Kort verhaal van Don DeLillo

Baader-Meinhof

Ze wist dat er nog iemand in het vertrek was. Er was geen duidelijk geluid, slechts een vermoeden achter haar, een lichte luchtverplaatsing. Ze zat al een tijdje alleen op een bankje in het midden van de zaal met de schilderijen om haar heen, een cyclus van vijftien doeken, en zo voelde het: dat ze zat zoals je in een rouwkamer zit, wakend bij het lichaam van een vriend of familielid.

Dat werd weleens het rouwbezoek genoemd, geloofde ze.

Ze keek nu naar Ulrike, hoofd en bovenlichaam, snee van het touw rond haar hals, al wist ze niet zeker waarvan de strop was gemaakt.

Ze hoorde de andere persoon naar het bankje lopen, de zware schuifelgang van een man, en ze stond op en ging voor het schilderij van Ulrike staan, een van een drietal afbeeldingen van de dode Ulrike, liggend op de vloer van haar cel, hoofd van opzij gezien. De doeken varieerden in grootte. De realiteit van de vrouw, het hoofd, de hals, de touwsnee, het haar, de gelaatstrekken, waren van schilderij tot schilderij in schakeringen van duister en versluiering weergegeven, een detail hier duidelijker dan daar, de vlekkerige mond op één schilderij die elders bijna natuurlijk leek, alles onsystematisch.

«Waarom zou hij het zo gedaan hebben?»

Ze draaide zich niet naar hem om.

«Zo schimmig. Geen kleur.»

Ze zei: «Ik weet het niet», en liep naar het volgende stel afbeeldingen, getiteld Doodgeschoten man. Dit was Andreas Baader. Ze dacht bij hem aan zijn hele naam of zijn achternaam. Bij Meinhof dacht ze, Meinhof zag ze alleen als voornaam, Ulrike, en dat was ook zo bij Gudrun.

«Wat is er ook alweer met ze gebeurd?»

«Ze hebben zelfmoord gepleegd. Of de staat heeft ze vermoord.»

Hij zei: «De staat.» Toen zei hij het nog eens, met zware stem, op melodramatisch dreigende toon, een poging tot een voordracht die misschien toepasselijker was.

Ze wilde hem hinderlijk vinden, maar voelde eerder een vage ergernis. Het was niets voor haar om deze term — «de staat» — in de gepantserde context van opperste publieke macht te gebruiken. Zo praatte zij niet.

De twee schilderijen van de dode Baader in zijn cel waren even groot, maar benaderden het onderwerp enigszins verschillend, en wat ze nu deed was dit: ze concentreerde zich op de verschillen, arm, overhemd, onbekend voorwerp aan de rand van het beeld, de ongelijkheid of onzekerheid.

«Ik weet niet wat er gebeurd is», zei ze. «Ik zeg alleen wat men gelooft. Het is vijfentwintig jaar geleden. Ik weet niet hoe het toen was in Duitsland, met bomaanslagen en ontvoeringen.»

«Zouden ze het niet hebben afgesproken?»

«Sommige mensen geloven dat ze in hun cel zijn vermoord.»

«Een pact. Het waren toch terroristen? Als die geen andere mensen doodmaken, maken ze zichzelf dood», zei hij.

Ze keek naar Andreas Baader, eerst naar het ene schilderij, toen het andere, toen weer terug.

«Ik weet het niet. Misschien is dat in zekere zin nog wel erger. Het is zoveel triester. Er spreekt zoveel triestheid uit deze schilderijen.»

«Er is er een die glimlacht», zei hij.

Dat was Gudrun, op Confrontatie 2.

«Ik weet niet of dat een glimlach is. Het zou kunnen.»

«Dat is het duidelijkste beeld in de zaal. Misschien wel het hele museum. Dat is een glimlach.»

Ze draaide zich om naar Gudrun aan de overkant van de zaal en zag de man op het bankje, half naar haar toe gekeerd, gekleed in pak met losgeknoopte stropdas, vroeg kalend. Ze zag hem maar heel even. Hij keek naar haar, maar zij keek langs hem heen naar de gestalte van Gudrun die in gevangeniskiel voor een muur stond en glimlachte, waarschijnlijk wel, ja, op het middelste doek. Drie schilderijen van Gudrun, misschien glimlachend, glimlachend, en vermoedelijk niet glimlachend.

