Economie

B-boom-bash  

De indeling in generaties is zelden neutraal. Over de jongere generaties wordt afwisselend zeer positief of zeer negatief geoordeeld: Einstein of Peter Pan? Over de oudere generaties is het oordeel eenduidiger, en zelden positief. Met name de generatie na de oorlog moet het ontgelden, zozeer dat het woord ‘babyboombashing’ bestaat.

Het is niet moeilijk de tegenstelling tussen jong en oud te zien. Het zijn de babyboomers die van een vaste baan verzekerd zijn, die hooguit tot hun 65ste moeten werken en tegelijkertijd de pensioenfondsen bekaaid achterlaten, en die dure, zwaar gesubsidieerde huizen bezitten. De lusten van de babyboomers zijn de lasten voor de jongere generaties die alleen een tijdelijk contract kunnen krijgen, tot hun 68ste of langer moeten werken en toch verplicht premie aan een ondergekapitaliseerd pensioenfonds moeten afdragen, en zich tot over de oren in de schulden moeten steken om een huis te kopen. Het is niet moeilijk de grote ongelijkheden door de overleefde instituties rondom arbeid, pensioen en wonen te zien, zonder overigens de tegenstelling tussen jong en oud centraal te stellen. Die tegenstelling is ook te overdrijven.

Zijn babyboomers profiteurs? Wees niet te snel met een antwoord. De vergelijking tussen generaties is te verbreden. Zo is er een flink verschil in reëel inkomen. Een 25-jarige in 2012 kan zeker een 1,5 keer zo hoog reëel inkomen verwachten als een 25-jarige in 1972. Dit verschil is toe te schrijven aan investeringen in Nederland waarin de huidige 25-jarige part noch deel heeft gehad. Verder is er een flink verschil in het profijt van de verzorgingsstaat. Een studie van het Centraal Planbureau wijst erop dat de babyboomers minder dan andere generaties profijt hebben gehad van Slochteren. Slochteren werd pas in 1959 ontdekt en het duurde nog vele jaren voordat de baten aan Nederlanders ten goede kwamen. Een deel van die aardgasbaten sijpelde via overheidsbestedingen door. In de jaren vijftig en zestig waren overheidsbestedingen slechts zo’n dertig procent van het nationaal inkomen, terwijl ze sinds de jaren zeventig schommelden rond de vijftig procent. Dat maakt veel verschil voor de prestaties in de zorg, de kwaliteit van de publieke ruimte of de deelname aan het hoger onderwijs. Zo is voor de naoorlogse generatie een universitaire studie verre van vanzelfsprekend geweest, terwijl de latere generaties volop toegang hebben gekregen. Kortom, een vergelijking tussen generaties is hachelijk maar zal niet op voorhand als conclusie hebben dat de babyboomers dé profiteurs zijn. Misschien heeft de generatie na de babyboomers, Nix of X, wel het meeste profijt van aardgasbaten en overheidsbestedingen gehad. Zo ging ik er met de invoering van de basisbeurs in 1986 flink op vooruit.

De tegenstelling tussen jong en oud laat vooral zien dat het publieke vertrouwen in sommige collectieve instituties laag is. Zonder dat vertrouwen ontstaat de vraag wie er voordeel heeft en wie niet, en ontstaat de angst om ‘gekke henkie’ te zijn die wel geeft maar niet ontvangt. Een enquête door De Nederlandsche Bank biedt een aardig voorbeeld: gevraagd naar de penibele situatie bij pensioenfondsen denkt het merendeel van de jongeren dat zij voor de rekening opdraaien en denkt daarentegen het merendeel van de ouderen dat zij de rekening betalen.

G500, het politieke initiatief van Sywert van der Linden, kapitaliseert op het (wederzijds) wantrouwen en portretteert de jongeren als slachtoffers van de ouderen die te veel macht hebben en ongegeneerd de rekening doorschuiven. Er is een tienpuntenplan dat de middenpartijen vvd, cda en pvda onder druk van de jongeren zouden moeten omarmen. Maar dat plan is ondoordacht en hoeft daarom niet op een warm onthaal te rekenen. Deel van het plan is om de uitgaven te verhogen: meer aan onderwijs en meer aan investeringen in private bedrijven uit publieke aardgasbaten. Tezamen is dat goed voor 4,5 procent van het nationaal inkomen. Deel van het plan is ook om de schuld in tien jaar tijd af te betalen. Het is onduidelijk of deze eis geldt voor de hele schuld of voor de schuld boven de Europese norm van zestig procent. In het laatste geval moet het tekort van 4,5 procent omslaan naar een overschot van zo’n 1,5 procent. Kortom, volgens het plan zou de overheid voor zo’n tien procent van het nationaal inkomen en dus voor zo’n zestig miljard moeten bezuinigen (deels om meer uit te geven). De vvd en het cda hebben al moeite met maar een deel daarvan, zodat het plan op geen van de partijcongressen op een warm onthaal hoeft te rekenen.

Dat het plan van g500 aandacht vraagt voor de problemen door overleefde instituties is meer dan terecht. Maar oplossingen als eigen bijdragen in de zorg en individuele pensioenen zijn niet een inspirerende vernieuwing van collectieve instituties en lijken vooral ingegeven door het aloude principe van eigen belang eerst en het idee van de BV Ik. Dat is nou net wat de jongeren de babyboomers verwijten. Zo veel verschillen de oude en de nieuwe generaties blijkbaar niet.