‘básta krieg’

De laatste keer dat ik ‘Deda’ Danilovic zag, schoten zijn ogen vuur. Een trotse man, 75 jaar oud, zo krom als een hoepel maar zijn hoofd altijd geheven. Van onder zijn wilde bos spierwit haar kwam een veeltalig gekraak. Dat ik hem soms niet goed kon verstaan, lag eerder aan zijn kapotte stem dan aan zijn mengelmoes van Duits, Italiaans en Servisch met een zwaar Montenegrijns accent. Deda sprak ook nog vloeiend Albanees, dat hield hij lang voor me verborgen.

Deda Danilovic was Montenegrijn: het trotste der Balkanvolkeren. En niet zomaar een Montenegrijn, maar een telg van de Djurdjevci-stam: de krijgslustigste aller Montenegrijnse stammen. Deda bouwde in Montenegro eigenhandig een groot huis op een heuvel met een sprookjesachtig zicht op de Adriatische zee. Daar woonde hij alleen ’s zomers. Dan sliep hij op het platte dak, onder de sterrenhemel, net als tijdens de oorlog. ’s Nachts zat zijn huis vol Duitse toeristen. Van hen leerde hij Duits. ’s Winters woonde Deda in Pristina, Kosovo. Daar was hij, net als alle huidige Djurdjevci, geboren en getogen. Hoe dat zo is gekomen, de trotste aller Montenegrijnse stammen residerend op Servisch grondgebied, is een lang verhaal. Het begon twee generaties vóór Deda, toen de Djurdjevci nog in Montenegro woonden. Een lid van een andere stam doodde de hond van Deda’s overgrootvader. Een hond is voor een Montenegrijn als een zoon. En het doden van een zoon betekent in het land van de Zwarte Heuvels bloedwraak. Eeuwige bloedwraak. Toen beide stammen elkaar bijna hadden uitgemoord, greep koning Danilo in. Hij zond de Djurdjevci naar het grensgebied van Montenegro: ‘Djurdjevci, verdedig de grenzen van mijn rijk!’ staat gegraveerd in een antiek pistool dat hij de stam schonk. In de loop der tijd zijn de grenzen verschoven. Junik, de nieuwe woonplaats van Deda’s overgrootvader, lag opeens in Kosovo, waar nu de guerrilla woedt, met slachtingen en al. Hoe vaak ik ook de huidige oorlog ter sprake bracht, altijd wuifde Deda hem weg. 'Peanuts’ zou hij hebben gezegd als hij ook nog het Engels had beheerst. Deda had namelijk de Grote Oorlog meegemaakt. In 1942 sloot hij zich aan bij de partizanen van Tito. Met zijn divisie trok hij dwars door Albanië om Italiaanse troepen en het leger van de Italiaanse vazalstaat Groot-Albanië in de rug aan te vallen. Om te kunnen overleven in vijandig gebied moest hij wel Italiaans en Albanees leren. ’s Nachts sliep hij onder de sterrenhemel. Toen ik hem weer eens vroeg naar de huidige oorlog, zei hij: 'Ik heb wel veertig Albanezen gedood. Básta Krieg.’ Alsof hij zeggen wilde dat het maar eens over moest zijn met dat zinloze gemoord. De echte oorlog was immers al gestreden. Natuurlijk had ik beter moeten weten. Deda was een Djurdjevci. De laatste keer dat ik Deda zag, in Pristina, schoten zijn ogen vuur. Hij toonde me zijn oorlogsmedailles: van Tito persoonlijk gekregen. Milosevic was voor Deda net als Tito: eigenlijk ook communist. En aan Tito had Deda trouw gezworen tot in de dood. Hij waggelde naar zijn vervallen kastje en kwam terug met zijn pistool. Een Browing 5.5 mm uit 1942. Geladen. Ik vond zijn krijgslust maar vreemd. Holbrooke had net zijn verdrag afgedwongen. OVSE-waarnemers bevolkten de stad. Het was voor het eerst sinds maanden rustig in Kosovo. Afgelopen zaterdagochtend overleed Deda Danilovic in zijn slaap. Een paar uur later gingen de beelden van het bloedbad bij Racak de wereld over. Deda had het goed aangevoeld: de tijd om te vechten was weer aangebroken. Alleen een nieuwe grote oorlog kon hij niet meer aan.