«Je moet geleerd hebben om naar deze schilderijen te kijken. Ik kan de mensen niet uit elkaar houden.»

«Dat kun je wel. Gewoon kijken. Je moet kijken.»

Ze hoorde iets van een berisping in haar stem. Ze liep naar de verste muur om naar een schilderij van een van de cellen te kijken, met een hoge boekenkast die bijna het halve doek besloeg en een donkere vorm, als een schim, mogelijk een jas op een hanger.

«Jij hebt de kunstacademie gedaan. Of je geeft er les in», zei hij. «Ik breng hier eerlijk gezegd alleen de tijd door. Dat is wat ik tussen twee sollicitatiegesprekken doe.»

Ze wilde niet zeggen dat ze hier al drie dagen achter elkaar was. Ze liep naar de aangrenzende muur, iets dichter bij waar hij op het bankje zat. Toen zei ze het toch.

«Dure aangelegenheid», zei hij. «Of je moet lid zijn.»

«Ik ben geen lid.»

«Dan geef je les, beeldende vorming.»

«Ik geef geen beeldende vorming.»

«Je wil dat ik m’n kop hou. Hou je kop, Bob. Alleen heet ik geen Bob.»

Op het schilderij van de doodkisten die door een grote menigte heen werden gedragen, wist ze eerst niet dat het doodkisten waren. Het duurde een lang moment voor ze de menigte zelf zag. Daar was de menigte, grotendeels een grauwe vlek met rechts van het midden op de voorgrond een paar figuren te onderscheiden als personen die met hun rug naar de kijker stonden en dan had je niet ver van de bovenkant van het doek een onderbreking, een lichte strook grond of rijweg, en dan weer een massa mensen of bomen, en het duurde even voor ze begreep dat de drie wittige voorwerpen rond het midden van de afbeelding doodkisten waren die door de menigte heen werden gedragen of gewoon op lijk baren lagen.

Hier waren de lichamen van Andreas Baader, Gudrun Ensslin en een man wiens naam ze zich niet kon herinneren. Hij was in zijn cel doodgeschoten. Baader was ook dood geschoten. Gudrun was opgehangen.

Ze wist dat dit ongeveer anderhalf jaar na Ulrike was gebeurd, Ulrikes dood in mei, wist ze, 1976.

Er kwamen twee mannen de zaal in, gevolgd door een vrouw met een wandelstok. Ze gingen alle drie voor de verklarende tekst staan om die te lezen.

Het schilderij met de doodkisten had nog iets wat niet makkelijk te vinden was. Zij had het de tweede dag pas gevonden, gisteren, en toen ze het eenmaal had gevonden was het treffend, en nu onontkoombaar — een voorwerp boven aan het schilderij, iets links van het midden, een boom misschien, in de ruwe vorm van een kruis.

Ze ging dichter bij het schilderij staan en hoorde de vrouw met de stok naar de tegenoverliggende muur lopen.

Ze wist dat de schilderijen op foto’s gebaseerd waren, maar die had ze niet gezien, en ze wist niet of er een kale boom, een dode boom achter het kerkhof, op een van de foto’s stond, die bestond uit een spichtige stam met nog één tak, of twee takken die bijna boven aan de stam een dwarsstuk vormden.

Hij stond naast haar nu, die man met wie ze had gesproken.

«Zeg eens wat jij ziet. Eerlijk, ik wil het weten.»

Er kwam een groep binnen, onder aanvoering van een gids, en ze draaide zich even om en keek hoe ze zich bij het eerste schilderij van de cyclus verzamelden, het portret van Ulrike als veel jongere vrouw, meisje eigenlijk, afstandelijk en weemoedig, haar hand en gezicht half zwevend in het sombere donker om haar heen.

«Ik besef dat ik de eerste dag amper heb gekeken. Ik dacht dat ik keek, maar ik kreeg nauwelijks een idee van wat er op deze schilderijen staat. Ik begin nu pas te kijken.»

Ze stonden te kijken, samen, naar de kisten en bomen en mensen. De gids begon tegen haar groep te praten.

