Oswald Spengler, duistere voorafschaduwing én aansporing

Avond op het continent

Waar de westerse conservatief Roger Scruton in Spenglers Ondergang van het Avondland zijn vrees voor het verval van Europa bevestigd zag, spoorde het boek de islamist Rached Ghannouchi juist aan om tegen westerse dominantie te ageren.

Medium par89725
Parijs, 13 mei 1968 © Bruno Barbey / Magnum

In de meidagen van 1968 steekt een Britse uitwisselingsstudent zijn rossige hoofd uit het raam van zijn kamer in het Parijse Quartier Latin. Een paar weken eerder zijn op de campus van Nanterre studenten in het geweer gekomen tegen het verbod om ’s avonds bij vrouwelijke studenten op bezoek te gaan. Inmiddels is heel Parijs in de ban van de studentenrevolte. In optochten worden portretten van Marx en Lenin meegedragen. Op de muren van de bezette Sorbonne verschijnen ludieke leuzen als sous les pavés, la plage! (onder de klinkers, het strand!) of vivre sans temps morts, jouir sans entrave (leef erop los, feest tot je erbij neervalt).

De jongeman ziet hoe beneden in zijn straat de ene na de andere winkelruit sneuvelt. ‘Auto’s werden opgetild en landden op hun kant, terwijl hun sappen uit ongeziene wonden stroomden’, herinnert hij zich later. Op een bepaald moment komt er een busje met politie de straat van de rellende studenten in gereden. Ze worden onthaald op een regen van kasseien, verschillende agenten vallen op de grond en één grijpt naar zijn hoofd terwijl het bloed tussen zijn vingers door stroomt.

Die avond krijgt de student een Franse vriendin op bezoek. Ze vertelt de aangeslagen jongeman vol enthousiasme over de dag op de barricades die ze heeft doorgebracht met vrienden van haar theateropleiding. Er waren agenten gewond geraakt, slogans geroepen, graffiti’s gekalkt – de bourgeoisie was op de vlucht gejaagd. De jongeman heeft die dag in de memoires van De Gaulle gelezen en gloeit nog na van diens beschrijving van de staatsbegrafenis van de schrijver Paul Valéry, direct na de bevrijding van Parijs. Hij kauwt na op De Gaulle’s beroemde uitspraak dat hij zich zijn hele leven lang une certaine idée van Frankrijk had gevormd. ‘Welk idee van Frankrijk heb jíj dan’, vraagt hij de vriendin. ‘Wat moet volgens jou in de plaats komen van de burgerlijke orde die je zo veracht? En ben je bereid ervoor te sterven?’

Voor het eerst voelt de jongeman iets van politieke woede in hem opborrelen. ‘Plotseling wist ik me aan de andere kant van de barricade.’ De vriendin antwoordt met een boek: Les mots et les choses van Michel Foucault, ‘een boek dat geen waarheid zoekt, maar slechts subversief wil zijn’. ‘Waar macht is, daar is oppressie’, zo vat de jongen de inhoud samen. ‘En waar macht is heb je het recht om te vernietigen.’ In de straat beneden hem heeft hij die middag de praktische vertaling van die slogan gezien, zou hij later schrijven in Why I Became a Conservative. Tot die tijd dacht hij dat je progressief moest zijn, of op zijn best hervormingsgezind.

Maar toen Roger Scruton, want zo heette de jongeman, in 1971 aan de slag ging als docent filosofie bij Birkbeck College in Londen was hij conservatief geworden. Voorzover hij kon nagaan was de enige geestverwant daar op dat moment Maria Annunziata, de Napolitaanse dame die de maaltijden in de kantine verzorgde en de draak stak met de linkse docenten door haar toonbank vol te zetten met kitscherige foto’s van de paus. Als hij de universiteitsbibliotheek afzocht vond hij ‘Marx, Lenin en Mao’, maar geen ‘Strauss, Voegelin, Hayek, of Friedman’. ‘Ik vond ieder denkbaar socialistisch maand-, week-, of kwartaalblad’, schrijft Scruton. ‘Maar geen enkel tijdschrift dat zich conservatief noemde.’

