Christopher Paul Curtis en David Almond

Avontuur en een natte zakdoek

Christopher Paul Curtis, Mijn naam is Bud. Vertaald door Ivo van Strijtem, Uitg. Lannoo, 192 blz., ƒ28,55

David Almond, Het zwarte slik. Vertaald door Annelies Jorna, Uitg. Querido, 166 blz., ƒ29,95

Alleen-op-de-wereld-kinderen vormen een rijke inspiratiebron voor de jeugdboekenschrijver. Ze zijn goed voor een stevige dosis zieligheid, maar ook voor onwaarschijnlijke flinkheid, ondernemingslust en vrijheidszin. Ze zijn handig om duidelijk te maken hoe belangrijk voor een mens de mogelijkheid tot hechting is en ze bieden de gelegenheid voor tranentrekkende herenigingen met verloren gewaande familie. Hector Malot schreef het prototype, maar ook Mark Twain wist er weg mee en in onze tijd Cynthia Voigt.

Twee nieuwe titels bewijzen dat het genre nog altijd goed is voor avontuur, romantiek en een natte zakdoek. Mijn naam is Bud van Christopher Paul Curtis speelt in het Amerika van de jaren dertig. De tienjarige verteller Bud is in een tehuis beland toen zijn moeder overleed. Wanneer hij in een tijdelijk pleeggezin wordt vernederd, neemt hij de benen, op zoek naar zijn ongekende en doodgezwegen vader. De koffer met relikwieën uit gelukkiger tijden herbergt een aantal oude flyers met aangekondigde optredens van Herman Calloway and the Dusky Devastators of the Depression. Bud heeft zich in het hoofd gezet dat deze Herman zijn vader moet zijn en gaat op zoek. En met het wonderbaarlijke geluk dat alleen in kinderboeken kan bestaan ontdekt hij een nieuwe familie en zijn eigen muzikale talenten.

De zoektocht is avontuurlijk en geeft een goede, op de ervaringen van Curtis’ eigen familie gebaseerde indruk van de crisistijd, met zijn zwervers, daklozen en hongerigen en de actie voor clandestiene vakbonden. Dat Bud evenals de schrijver zwart is, vormt een bijna vanzelfsprekend gegeven dat alleen extra aandacht krijgt waar Herman Calloway en zijn jazzband in beeld komen. Veel schrijversenergie is geïnvesteerd in het verhelderen van de drijfveren en overwegingen van de aandoenlijke hoofdpersoon. Een belangrijke is bijvoorbeeld dat iemand zonder familie is «als stof tijdens een storm». Uit zijn al rijke levenservaring destilleert Bud een groeiend aantal «Regels en Zo voor een Prettiger Leven en om van Jezelf een Betere leugenaar te Maken». Nummer 83 luidt: «Als Een Volwassene Je Zegt Dat Je Je Geen Zorgen Moet Maken, En Je Maakt Je Helemaal Geen Zorgen, Begin Er Dan Snel Mee, Want Je Bent Al Achter.»

Curtis’ boek ontving de Newberry Medal, Amerika’s meest eerbiedwaardige jeugdliteraire onderscheiding. Het verhaal is mooi luchtig opgeschreven en uiterst wensvervullend, maar voor zo'n prijs koerst het mij te rechtlijnig op het happy end af en zijn de integere bedoelingen van de auteur te zichtbaar. Verder wordt de Nederlandse lezer gehinderd door een luie vertaling: «Tenzij je matrimoniale plannen hebt wat betreft juffrouw Hill.»

Ook Het zwarte slik van David Almond begint in een kindertehuis. Drie van de inwoners vluchten op een primitief vlot de rivier af. Ze komen niet verder dan een verlaten negentiende-eeuws fabrieksterrein vlak buiten de stad. Daar treffen ze het elfachtige meisje Sterre. Ze praat onbeholpen en kan niet lezen, ze kent het begrip ouders niet en heeft geen besef van tijd. Haar metgezel in de vervallen drukkerij is Opi, een dementerende angstaanjagende man, die dagelijks opgravingen doet in het slik en al zijn vondsten met dwangmatige precisie registreert. Hun voedsel bestaat uit enorme voorraden crackers, worstjes en wit uitgeslagen bonbons. Ongewild drijft Sterre een wig tussen de twee oudste weglopers. De jongen is beducht voor het gevaar van de gestoorde Opi. Erin, die het verhaal vertelt, ontwikkelt een heftige meisjesvriendschap met het mysterieuze rivierkind. Door met Sterre te zoeken naar haar afkomst en geschiedenis ontstaan er scheuren in de symbiotische relatie met de oude Opi en keren er uiteindelijk vier in plaats van drie kinderen terug naar het tehuis.

Het zwarte slik is een spannend en betekenisvol verhaal, met mooi geportretteerde figuren en schitterende beschrijvingen van de bizarre spookstad, die Sterre en Opi als de hunne beschouwen. De intrigerende geschiedenis speelt zich af in het spanningsveld tussen vrijheidsdrang en de behoefte aan geborgenheid. Zwaar weegt ook het belang van tradities en familiebanden, een thema dat al opdook in Almonds eerdere jeugdboeken. Hier krijgt het extra reliëf door de kritische beschrijving van de zweverige aanpak in het tehuis. Tot nu toe schreef Almond geen enkel «normaal», realistisch verhaal. In De schaduw van Skellig (1999) is sprake van een zwerver die best een engel zou kunnen zijn, in De wildernis (2000) vinden er ondergrondse rituelen plaats waarvan het realiteitsgehalte twijfel achtig is. Dat ingenieuze spel met werkelijkheid en verbeelding levert precies de heel eigen kleur van Almonds werk op. In zijn laatste boek werkt het wat mij betreft niet helemaal, omdat het merkwaardige duo zo veel onwaarschijnlijke kanten heeft, dat de verhaalwerkelijkheid en de realiteit onmogelijk kunnen samenvallen.