«En wat voel je als je kijkt?» zei hij.

«Ik weet niet. Het is complex.»

«Want ik voel niets.»

«Ik geloof dat ik me hulpeloos voel. Deze schilderijen laten me voelen hoe hulpeloos een mens kan zijn.»

«Ben je hier daarom drie dagen achter elkaar? Om je hulpeloos te voelen?» zei hij.

«Ik ben hier omdat ik van deze schilderijen hou. Steeds meer. Eerst was ik verward, en dat ben ik nog steeds wel een beetje. Maar ik weet nu dat ik van de schilderijen hou.»

Het was een kruis. Ze zag het als een kruis en dat gaf haar het gevoel, al dan niet terecht, dat er een element van vergeving in het schilderij zat, dat de twee mannen en de vrouw, terroristen, en Ulrike vóór hen, niet buiten het bereik van de vergeving waren.

Maar ze wees de man die naast haar stond niet op het kruis. Dat was niet wat ze wilde, een discussie daarover. Ze dacht niet dat ze zich een kruis verbeeldde, een kruis zag in een paar losse penseelstreken, maar ze wilde niet dat iemand er fundamentele twijfels over uitte.

Ze gingen naar een snackbar en namen plaats op krukken aan een smal tafelblad dat langs het hele raam liep. Ze keek naar de mensen op Seventh Avenue, de halve wereld die zich voortspoedde, en proefde amper wat ze at.

«Ik miste de klapper van de eerste dag», zei hij, «als het aandeel zeg maar fabelachtig stijgt, vierhonderd procent binnen een paar uur. Toen ik aankwam, was het al de secundaire markt, die slap bleek te zijn, en nog slapper werd.»

Toen alle krukken bezet waren, aten mensen staand. Ze wilde naar huis om haar antwoordapparaat af te luisteren.

«Nu maak ik afspraken. Ik scheer me, ik glimlach. Mijn leven is een hel», zei hij emotieloos, kauwend.

Hij nam ruimte in beslag, een lange, brede man met een losheid over zich, iets achteloos en sloffends. Er reikte iemand voor haar langs om een servetje uit de houder te graaien. Ze had geen idee waarom ze hier met deze man zat te praten.

Hij zei: «Geen kleur. Geen betekenis.»

«Wat ze deden, had wel betekenis. Het was verkeerd, maar het was niet blind en leeg. Ik denk dat de schilder daarnaar zoekt. En hoe eindigde het op die manier? Ik denk dat hij die vraag stelt. Iedereen dood.»

«Hoe kon het anders eindigen? Eerlijk zeggen», zei hij. «Je geeft beeldende vorming aan gehandicapte kinderen.»

Ze wist niet of dit interessant of wreed was, maar zag zichzelf in het raam met tegenzin glimlachen.

«Ik geef geen beeldende vorming.»

«Dit is een snelle hap die ik langzaam probeer te eten. Ik heb pas om half vier een afspraak. Eet langzaam. En vertel waarin je dan lesgeeft.»

«Ik geef geen les.»

Ze zei niet dat ze ook werkloos was. Ze was het zat geworden om haar werk, een administratieve baan bij een educatieve uitgeverij, te beschrijven, dus waarom zou ze de moeite nemen, dacht ze, nu de baan en het bedrijf niet meer bestonden.

«Het probleem is dat ik van nature geen trage eter ben. Ik moet mezelf eraan herinneren. Maar dan nog kan ik de aanpassing niet maken.»

Maar dat was de reden niet. Ze wilde niet zeggen dat ze werkloos was omdat ze dan een situatie gemeen zouden hebben. Dat wilde ze niet, een inflexie van wederzijds meeleven, een kameraadschap. Laat de toon maar hapsnap blijven.

Ze dronk haar appelsap en keek naar de vele langslopende mensen, naar gezichten die ongeveer een halve tel volledig kenbaar leken, dan voor altijd vergeten werden in nog veel minder tijd.

Hij zei: «We hadden naar een echt restaurant moeten gaan. Het is hier lastig praten. Je bent niet op je gemak.»

«Nee, dit is prima. Ik heb een beetje haast.»