Uiteindelijk vond hij troost in het werk van de Ierse politicus en publicist Edmund Burke. Aanvankelijk in diens beschouwingen over esthetiek, later ook in diens politiek-filosofische werk (Burke is de auteur van de Reflections on the Revolution in France, algemeen gezien als de oertekst van het moderne conservatisme). Scruton voelde zich vooral aangesproken door Burke’s concept van politieke deugdzaamheid en gehoorzaamheid, zonder welke ‘samenlevingen uiteenvallen in het stof en poeder van de individualiteit’. Burke toonde Scruton dat ‘waarachtige vrijheid, tastbare vrijheid, de vrijheid die ook echt gedefinieerd kan worden, opgeëist en toegekend, niet het tegenovergestelde van gehoorzaamheid was, maar haar andere zijde’. Alles wat hij in 1968 had waargenomen viel plotseling op zijn plek.

Op het moment dat Rached Ghannouchi in Parijs arriveert is hij al lang en breed conservatief. Voor de 27-jarige Tunesiër is het vooral zaak om dat ook zo te houden. Twee jaar eerder heeft Ghannouchi zich bekeerd tot wat hij de ‘ware islam’ noemt: het salafisme. Dat verwerpt traditie en richt zich op een mythische zuivere islam van de eerste generaties moslims. Voor zijn komst naar Parijs had hij filosofie gestudeerd in Tunis en Damascus en enige tijd geflirt met het pan-Arabisme van de Egyptische president Nasser. Zijn plan was een masteropleiding filosofie aan de Sorbonne te volgen, en als hij in de zomer van 1968 voet zet in de Franse hoofdstad is het studentenprotest weliswaar geluwd, maar wordt er nog steeds druk gesproken over onderwijshervormingen (uiteindelijk zullen die resulteren in het opbreken van de Sorbonne in meer dan tien afzonderlijke universiteiten).

Ghannouchi zoekt in eerste instanties aansluiting bij de Noord-Afrikaanse studentengemeenschap die zich ophoudt in bars en koffiehuizen aan de Boulevard St. Michel. Alles zit er door elkaar: linkse ba’athisten, Arabisch-nationalisten en een enkele islamist. Later treedt hij in contact met een groep orthodoxe Pakistani. Met hen gaat hij de arme buurten rond de wijk Belleville af, op zoek naar gastarbeiders met een islamitische achtergrond die ontvankelijk zijn voor hun boodschap. Geld heeft Ghannouchi amper en hij voorziet in zijn levensonderhoud met schoonmaakbaantjes en het rondbrengen van reclamefolders.

‘Waar macht is, daar is oppressie. En waar macht is heb je het recht om te vernietigen’

Terugkijkend zou hij zijn Parijse tijd beschouwen als een enorme beproeving, vooral vanwege alle wereldse verleidingen. Hij kon moeilijk omgaan met de losse omgangsvormen tussen jongens en meisjes en de broeierige sfeer op de universiteit of de internationale studentencampus. ‘De test was zwaar, en ik was er beducht op dat ik zou falen, een angstaanjagende gedachte. Hoe zou ik anderen ooit nog de les kunnen lezen zonder voor hypocriet door te gaan? God zij geprezen dat hij mij behoed heeft totdat de beproeving voorbij was.’

Ondertussen is via-via bij Ghannouchi’s ouders doorgedrongen dat hun zoon als een dolende sjeik de achterbuurten van Parijs afschuimt in de hoop Noord-Afrikaanse gastarbeiders te bekeren. Het leidt tot hilariteit, maar ook tot de nodige bezorgdheid, helemaal omdat de algemene verwachting is dat hij moderner zal terugkeren, niet conservatiever. Een oudere broer, die werkt als rechter, wordt naar Parijs gestuurd om Ghannouchi onder het voorwendsel van een zieke moeder terug naar Tunesië te krijgen. Tegen de tijd dat de broer aankomt, blijkt Ghannouchi volop bezig voorbereidingen te treffen voor een langdurig verblijf in een koranschool in Pakistan – waar hij vrijwel zeker zou zijn gehersenspoeld. Ghannouchi’s broer weet hem over te halen met hem via Spanje en Algerije terug te reizen naar Tunesië.

