Avondmalen

Op de voorkant van de Amerikaanse uitgave van Lynx, een verzameling korte verhalen van Rebecca Lee (1967), staat een tekening van een lynx, met wat lijkt op een avondhandschoen tussen zijn tanden. Erboven staat een blurb van de Amerikaanse schrijver Ben Fountain: ‘Nothing short of brilliant’.

Andere loftuitingen op het omslag komen van Jonathan Franzen (bij de Nederlandse uitgave is hij naar voren gehaald), Carolyn Parkhurst en Jami Attenberg.

Blurbs zijn meestal het gevolg van een vriendendienst of verkapt narcisme: in het laatste geval herkent de toekenner van de blurb iets van zijn eigen werk in dat van de auteur die hij bezingt. En: er is iets van Fountain en Attenberg terug te vinden in Lee’s boek. Toch deed het boek mij het meest denken aan het werk van haar generatiegenoot Jennifer Egan. En dat is bedoeld als een compliment, het werk is er geen afgeleide van. Lee’s boek springt net als Egans Een bezoek van de knokploeg (de titel van de Nederlandse vertaling) behendig door de tijd, van de jaren tachtig tot heden ten dage, maar waar elk hoofdstuk in Egans boek lijntjes had die het met een of meer andere hoofdstukken verbonden, staan de verhalen in Lynx op zichzelf.

Toch zijn er enkele rode draden te vinden, in stijl en structuur: de verhalen staan vol prachtige zinnen als: ‘Het was onweerstaanbaar natuurlijk: het koffiebroodje vertegenwoordigde de hele wereld buiten onze steriele, in een impasse geraakte vergaderkamer, het leven in het centrum van de stad dat tot diep in de nacht doorging, uitvloeide naar de East River, die richting downtown stroomt, waar iedereen altijd vrij heeft’, en: ‘Ze ging twee keer per week naar de zonnebank en bleekte geregeld haar haar, zodat het eruitzag als radioactief gebladerte dat groeide op donkere, wispelturige zandgrond.’ Ze zijn allemaal vrij lang, en allemaal bezig met een plot. Meer dan de korte verhalen van Hemingway of Carver, lijkt Lee in de traditie van Munro en Proulx te staan: ze legt een narratieve lijn op gebeurtenissen die ver uit elkaar liggen en ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben.

Alle verhalen gaan over mensen die op zoek zijn naar de liefde, of ze zich nu in Saskatchewan, Canada of Hongkong afspelen. Veel vertellingen spelen zich af op universiteitscampussen, die typisch Amerikaanse wereld. De vertellers zijn academici, schrijvers of mensenrechtenadvocaten. Gedichten van Jane Kenyon en Stephen Spender worden geciteerd, literair agenten, professoren en architecten spelen belangrijke bijrollen in hun levens, en de inrichtingen van typische suburban huizen worden uitgebreid besproken. En niet alleen wat betreft decor, maar ook wat betreft thematiek – huwelijkse beslommeringen, de integriteit van professoren, het succes van andere schrijvers – en wereldbeeld: bijna alle vertellers zijn wat Richard Rorty liberal ironists zou noemen: mensen die inzien dat het verhaal dat ze zichzelf vertelden, veranderd is. In twee (!) van de zeven verhalen spelen universiteitscommissies (een moet bepalen of een hoogleraar zijn invloed op studenten verkeerd aanwendt, een andere of zijn gedrag ongewenst intiem is) een grote rol.

Medium hh 47680807

De verteller van het openings- en titelverhaal, Lynx, een jonge, pasgetrouwde vrouw met een baby van een paar maanden oud, beschrijft een etentje bij haar thuis. De ‘snelle terrine’ mislukt. De man van haar beste vriendin heeft een affaire en ze weet niet hoe ze dit moet vertellen. En aan tafel zit een vrouw met één arm, de schrijfster van een bestseller, waarin ze vertelt hoe op een berg in Nepal een lynx haar arm afbeet: ‘Wat ik het meest miste’, schrijft Lee, ‘toen ik daar lag in de wetenschap dat mijn arm vermoedelijk geamputeerd moest worden – als ik niet al ter plekke de geest zou geven – en afwisselend het bewustzijn verloor en weer bijkwam… wat ik het meest miste was dit: het ritueel van met elkaar aan tafel zitten, samen te avondmalen.’

