)
De avant-garde heeft altijd al een publieksprobleem gehad, omdat ze voor de meesten onbegrijpelijk was; nu heeft ze er nog een probleem bij omdat ze zichzelf ook nog eens lijkt te hebben overleefd. Kan de kunst de autoriteit herwinnen opgrond waarvan zij weer in de armen van het volk wordt gesloten? (Want dat wil iedereen: de kunstenaars vanwege hun bestaansreden, de beleidsmakers om hun bestaansrecht, en het volk, tja, om te merken dat het een boezem heeft…) Het is een onmogelijke vraag, zeker voor deze korte kroniek. Toch kan wel met enige stelligheid worden geopperd dat een beroep op schoonheid, troost,verdieping of vreugde alleen geen argument is wanneer dat niet in serie wordt bewezen. Evenmin kan de individuele bekentenis van een kenner reden zijn voor een collectief beleid. Daarvoor is zijn 'kennen’ iets te esoterisch geworden. Met de professionalisering van de promotie door kunst managers is een verwijzing naar plotselinge openbaringen ook niet meer te verwachten. Vooruitgang in de kunst bestaat niet, maar voor blijvende overheidssteun is wel de suggestie van vooruitgang noodzakelijk. De vraag is: welke suggestie is overtuigend genoeg voor Den Haag?