Small hh 40906184
© Pako Mera / Writer Pictures / HH

Dat hij instemt mag een wonder heten. Te meer omdat Ghannouchi zich heeft voorgenomen nooit meer een voet in eigen land te zetten. Vanaf 1956 had president Habib Bourguiba het land met harde hand verwesterd, met de nadruk op een strikte scheiding tussen religie en politiek. Hij schiep een wereld waarin een op Parijs gerichte elite zou floreren. ‘Meer nog dan een overwinning op de (Franse) kolonisator behaalde Bourguiba een overwinning op de Arabisch-islamitische nationale identiteit’, zou Ghannouchi daar later over zeggen. Hijzelf ervaart vooral vervreemding en beschouwt Tunesië botweg als ‘onislamitisch’. De twee broers houden halt in Cordoba in het hart van Andalusië, ooit de naam van het gelijknamige kalifaat, waar zij de beroemde kathedraal-moskee bezoeken. De kennismaking met deze overblijfselen van islamitische beschaving blijkt een diep emotionele ervaring.

In Algerije bezoeken de broers de vooraanstaande islamgeleerde Malik Bennabi. In zijn werk paart Bennabi een zo wetenschappelijk mogelijke blik op de wereld aan de heilige teksten van de islam. Dat is heel anders dan de fundamentalistische geleerden die Ghannouchi tot dusver heeft bestudeerd, zoals de Pakistaan Abdul A’la Maududi of de Egyptenaar Sayyed Qutb. Bennabi’s ideeën zullen van grote invloed blijken op de ontwikkeling van het denken van Ghannouchi.

Terug in Tunesië bezoekt hij eerst zijn ouders in het zuiden. Vervolgens maakt hij zich op om terug naar Parijs te reizen en daar zijn filosofiestudie weer op te pakken. Op doorreis in Tunis bezoekt hij de Zitoena-moskee, in de vroege islam een intellectueel centrum van de eerste orde. Tot zijn verbazing treft hij er een groepje jongeren aan. Voor een moment verdwijnt het besef van existentiële eenzaamheid. Is er dan toch nog hoop voor de islam in Tunesië? Ghannouchi besluit te blijven. Hij neemt een baan als filosofiedocent op een Frans lycée. Dat valt niet mee aangezien het curriculum vrijwel geheel bestaat uit materialistische filosofie, zoals te vinden in het marxisme, darwinisme en existentialisme. Het zet Ghannouchi aan tot het schrijven van een ingezonden stuk in een leidende Tunesische krant. De ‘verwarring en desoriëntatie’ die het curriculum heeft veroorzaakt, heeft volgens hem geleid tot het verlies van nationale identiteit van een hele generatie jongeren. Daarbij is de exclusieve focus op westerse filosofie misplaatst, omdat die hoofdzakelijk de psychologische en sociologische problemen van het Westen adresseert.

Ghannouchi geeft het voorbeeld van Marx. Diens ‘opium voor het volk’ verwijst niet naar de islam, maar naar het christendom. Hoe kan een leer als die van Marx een universele waarde claimen als hij zo overduidelijk voortkomt uit een particuliere situatie? Idem voor Sartre. Hoe kan diens vrijheidsleer in hemelsnaam als universeel worden gezien en niet als gelieerd aan een specifieke fase in de westerse geschiedenis, waarbij ‘morele waarden zijn ondermijnd, spirituele verbanden zijn verzwakt, en waarvan het algemene oordeel over het leven is dat het zinloos is en een bron van nervositeit en uitputting’? Ghannouchi ziet maar één mogelijke verklaring: het is een samenzwering tegen de oemma, de spirituele gemeenschap van moslims, door een kracht die er belang bij heeft om een jonge generatie Tunesiërs los te weken uit haar culturele habitat, ‘haar in het ongewisse te laten over de vraag tot welke gemeenschap ze behoorde, welke cultuur ze zich mee moest identificeren, welke waarden ze diende te koesteren’.