Lee gebruikt dat laatste woord met opzet. Het stoort de verteller. Ze vindt het aanstellerig, pathetisch, geveinsd.

‘Het is een inherente behoefte van de mens’, zegt de vrouw. ‘Om samen met onze vrienden te eten.’

De verteller betwijfelt het verhaal van de vrouw dat ze door een lynx zou zijn aangevallen. Als je het over een lynx hebt, vraagt ze, bedoel je dat dan metaforisch of letterlijk.

‘Allebei’, zegt de vrouw.

Lee’s werk is wereldlijk en aards, een over­winning op de structuur van papier

Maar de meeste mensen zien een echte lynx voor zich, zegt de verteller.

‘Prima toch’, antwoordt de vrouw.

Literatuur is literatuur, valt haar agent, ook aanwezig, bij. En dient als literatuur te worden gelezen, je moet er niet doorheen gaan ‘alsof het een dagvaarding is’.

Op dat moment wordt er aangeklopt. De agente verwacht een manuscript van Salman Rushdie, de verteller een uitspraak van de rechtbank, maar het blijkt geen van beide: een vrouw in een lange jas staat voor de deur en vraagt naar de echtgenoot van de verteller.

En zo eindigt haar huwelijk en begint een nieuw gedeelte van haar leven.

Elk verhaal houdt zich bezig met de overgang van het ene verhaal naar het andere. Een karakter begint aan de universiteit, de ander is in verwachting, weer een ander wordt verliefd. En terwijl ze dit doet, verhoudt Lee hun verhalen tot een of ander concept in Amerika: huwelijk en overspel (hypocrisie), immigratie en ontwikkeling (onvergetelijk is de Roemeense vluchteling in Latland, en de Poolse professor in Aan de oever van de Wisla, die een studente betrapt op het overschrijven van een sovjetpropagandaboekje over taal), zonde en verlossing. Veel van deze onderwerpen komen in de loop van de bundel terug. De staat van het huwelijk wordt in het laatste verhaal – Huisje, boompje, beestje, over een miskraam en de opinievorming rondom Bill Clinton, waarbij de vrouwelijke personages zich afvragen of ze met hem naar bed zouden gaan (ja, echt) – nog net zo betwist als in het openingsverhaal.

Een ander opvallend iets: Lee heeft een oog voor licht, voor weer, voor de invloed ervan op de gemoedsrust van haar personages. Dit maakt haar werk heel wereldlijk en aards, een overwinning op de structuur van papier.

Het mooiste verhaal van de bundel is wellicht het laatste verhaal, Huisje, boompje, beestje. De vertelster is wederom bij een diner aanwezig, maar deze keer niet door haar gehost. Ze kijkt naar de televisie in de keuken die beelden van orkaan Katrina toont. In haar buik leeft – nog – een foetus met een hartslag van éénmaal per minuut. Ze ondergaat een langzame miskraam. Ze praat, terwijl ze naar de televisie in de keuken kijkt, tegen haar ongeboren kind: ‘Het is waar dat er grote draaiende constructies bestaan – een reuzenrad – die mensen hoog in de lucht boven de oceaan uit tillen, dat is waar, en een eindje verderop staan lachpaleizen, die zijn echt lachen geblazen, en dan heb je nog gewone speeltuinen op elke straathoek. (…) Maar dan word je volwassen en krijg je een geweldige man en dan doet hij het met een ander, of je krijgt iemand als Bryan, die je op je bruiloft dit belooft: “Ik zal jouw leraar zijn en jij zult mijn team zijn.”’

Proza zo intens en vitaal dat je huid ervan samentrekt. Een besef van het afsterven van onschuld, erkenning van het imperfecte en van de alomtegenwoordigheid van verdriet. Woorden niet alleen als de dragers van ideeën, maar als de gevoelens en gedachten zelf. Als kleine vormen, zwart op wit, die je raken.

De lof voor dit boek is dus niet gelogen: het boek is misschien niet nothing short of brilliant, daarvoor is het bereik net iets te beperkt, maar zeker just short of it. Alles bij elkaar genomen, stijl, constructie en visie, is Lynx een van de meest indrukwekkende verhalenbundels die ik de afgelopen jaren heb gelezen.