Baalwinst

In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: baalwinst. Politici en bankiers gebruiken deze verbale truc om hun verantwoordelijkheid weg te moffelen.

Eindelijk heeft hij dan toch bekend, Gerrit Zalm. Dat plan om de ABN Amro-bestuurders een tonnetje extra toe te stoppen, was verkeerd. Hij had het niet goed gedaan. Spijt had hij ervan. Hij had beter moeten weten. Sinds Clinton na de affaire-Lewinsky is niemand vaker door het stof gegaan. Zalm is een zakenman, het gaat om de winst. Geen winst zonder beursgang. Geen beursgang zonder excuus. Dus beleed Zalm keer op keer zijn fout.

Voelde hij zich werkelijk schuldig? Tuurlijk niet. In eigen ogen was hij niet fout geweest, alleen maar dom. Had hij geen morele miskleun begaan maar een tactische vergissing. Precies zoals het abn-bestuur het een maand eerder had uitgedrukt: de bank had ‘de gevoelens in de samenleving’ niet goed ingeschat en ‘betreurde de onrust’ die daardoor was ontstaan.

Morele overwegingen spelen onder bankiers geen rol, concludeerde Joris Luyendijk na zijn verblijf in de Londense City. Maar zijn bankiers daarmee een uitzondering? Veel waarschijnlijker is het dat zij een extreme variant te zien geven van een gezindheid die ook elders in de samenleving oprukt.

Abram de Swaan noemt het ‘precrimineel gedrag’: gedrag dat niet wettelijk verboden is, maar wel amoreel of immoreel. Hij brengt de opkomst ervan in verband met de vermarkting in de publieke sector. Die zal zeker een belangrijke impuls hebben gegeven, maar de oorsprong moet langer geleden worden gezocht, en in een heel andere hoek.

Midden vorige eeuw groeide in de Nederlandse criminologie een nieuwe, humanistische visie op daderschap. Bij de bejegening van wetsovertreders moesten niet meer schuld en boete centraal staan, maar begrip voor de omstandigheden en zicht op verbetering. Deze ‘vermaatschappelijking’ van verantwoordelijkheid en schuld kreeg de wind in de rug tijdens de optimistische jaren zestig en zeventig. Pas daarna versmolt deze in aanleg linkse opvatting met het amorele gedachtegoed van bankiers en marktpredikers.

De paradigmawisseling bleef ook onder delinquenten niet onopgemerkt en kon rekenen op hun enthousiaste instemming. Wangedrag was voortaan de schuld van het kapitaal, van de omstandigheden, van Piet verderop of van wie of wat dan ook, maar in ieder geval niet van míj! Een jonge boef drukte het kernachtig uit: ‘Ik heb spijt dat ik zo vet veroordeeld ben.’ Precies wat Gerrit Zalm ook denkt maar niet hardop mag zeggen.

Deze trend van terugwijkend schuldbesef heeft de Nederlandse taal verrijkt met een

unieke serie begrippen die worden gebruikt om fout gedrag een moreel neutraal jasje aan te trekken. ‘Apart’ is zo’n toverwoordje. Hans Wiegel kwam ermee op de proppen nadat hij in een reclamespotje een bevriende vastgoedondernemer had aanbevolen. Toen die in moeilijkheden kwam, lieten gedupeerden beslag leggen op twee huizen van Wiegel. ‘Apart’ vond die dat. Maar echt vermaard werd het woordje door Dirk Scheringa, die talloze klanten meesleepte in de ondergang van zijn DSB Bank. Steevast kenschetste hij de gang van zaken als ‘heel apart’.

‘Heftig’ verdient ook een ereplaats in deze opsomming. Zo vond de jongen die een dodelijke overval pleegde op een Haagse juwelier de reconstructie van de moord ‘heftig’. Of neem Ali B, die in een tv-programma lang gekoesterde wensen van ouderen liet vervullen door jongeren met een ‘heftig verleden’.

Iets minder heftig, maar toch zeker ‘spannend’: de voorkeur van cda-politici om bloederige confrontaties en ernstige fouten aan te duiden als ‘pittig’. Balkenende was er dol op. Ook Van Agt reageerde, toen onlangs het vermoeden rees dat onder zijn ministeriële verantwoordelijkheid Molukse treinkapers bij De Punt in 1977 opzettelijk waren doodgeschoten: ‘Dit is heel pittig.’

Onbetwiste topper in deze eufemistische begrippengalerij is het woordje ‘balen’. Afkomstig uit het soldatenjargon betekende het oorspronkelijk: de pest in hebben over iets dat je buiten je schuld is overkomen. Maar ongemerkt heeft het woord zich opgewerkt tot een aanduiding voor onaangename gebeurtenissen die je zelf hebt veroorzaakt. Door ervan te ‘balen’ neem je er afstand van en geef je aan dat je kwaad bent – maar niet op jezelf. Op wie dan wel? Op die gebeurtenissen! Laten die hun eigen verantwoordelijkheid maar dragen.

‘Baalwinst’. Zo zou je haar kunnen omschrijven, deze verbale truc om verantwoordelijkheid weg te moffelen. Vorig jaar, na de zware verkiezingsnederlaag van zijn partij, liet pvda-voorman Diederik Samsom weten: ‘Daar baal ik ontzettend van.’ Jeroen Dijsselbloem ‘baalde’ juni vorig jaar ook al – namelijk van die vette salarisverhoging die de ABN Amro-top zichzelf wilde toekennen. Alsof Dijsselbloem als minister van Financiën niet met één pennenstreek dit plan van de staatsbankiers had kunnen tegenhouden.

Ook minister Leers probeerde baalwinst te boeken, toen hij begin 2011 vasthield aan zijn voornemen het uit Afghanistan afkomstige meisje Sahar uit te zetten. Een reguliere vergunning kon niet en een uitzondering maken via zijn ‘discretionaire bevoegdheid’ kwam ook niet in aanmerking. ‘Ik baal ervan, maar het is niet anders.’ Een paar maanden later, toen de politieke druk verder was opgelopen, gaf hij Sahar alsnog een verblijfsvergunning. Leers’ baalwinst was verkeerd in een verliespost.