Roger Scruton zou zich opwerpen als een van de meest prominente conservatieve denkers van zijn tijd. Hij geldt als een van de voormannen in een wereldwijde reactie tegen wat je de ‘erfenis van ’68’ zou kunnen noemen. Rached Ghannouchi op zijn beurt zou naam maken als een van de grote hervormers van het islamistische discours – weg van de radicale boodschap van Qutb, de wegbereider van al-Qaeda en Islamitische Staat. Als oprichter van de op de Moslimbroederschap geënte partij Ennahda (Wedergeboorte) zou hij bovendien een belangrijke rol spelen in postrevolutionair Tunesië. Wat hen bond was een diep onbehagen over de moderne westerse cultuur. Voor Scruton uitte die zich in de gedaante van een alomtegenwoordig cultuurrelativisme dat onze noties voor wat goed en kwaad was, mooi en lelijk, waar en onwaar op losse schroeven trachtte te zetten. Bij Ghannouchi kwam het in de gedaante van seculiere elites die klakkeloos het Westen imiteerden en daarbij de traditionele Arabisch-islamitische cultuur veronachtzaamden.

‘De test was zwaar, en ik was er beducht op dat ik zou falen, een angstaan­jagende gedachte’

Ieder voor zich werden zij daarin gesterkt door Oswald Spenglers Ondergang van het Avondland (1922). De Duitse historicus en filosoof sprak in dit verband over het wakker-zijn. Het besef van ‘het eigene’ en ‘het vreemde’ noemde hij het ‘oerfeit’ van het wakker-zijn – een verhoogde bewustzijnstoestand. Wat Ghannouchi betrof: hij was de naam van Spengler voor het eerst tegengekomen toen hij nog studeerde in Damascus. Meestal in combinatie met L’homme, cet inconnu (1935), de wereldwijde beststeller van de Franse arts en eugeneticus Alexis Carrel. Ze leerden hem dat ‘de islamitische wereld niet zozeer de wetenschap en de technologie als wel de ziektes van de westerse beschaving doorgegeven had gekregen’.

Wie Scrutons omvangrijke oeuvre leest, wordt getroffen door pessimisme en nostalgie, door het gevoel dat de auteur iets is afgenomen. In 1994 muntte Scruton de term oikophobia, dat hij definieerde als de ‘angst voor het eigene’ die hij vooral bij de contemporaine politieke en intellectuele elite meende te herkennen. Het was een gevoelde noodzaak om de eigen gewoontes, cultuur en instituties te bezoedelen. Hij wees richting Sartre en Foucault, maar ook naar de cultuur van politieke correctheid op Amerikaanse universiteiten. Over Spengler schrijft Scruton ergens: ‘Op één punt had hij het bijzonder goed gezien, en dat is dat de Europese cultuur is voorbestemd een lege huls te worden, bijeengehouden door rigide wettelijke en bureaucratische structuren rond de leegte waar kunst en religie ooit in alle luister schitterden.’

Een groot verschil was dat waar westerse conservatieven als Scruton in Ondergang van het Avondland een duistere voorafschaduwing zien, islamisten als Ghannouchi er juist een aansporing in lezen. Overigens speelt de islamitische wereld in Spenglers boek als zodanig geen grote rol. Hij beschrijft de islam als voortkomend uit wat hij de ‘magische wereld’ noemt, de geografische ruimte waarbinnen het monotheïsme is ontstaan. ‘Islam’ betekent onderwerping, en daarin verschilt ze van wat Spengler het ‘faustiaanse’ oersacrament van de biecht noemt, dat ‘een sterke en vrije wil veronderstelt’. Tegelijk was ‘“islam” ook hoe Jezus en elke andere religieuze persoonlijkheid die in deze cultuur op de voorgrond trad nu eenmaal leefde’.