Hij leek dit in overweging te nemen en toen te verwerpen, niet ontmoedigd. Ze dacht erover naar het toilet te gaan en dacht toen, nee. Ze dacht aan het overhemd van de dode man, het overhemd van Andreas Baader, vuiler of bloediger op het ene schilderij dan het andere.

«En jij hebt om drie uur een afspraak», zei ze.

«Half vier. Maar dat is nog ver weg. Dat is een andere wereld, waar ik mijn das recht trek en naar binnen loop en zeg wie ik ben.» Hij zweeg even, keek haar toen aan. «Je moet zeggen: wie ben je?»

Ze zag zichzelf glimlachen. Maar ze zei niets. Ze dacht dat Ulrikes touwsnee misschien geen snee was maar het touw zelf, als het tenminste een touw was en geen snoer of riem of iets anders.

Hij zei: «Dat is jouw tekst. ‹Wie ben je?› Ik bereid het prachtig voor en dan zeg jij niks.»

Ze waren uitgegeten, maar hun papieren bekertjes waren nog niet leeg. Ze praatten over huren en contracten, wijken in de stad. Ze wilde niet zeggen waar ze woonde. Ze woonde maar drie straten verder, in een gebouw van flets geworden baksteen, met beperkingen en gebreken die ze als het stramien van haar leven was gaan beschouwen, te onderscheiden van de klachten van een gewone dag.

Toen zei ze het toch. Ze hadden het over plekken om te joggen en fietsen, en hij zei waar hij woonde en welke route hij rende, en zij zei dat haar fiets beneden uit de berging was gestolen, en toen hij vroeg waar ze woonde vertelde ze het, min of meer nonchalant, en hij dronk zijn lemon light en keek uit het raam, of misschien wel erin, naar hun vage spiegelbeelden, gepaard in de ruit.

Toen ze de wc uitkwam, stond hij voor het keukenraam alsof hij op een te verschijnen uitzicht wachtte. Er was slechts stoffig metselwerk en glas, de achterkant van het industriële pand in de volgende straat.

Het was een eenkamerappartement, de keuken slechts gedeeltelijk afgescheiden en het bed in een hoek van het vertrek, vrij klein, zonder stijlen of plank aan het hoofdeinde, bedekt met een kleurige berber deken, het enige in het vertrek wat er een beetje uitsprong.

Ze wist dat ze hem iets te drinken moest aanbieden. Ze voelde zich onbeholpen, onbedreven hierin, in onverwachte gasten. Waar ging je zitten, wat ging je zeggen, daar moest over nagedacht worden. Ze maakte geen melding van de gin die ze koud had staan.

«Je woont hier hoe lang?»

«Bijna vier maanden. Ik ben een nomade geweest», zei ze. «Onderhuur, bij vrienden logeren, altijd op de korte termijn. Vanaf dat het huwelijk strandde.»

«Het huwelijk.»

Hij zei dit met een afgezwakte versie van de dreunende bariton die hij eerder voor «de staat» had gebruikt.

«Ik ben nooit getrouwd geweest. Geloof je dat?» zei hij. «De meeste van mijn vrienden van mijn leeftijd. Eigenlijk allemaal. Getrouwd, kinderen, gescheiden, kinderen. Wil jij ooit kinderen?»

«Wanneer is ooit? Ja, ik denk het wel.»

«Ik denk wel aan kinderen. Ik voel me egoïstisch dat ik een gezin uit de weg ga. Los van het feit of ik nou een baan heb. Ik heb binnenkort wel een baan, en een goeie. Dat is het punt niet. Ik ben bevreesd, in wezen, om iemand die zo klein en zacht is groot te brengen.»

Ze dronken mineraalwater met partjes citroen, diagonaal tegenover elkaar gezeten aan de lage houten tafel, de salontafel waaraan ze haar maaltijden at. Het gesprek verraste haar een beetje. Het was niet moeilijk, zelfs niet als het stilviel. De stiltes waren niet ongemakkelijk en hij leek eerlijk in wat hij zei.

Zijn mobiele telefoon ging. Hij diepte hem uit zijn lichaam op en sprak kort, bleef er toen peinzend mee in zijn hand zitten.

«Ik zou moeten onthouden om hem af te zetten. Maar dan denk ik, als ik hem afzet, wat loop ik dan mis? Iets zo ongelooflijks.»

