B-proof

In het Sociaal Akkoord is afgesproken dat de invloed van de werkgevers- en werknemersorganisaties weer groter mag worden, bijvoorbeeld op de WW. Dat kan de samenleving duur komen te staan.

Ineens viel de naam van de pvda’er Flip Buurmeijer weer. Of eigenlijk vooral zijn achternaam. Als de werkgevers en werknemers, zoals afgesproken in het recent gesloten Sociaal Akkoord, in de toekomst weer meer verantwoordelijkheid gaan dragen voor sociale verzekeringen zoals de werkloosheidsuitkering, moet dat wel Buur­meijer_-proof_ zijn. Die term dook vorige week op tijdens het debat in de Tweede Kamer over het door het kabinet gesloten Sociaal Akkoord.

Al bijna twintig jaar is de inmiddels 73-jarige Buurmeijer geen lid meer van de Tweede Kamer. Maar omdat hij de voorzitter was van de parlementaire enquête die in september 1993 concludeerde dat de arbeidsongeschiktheids­regeling, de wao, te veel was gebruikt als langdurige werkloosheidsuitkering kon het vallen van zijn naam niet uitblijven. Coalitiepartijen vvd en pvda zijn de lessen van Buurmeijer toch hopelijk niet verleerd, het huidige kabinet gaat de klok toch niet terugdraaien, waren kort samengevat de reacties toen bleek dat werkgevers en werknemers per cao gaan overleggen of er in de toekomst een derde jaar WW komt. Eigenlijk moet je zeggen: of er een derde jaar WW blijft. Want het kabinet gaat de wettelijke duur van de werkloosheidsuitkering afbouwen naar twee jaar.

‘Nederland is ziek’, vatte minister-president Ruud Lubbers in 1990 kort en bondig samen wat de aanleiding was voor de parlementaire enquête waar Buurmeijers naam aan verbonden is. Toen Lubbers dat zei dreigde het aantal arbeidsongeschikten in Nederland de miljoen te gaan halen. Waren de Nederlandse werknemers zo ziek, gebrekkig en gehandicapt? Nee. Het systeem was ziek. Dat was wat Lubbers bedoelde. Door onvoldoende onafhankelijk toezicht hadden de werkgevers en werknemers tijdens de crisis van de jaren tachtig de wao-uitkering gebruikt voor werknemers die hun baan kwijtraakten. Waren deze werknemers in de WW beland, dan was dat voor hen minder gunstig geweest. Dit oneigenlijk gebruik van de wao betaalden we met z’n allen en werd maar duurder en duurder. De gunstige wao-uitkering stimuleerde de betrokkenen bovendien niet om aan het werk te gaan. De jongere generatie vindt dit mogelijk ongelooflijk: niet ziek zijn, niet hoeven solliciteren en tot je 65ste een niet onaardige uitkering ontvangen. Dat veranderingen om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan vervolgens pas in 1995 ingingen is in de ogen van jongeren waarschijnlijk ook niet erg snel.

Wat was de les van Buurmeijer? Dat de ­sociale verzekeringen niet aan de sociale partners moeten worden overgelaten, want dat kan de samenleving duur komen te staan. Nu in het Sociaal Akkoord is afgesproken dat de invloed van de werkgevers- en werknemersorganisaties weer groter mag worden, is er dan ook de angst dat het in de toekomst weer fout gaat.

Maar waarom wil dit kabinet de sociale partners weer zeggenschap geven? Het makkelijke antwoord is: het is het smeermiddel dat werkgevers en werknemers, en dan vooral de laatsten, moet overhalen in te stemmen met majeure ingrepen, zoals een kortere wettelijke duur van de WW en een versoepeling van het ontslagrecht. Het antwoord is echter ingewikkelder. Het kabinet heeft de sociale partners daarnaast nodig om werknemers die hun baan dreigen te verliezen van werk naar werk te helpen begeleiden. pvda-minister Lodewijk Asscher zei vorige week tijdens het Kamerdebat dat de sociale partners dat beter kunnen dan de overheid, want zij kennen de werknemers om wie het gaat en zij kunnen de arbeidsmarkt ook beter overzien.

Om kritiek te pareren benoemde Asscher alvast maatregelen om de invloed van de socia­le partners Buurmeijer-proof te maken. Zo moet een werkloze in de nabije toekomst al na zes maanden werk accepteren dat niet bij zijn opleiding of achtergrond past. Daarnaast wordt van de werkloosheidsuitkering geleidelijk een transitie-uitkering gemaakt, een uitkering die de betrokkene moet gebruiken om zich te scholen voor ander soort werk.

Interessant zal zijn of de sociale partners ook daadwerkelijk afspraken gaan maken voor een derde jaar WW-uitkering. De loonkosten voor de werkgever mogen er niet door stijgen, want dat is voor menig bedrijf in slechte tijden niet te betalen en bovendien niet goed voor de concurrentiepositie van Nederland als geheel. Dus zullen de werknemers die een derde jaar willen dat uit eigen portemonnee moeten betalen.

Vorige week steeg het aantal werklozen tot recordhoogte. In de bouw gaat het slecht, in de journalistiek liggen de banen niet voor het oprapen, om maar twee voorbeelden te noemen. Zouden de werknemers in deze sectoren als ze daarover mee mogen beslissen daadwerkelijk kiezen voor een derde jaar WW? Iets verdedigen, zoals tot nu toe het geval was bij de discussie over de WW-duur, is anders dan een luxere versie tegen extra betaling in het leven roepen.

Durven ouderen dat te vragen van jongeren? Of gaan zij dat voor zichzelf regelen, omdat jongeren toch geen lid zijn van de vakbeweging? Dat roept de vraag op of de vakbeweging de terugkeer van invloed op de sociale zekerheid ziet als een manier om bij jongeren te propageren dat lid worden zin heeft, omdat ze dan – inderdaad – invloed kunnen hebben.

Zal dat derde jaar er komen? De kans daarop is niet groot. Als de werkloosheid hoog is, zoals nu, is het duur. Bij een lage werkloosheid wordt daarentegen de noodzaak niet gevoeld en moet er toch premie betaald. Dat een werkloze sneller niet-passende arbeid moet aanvaarden, doet vervolgens de vraag rijzen: waarom dan voor een derde jaar betalen? Ook dan is het weg­gegooid geld.

Maar er zit ook een weeffout in het plan. Als een derde jaar WW per sector in de arbeidsmarkt wordt afgesproken, bemoeilijkt dat de animo bij een werknemer om over te stappen op werk in een sector zonder derde jaar. Dat werkt verstarrend. Daarmee is dit voornemen niet B-proof.