Heel veel meer valt er in Ondergang niet over de islam te lezen. Het waren dan ook niet zozeer Spenglers bespiegelingen over de islam die maakten dat het boek in intellectuele centra als Damascus en Caïro zo druk werd bediscussieerd. Als zijn werk werd gelezen, kwam dat doordat het midden in een lang lopend debat terechtkwam over de voors en tegens van hervormingen op westerse leest. Om dat te begrijpen moeten we terug naar het begin van de negentiende eeuw en vanuit daar naar het Caïro tijdens het Interbellum. De inval van Napoleon in Egypte (1798) had een schokgolf door de al eeuwen stagnerende islamitische wereld gezonden. Het harde besef daalde in dat er een gigantische inhaalslag te maken was.

Daarbij was men graag bereid te erkennen dat Europa op allerlei terreinen enorme vooruitgang had geboekt. Maar in de ogen van veel met name conservatieve intellectuelen wilde dat niet zeggen dat dat allemaal maar klakkeloos kon worden overgenomen. Verbeteren van bureaucratie, infrastructuur, leger, onderwijs, dat was op zich natuurlijk prima, maar waar eindigde hervormen en begon slaafs imiteren? En vanaf welk punt kwam de culturele eigenheid in het geding? Was het niet juist belangrijk een alternatieve moderniteit te ontwikkelen en in de eerste plaats te streven naar een opleving van de eigen cultuur, tradities en religie?

Het was de opdracht die de rondreizende moslimintellectueel en politieke activist Jamal al-Din al-Afghani zich had gesteld. In 1870 sprak hij in Istanbul een beroemd geworden rede uit, waarin hij de ‘decadentie’ van de islam aan de kaak stelde en zijn geloofsgenoten opriep te stoppen met ‘onachtzaam, lui en stupide’ te zijn. Hij werd de stad uit gejaagd, maar zoals de Franse historica Nadine Picaudou in haar razend knappe boek L’islam entre religion et idéologie (2010) laat zien was dat het begin van een proces waarin binnen enkele generaties een moderne ideologie (het islamisme) uit een eeuwenoude religie (de islam) wordt gesmeed.

‘Op één punt had Spengler het zeer goed gezien: de Europese cultuur is voorbestemd een lege huls te worden ‘

Het kan de gestage neergang van het Ottomaanse Rijk niet stoppen. Met lede ogen zien moslimintellectuelen vanuit de voormalige provincies eerst hoe de Europese grootmachten het ooit zo machtige rijk verdelen. En vervolgens hoe Mustafa Kemal, de latere Atatürk, niet alleen het kalifaat afschaft, maar de stichting van de Turkse Republiek (1923) tevens gepaard laat gaat met een verwestersing van ongekende omvang. ‘Je schiep een staat, maar vernietigde een natie’, zo schreef de prominente Egyptische intellectueel Ahmad Hasan al-Zayyat. ‘Je smeedde een grondwet, maar vernietigde een geloof; je deed een land herleven, maar vernietigde een cultuur.’ Al-Zayyat, oprichter van het weekblad Al-Risala, zag verwestersing, ook in Egypte, als een valstrik. ‘Bij de fysieke dominantie van het Westen voegde zich een spirituele kneveling en het uitgummen van de eigen persoonlijkheid.’ Oosterse volkeren verloren volgens hem in toenemende mate hun zelfrespect en hadden een ‘slavenmentaliteit’ aangenomen.

