Opheffer

Avonturen

Het tegenstrijdige van ouder worden, is dat ik de zaken steeds beter begrijp, maar steeds minder zin heb om me ermee bezig te houden.

Medium opheffer mediafonds

Zo kwamen er drie jonge jongens bij me die een documentaire wilden maken, maar geen geld hadden. Ze wilden gebruik maken van het Mediafonds maar hadden berichten in de krant gelezen dat het fonds waarschijnlijk opgedoekt zou worden. Hun vraag was of ik, zo spoedig mogelijk – voor 2017 dus – hun voorstel goed onderbouwd wilde formuleren (ik ben immers schrijver!) om te kijken of ze toch nog iets van het fonds konden krijgen.

Natuurlijk wil ik dat.

Maar, waarschuwde ik, ik heb zelf regelmatig subsidie aangevraagd, en slechts in één geval – een filmpje van vier minuten (Titten, nog op internet te zien) gekregen – en net toen had ik het voorstel juist niet zelf geschreven.

Ik wantrouw die mensen die namens de overheid bij die fondsen zitten, ik vermoed dat die geheime politieke agenda’s hebben, dat er vriendjespolitiek wordt bedreven, dat ze corrupt zijn, en dat ze op mij de pik hebben, en me eigenlijk haten omdat ik een vriendje van Van Gogh ben, et cetera et cetera. Dat is natuurlijk mijn paranoia – het zijn uiteraard keurige, eerlijke lieden die daar vergaderen. Maar zat ik op die plek, dan zou ik in ieder geval mijn vriendjes bevoordelen. Ik vind mijn vrienden namelijk goede kunstenaars. Ik zou doen waarvan ik vermoed dat het mij wordt aangedaan. Sterker: ik verbaas me er altijd over dat ik nooit nieuwsberichten lees waarin gemeld wordt dat er personen zijn in een bepaald kunstfonds die volkomen corrupt zijn. Ik wéét trouwens dat die personen wel bestaan, in ieder geval bestaan hebben. Ik ken ze.

Ik vertelde dit de jongens, die somber begonnen te kijken.

Vervolgens verhaalde opa zijn avonturen met de omroepen. Dat was een geschiedenis van rampen. Ik ben nog uit de tijd dat ik in de stad iemand tegenkwam die zei: ‘Theo van Gogh en jij staan bij ons op de zwarte lijst.’ Ik begreep dat wel: ik geloof dat Theo de toenmalige VPRO-directeur in z’n gezicht gespogen had, een daad waar ik toen achter stond, want die man had iets geweigerd wat wij wilden maken.

‘Jongens’, besloot ik, ‘hebben jullie al een omroep, anders kun je het helemaal schudden.’

Nee, ze hadden nog geen omroep. Toen vroegen ze wat ik er eigenlijk van vond dat het Mediafonds ging verdwijnen.

Tja, dat vond ik natuurlijk erg. Laat de mensen een tientje meer belasting betalen (nog niet eens het kaartje van één film), dan is er een film- en documentairefonds van 120 miljoen, want wij hebben twaalf miljoen belastingbetalers. Even voor de goede orde. In het Mediafonds zit zestien miljoen! En die 120 miljoen – zoveel betalen wij, belastingbetalers, ook aan ons koningshuis. Laat het voetbal aan de commerciëlen, en wij hebben dat fonds terug. Bezuinig zestien miljoen meer op ontwikkelingshulp en dat fonds is ook weer beschikbaar. Schaf het koningshuis af, ruil de subsidie op windmolens in voor het Mediafonds, haal in plaats van driehonderd miljoen 316 miljoen weg bij de publieke omroep. Ik kan het wel bedenken. (Hoewel, bij dat laatste voorstel ben ik ook mijn baan kwijt.)

Maar als ik dit zeg, schijn ik ‘naïef’ te zijn.

Ik droom wel eens van een belastingpapier waarop staat: u moet vijftienduizend euro belasting betalen. Geef hieronder aan waaraan u dat wilt uitgeven. En vervolgens staan er een paar rijen met zaken waaruit ik moet kiezen. Ik zou tienduizend aan onderwijs geven, denk ik. Wat ik aan kunst zou geven, weet ik nog niet. Ik vind dat de overheid zich daar niet mee moet bemoeien.

Afijn, zo zaten de jongeren en ik te praten.

Goedgemutst verlieten zij mijn huis – op zoek naar iemand aan wie ze wel iets hadden.