Baanloze kantoorpik

Georges Duhamel
Middernacht
Uit het Frans (Confessions de minuit, 1920) vertaald door Chris van de Poel
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 134 blz., € 17,50

‘Ik ben een heel gewoon man, een onbeduidend man. Ik heb u niets buitengewoons te vertellen. Al mijn avonturen hebben zich binnen in mij afgespeeld. En het is heel vriendelijk van u naar mij te willen luisteren, want uiteindelijk heb ik u niets te vertellen, ben ik een niemendal.’ Met dit zelfportret weet je als lezer al bijna genoeg. Aan het woord is Louis Salavin, baanloze kantoorpik. Hij praat tegen zomaar een man die zijn oor leent aan de eenzang die de sukkel in de nachtelijke bar aanheft na een week met zijn ziel onder de arm door Parijs te hebben gedwaald. De rampspoed begon toen Salavin, van beroep corrector van teksten, voor meneer Jacob een register naar de hoogste baas van de firma moest brengen.
Als hij voor de bullebak staat wordt zijn aandacht getrokken door diens grote oor – eens heeft hij een secretaresse hem daar, achter zijn oor, een kus zien geven. Salavin kan zich niet bedwingen en raakt het met zijn wijsvinger aan. Even later staat hij op straat en op weg naar huis vraagt hij zich af hoe hij het zijn moeder zal vertellen. De goedhartige, kranige vrouw is namelijk wat kijfachtig van aard. De bijna dertigjarige woont nog altijd bij zijn moeder in, en zij is, zoals hij vaststelt, bron van al zijn ongeluk. Na onderweg diverse scenario’s te hebben doorgenomen, valt een pak van zijn hart als zij doodkalm reageert: ‘Je vindt wel weer een andere baan.’

Hem bevangt een ware euforie, die hem de rest van de dag doet zinderen: ‘Wat een kostbaar moment. Hoe meer ik me voor deze heilige vrouw vernederde, hoe meer ik me gelouterd, verheven, verlost voelde.’ Het armoedige huis en de grijze straten nemen navenant paradijselijke kleuren aan. Het hemelhoog wordt de volgende dagen steeds meer overstemd door diepe treurnis. Toch houdt juist het zelfbeklag hem op de been.

Een mooie meneer, deze onbeduidende man die zich afvraagt hoe hij zichzelf in de menigte zou herkennen en zou noemen. Duhamel (1884-1966), auteur van series milieuschilderingen, schreef verscheidene boeken rond Salavin. In dit eerste van 1920 probeert de moeder de jonge bejaarde nog aan de vrouw te brengen; in zijn dagboek van 1929 is Salavin veertig, getrouwd, zijn lieve moeder leeft nog, vrienden heeft hij nauwelijks: de monoloog op papier is al even treurig als de middernachtelijke biecht van weleer.