Volgens Hassan al-Banna, leider van de in 1928 opgerichte Moslimbroederschap, was waarachtige verwestersing ‘illusoir’. Het raakte slechts de buitenkant, niet het hart. Veel was simpelweg niet compatibel met de ‘oosterse manier van leven’ en zou daarom slechts uitmonden in ‘sociale chaos’. ‘We zijn als de kraai die zich getooid heeft met de veren van een pauw’, schreef de Egyptische socioloog Mansour Fahmy. ‘Maar niet alleen misstaan de veren ons, al doende zijn we onze oorspronkelijke manier van voortbewegen vergeten.’ Egypte, dat sinds 1882 door de Engelsen werd bezet, was zichzelf volgens Fahmy volkomen kwijtgeraakt. Nodig was een ‘alternatief Oosten’. Te meer omdat van het Westen op moreel vlak inmiddels niet veel meer te verwachten leek. Het imperialisme van de Europese grootmachten tussen 1880 en 1918 had al laten zien dat hooggestemde idealen van de Verlichting vooral met de mond beleden werden. Na de collectieve zelfmoord van de Eerste Wereldoorlog, de economische crisis en de opkomst van het fascisme, was het lastig vol te houden dat Europa het moreel superieure baken was waar de rest van de wereld op moest koersen.

Small gettyimages 486141765crop
© Abdulhamid Hosbas / Anadolu Agency / Getty Images

Enter Untergang des Abendlandes. Spenglers stelling dat de westerse cultuur haar innerlijke religiositeit verloren had (en daarmee feitelijk ten dode was opgeschreven) correspondeerde precies wat men daarvan in de islamitische wereld meekreeg. Zeker, het Oosten was inmiddels op alle mogelijke terreinen door het Westen geïnfecteerd, maar dat hoefde dus niet eeuwig te duren. Spengler stelde met zoveel woorden dat de tijd van het Westen erop zat en in Caïro en Damascus voedde dat de hoop dat een wederopstanding (‘Nahda’) van de Arabo-islamitische wereld imminent was. Maar vooralsnog handhaafde Europa zich, zelfs na de catastrofe van de Tweede Wereldoorlog. In de islamitische wereld kwamen niet de islamisten aan de macht maar seculiere, op het Westen georiënteerde regimes.

Wij zijn geneigd om daarbij te denken aan de zwart-witfoto’s van kortgerokte moderne jonge vrouwen in de straten van Kabul, Teheran en Caïro, zoals die sinds een paar jaar op sociale media circuleren. ‘Kijk, zo beschaafd was het hier voordat de islam het er alsnog voor het zeggen kreeg’, luidt de subtekst. Maar dat gaat eraan voorbij dat het hierbij ging om een piepkleine elite die mijlenver af stond van de grote massa traditioneel levende moslims. Ze handhaafde zich dankzij een autoritair bewind dat oppositie keihard de kop indrukte. Ondertussen hadden grote westerse bedrijven vrij spel en hadden politici zich via torenhoge leningen aan westerse banken verplicht. Op termijn kon het niet anders dan de islamisten in de kaart spelen.

In navolging van Turkije waren inmiddels op tal van plekken ambitieuze moderniseringsprogramma’s van westerse snit doorgevoerd: in het Perzië van Reza Shah, in het Egypte van Nasser, in het Tunesië van Bourguiba. Westoxification noemde de Iraanse intellectueel Jalal Al-e-Ahmad dat in een gelijknamig boek uit 1962. Een beheksing die maakte dat men niet langer in staat was de gevaren van het Westen onder ogen te zien. Al-e-Ahmad noemde morele verweking, sociale onrechtvaardigheid, veronachtzaming van het geloof, obsessie met geld en materiële zaken. Het eindresultaat was een culturele vervreemding van ongekende omvang.

Wat te doen? In Egypte hield Sayyed Qutb het secularisme verantwoordelijk voor het toegenomen egoïsme en de atomisering van de samenleving. Maar na te zijn gemarteld raakte hij ervan overtuigd dat het westerse materialisme het meest gewelddadige in de mensen naar boven haalde. In in het geniep uit de gevangenis gesmokkelde brieven begon hij te schrijven over een ziekte die zich vanuit het Westen over de wereld verspreidde. Qutb noemde die jahiliyya (staat van onwetendheid). Wat het zo angstaanjagend maakte was dat mensen niet beseften dat ze ziek waren. Ze dachten dat ze vrij waren en dat hun politici hen naar een betere wereld leidden, terwijl ze in werkelijkheid afdaalden tot een staat van barbarij.