«Het telefoontje dat alles verandert.»

«Iets zo ongelooflijks. Het telefoontje dat je leven totaal verandert. Daarom respecteer ik mijn mobieltje.»

Ze wilde naar de klok kijken.

«Dat was toch niet je sollicitatiegesprek net? Dat niet doorgaat?»

Hij zei van niet en ze wierp een steelse blik op de wandklok. Ze vroeg zich af of ze wilde dat hij zijn sollicitatie gesprek zou mislopen. Dat kon ze toch niet willen.

«Misschien ben jij net als ik», zei hij. «En kun je je pas op iets gaan voorbereiden als het al bijna gebeurt. Pas dan wordt het je ernst.»

«Hebben we het over het vaderschap?»

«Om je de waarheid te zeggen heb ik dat gesprek zelf al afgezegd. Toen jij daar was», zei hij met een knikje naar de wc.

Ze voelde een vreemde paniek. Hij dronk zijn glas leeg, kantelde zijn hoofd achterover tot er een ijsblokje in zijn mond gleed. Ze zaten even zo, lieten het ijs smelten. Toen keek hij haar recht in de ogen terwijl hij een van de hangende slippen van zijn stropdas door zijn vingers liet gaan.

«Zeg maar wat je wil.»

Ze deed niets.

«Want ik voel dat je niet zover bent en ik wil niet iets te vroeg doen. Maar we zitten hier wel.»

Ze keek niet naar hem.

«Ik ben niet zo’n heerserstype. Ik hoef niemand te beheersen. Zeg maar wat je wil.»

«Niets.»

«Praten, kletsen, maakt niet uit. Genegenheid», zei hij. «Dit is geen groot moment in de wereld. Het komt en het gaat. Maar we zitten hier, dus.»

«Ik wil graag dat je weggaat.»

Hij haalde zijn schouders op en zei: «Maakt niet uit.» Daarna deed hij niets.

«Je zei: ‹Zeg maar wat je wil.› Ik wil dat je weggaat.»

Hij bleef zitten. Hij kwam niet van z’n plaats. Hij zei: «Dat afzeggen heb ik met een reden gedaan. Ik geloof niet dat dit de reden is, dit gesprek van ons. Ik kijk naar jou. Ik zeg tegen mezelf: weet je waar ze me aan doet denken? Aan iemand die herstellende is.»

«Ik ben bereid om te zeggen dat ik me heb vergist.»

«Ik bedoel, we zitten hier. Hoe is dat gebeurd? Er was geen vergissing. Laten we vrienden zijn», zei hij.

«Ik denk dat we nu moeten stoppen.»

«Waarmee? Wat doen we dan?»

Hij probeerde zachtjes te praten, het moment af te vlakken.

«Ze is net iemand die herstellende is. Zelfs in het museum dacht ik dat al. Goed. Best. Maar nu zijn we hier. Deze hele dag, wat wij ook doen of zeggen, die komt en die gaat.»

«Ik wil hier niet mee doorgaan.»

«Vrienden.»

«Dit is niet goed.»

«Nee, vrienden.»

In zijn stem klonk een intimiteit door die zo vals was dat hij een beetje dreigend leek. Ze wist niet waarom ze hier nog zat. Hij boog zich toen naar haar toe, legde zachtjes een hand op haar onderarm.

«Ik probeer mensen niet te beheersen. Zo ben ik niet.»

Ze week terug en stond op, en toen was hij overal om haar heen. Ze verstopte haar hoofd in haar schouder. Hij oefende geen druk uit en probeerde niet haar borsten of heupen te strelen, maar hield haar in een soort losse omsluiting. Even leek ze te verdwijnen, compact en onbeweeglijk, ademloos verstopt te zitten. Toen rukte ze zich los. Hij liet haar dat doen en keek haar zo strak aan, met zo’n taxerend oog, dat ze hem nauwelijks nog herkende. Hij classificeerde haar, beoordeelde haar op een afschuwelijke, vernietigende manier.

«Vrienden», zei hij.