Volgens Qutb was de jahiliyya onder moslims inmiddels zo sterk geworden dat alleen een dramatisch gebaar hen eruit zou kunnen wakker schudden. Hiertoe deed hij een beroep op een avant-garde die de politieke elite omver moest werpen. Hij noemde de naam van Nasser niet, maar het was duidelijk dat hij die in gedachten had. Volgens Qutbs biograaf John Calvert was dit in de context van de islamitische traditie een geheel nieuwe manier van denken. Want islamitische schriftgeleerden riepen moslims op om hun leiders te gehoorzamen, zelfs als ze corrupt waren. Anders zou er sociale wanorde ontstaan. In zijn oproep tot actie doet het volgens hem nog het meest denken aan Lenins Wat te doen? Het opende een venster waar al het hedendaagse radicale islamisme naar terug te leiden is, inclusief al-Qaeda en IS.

Ghannouchi sloeg een andere weg in. In 1994 baarde hij opzien met een boek waarin hij beargumenteert dat moslims zelf mogen uitmaken hoe zij de islamitische wet interpreteren. Binnen de wereld van de politieke islam betekende dat een kleine revolutie. Ghannouchi verbleef op dat moment in ballingschap in Londen. Na de revolutie van 2011 keerde hij naar Tunesië terug, won met zijn partij Ennahda de verkiezingen en speelde een doorslaggevende rol bij de democratische transitie. ‘Mijn partij wil een burgerpartij zijn met een islamitische referentie’, zei hij me toen ik hem dat jaar interviewde in Tunis. Met die woorden nam Ghannouchi de facto afscheid van de politieke islam. In 2016 deed zijn partij dat officieel. De prijs daarvoor was het afzien van het idee van een ‘alternatief Oosten’ en de omarming van de westerse liberale democratie.

In het Westen daarentegen waart de geest van Spengler nog steeds rond. Sterker: het doemdenken over het Westen is aan een opmerkelijke revival bezig. De Nederlandse vertaling van Untergang des Abendlandes is daar misschien nog wel het duidelijkste bewijs voor. Maar los daarvan verschijnt het ene na het andere boek over de Europese decadentie of de ‘vreemde zelfmoord’ van het continent. Roger Scruton mag tevreden zijn. De strijd tegen het versmade multiculturalisme, la pensée de ’68, het politiek correcte denken en al het andere dat de oikos bedreigt wordt tegenwoordig over een brede linie gevoerd.

Tegelijkertijd heeft de terreurdaad van Anders Breivik in 2011 laten zien op welke manier het verzet kan ontsporen. Breivik had het voorzien op wat hij voor de aanstormende multiculturele elite hield, een jeugdkamp van de Noorse pvda. De kwestie ligt uiterst gevoelig en je kunt de verontwaardigde alt-rechtse spreekkoren in de verte al horen, maar de vraag moet worden gesteld: zijn de lessen werkelijk geleerd? Heeft men zich werkelijk rekenschap gegeven van hoe je met een wereldbeeld uit de bocht kunt vliegen? Scrutons discipel, de Nederlandse politicus Thierry Baudet, eigende zich de term ‘oikofobie’ toe en deed er nog een schepje bovenop. De elites zijn bij hem ‘geestesziek’ en dienen ‘vervangen’ te worden – zonder geweld, haast hij te benadrukken. Maar dat, en een samenzweerderige term als een ‘cultuurmarxisme’ dat de geesten ongemerkt vergiftigt, en je hebt geen Qutb meer nodig om daar een explosief brouwsel uit te distilleren.


Op dinsdag 10 oktober wordt de verschijning van de eerste Nederlandse vertaling van Spenglers boek gevierd in Paradiso, onder de titel ‘De ondergang van het Avondland’.