Ze merkte dat ze met haar hoofd schudde, probeerde het moment niet te geloven, het omkeerbaar te maken, een misverstand. Hij sloeg haar gade. Ze stond bij het bed, en dat was precies de informatie die zijn blik bevatte, deze twee dingen, haar en het bed. Hij haalde zijn schouders op alsof hij wilde zeggen: logisch. Wat heeft het anders voor zin dat we hier zijn als we niet doen wat we hier komen doen? Toen trok hij zijn jasje uit, een reeks ongehaaste bewegingen die het hele vertrek in beslag leken te nemen. In het gekreukelde witte overhemd was hij groter dan ooit, zwetend, haar volkomen onbekend. Hij hield het jasje naast zich met uitgestoken arm.

«Kijk eens hoe makkelijk. Nu jij. Begin maar met je schoenen», zei hij. «Eerst een, dan de andere.»

Ze ging de kant van de wc uit. Ze wist zich geen raad. Ze liep langs de muur, hoofd omlaag, iemand die blindelings voortstapt, en ging de wc in. Ze deed de deur dicht, maar dorst hem niet af te sluiten. Ze dacht dat dat hem kwaad zou maken, hem zou uitlokken om iets te doen, iets te vernielen, erger. Ze schoof de knip niet voor de deur. Ze was vastbesloten dat alleen te doen als ze hem de wc hoorde naderen. Ze dacht dat hij niet van zijn plaats was gekomen. Ze wist zeker, bijna zeker, dat hij naast de salontafel stond.

Ze zei: «Ga alsjeblieft weg.»

Haar stem was onnatuurlijk, zo klein en hoog dat ze nog banger werd. Toen hoorde ze dat hij begon te lopen. Het klonk haast bedaard. Het was bijna slenteren wat hij deed, langs de radiator, waar de ombouw even rammelde, en in de richting van het bed.

«Je moet weg», zei ze, harder nu.

Hij zat op het bed en maakte zijn riem los. Dat meende ze te horen, de punt van de riem die uit de lus gleed en toen het tikje van tong en gesp. Ze hoorde de rits opengaan.

Ze stond tegen de wc-deur aan. Na een tijdje hoorde ze hem ademen, een geluid van geconcentreerd werken, nasaal en ritmisch. Ze bleef staan wachten, hoofd omlaag, lichaam tegen de deur. Ze kon alleen maar luisteren en wachten.

Toen hij klaar was, hoorde ze even niets, daarna wat geschuif en geritsel. Ze meende hem zijn jasje te horen aantrekken. Hij kwam nu haar kant uit. Ze besefte dat ze de deur eerder op slot had kunnen doen, toen hij op het bed zat. Ze bleef staan wachten. Toen voelde ze hem tegen de deur leunen, zijn dood gewicht, centimeters weg, niet duwend maar hangend. Ze schoof de knip op de deur, zachtjes. Hij stond ertegenaan gezakt, ademend, drukkend.

Hij zei: «Vergeef me.»

Zijn stem was amper hoorbaar, bijna een kreunen. Ze bleef staan wachten.

Hij zei: «Het spijt me. Alsjeblieft. Ik weet niet wat ik moet zeggen.»

Ze wachtte tot hij vertrok. Toen ze hem de kamer uit hoorde lopen en de deur achter zich hoorde dichttrekken, eindelijk, wachtte ze nog een volle minuut. Toen kwam ze de wc uit en draaide de voordeur op slot.

Ze zag alles nu twee keer. Ze was waar ze wilde zijn, alleen, maar niets was meer hetzelfde. Klootzak. Vrijwel alles in de kamer had een dubbele lading — wat het was en waarmee zij het nu associeerde. Ze ging een eindje wandelen en toen ze terugkwam was het verband er nog steeds, bij de salontafel, op het bed, in de wc. Klootzak. Ze at in een restaurantje in de buurt en ging vroeg naar bed.

Toen ze de volgende morgen weer naar het museum ging, zat hij in z’n eentje in de zaal, op het bankje in het midden met zijn rug naar de ingang, en keek naar het laatste schilderij in de cyclus, verreweg het grootste en misschien het meest adembenemende, het schilderij met de doodkisten en het kruis, getiteld Begrafenis.

Vertaling: Harry Pallemans

© 2002 Don DeLillo

Dit verhaal verscheen eerder in The New Yorker