Baardmans en ezel

IN NEDERLAND maakten twee boeken meteen na de Tweede Wereldoorlog korte metten met de droom van de wederopbouw: De avonden en De tranen der acacia’s. Ze waren geschreven door twee jonge auteurs: Gerard (Kornelis van het) Reve en Willem Frederik Hermans. Hun boeken waren en zijn van een ongekende zeggingskracht. Ze ademen - de titels zijn veelzeggend - een sfeer van ondergang en verdriet. ‘In puinhopen voel ik mij prettig’, stelt de jonge Arthur Muttah in De tranen der acacia’s vast, ‘ergens anders hoor ik niet thuis.’ In het laatste hoofdstuk van De avonden wordt het nieuwe jaar niet ingeluid met wijn, maar met een fles zure bessen-appelsap. Misschien niet eens zo bedoeld, maar het is van een diep schrijnende symboliek: Frits van Egters weet dat het nooit meer goed komt.

Beide boeken vertonen nog sterk negentiende-eeuwse trekken, zoals Paul Rodenko met betrekking tot De tranen constateerde. Het is ook goed te zien aan de manier waarop De avonden begint: ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis (…) ontwaakte.’ Desondanks verwoordden ze indertijd een nieuw 'levensgevoel’, dat zelfs een halve eeuw later zijn uitwerking niet mist. Met De tranen en De avonden zetten beide schrijvers de toon van de naoorlogse literatuur. Oudere auteurs die hun beste werk al achter zich hadden, zoals Bordewijk of Vestdijk, zagen er direct de kwaliteiten van in. Maar het duurde even voordat dat ook tot het grote publiek doordrong. Pas vanaf begin jaren zestig beleefden deze boeken herdruk op herdruk. DE ROMANS ZIJN alleen in hun uitwerking vergelijkbaar. De verhalen zijn erg verschillend van aard. Net als de auteurs, hoe zwaarmoedig ze hun leven lang ook bleven. De onderlinge genegenheid hield geen stand. Reve viel met Nader tot U in de schoot van de Moederkerk en kwam daarmee, schreef Hermans, 'verder van mij’ af te staan. De tranen en De avonden: het zijn uitersten. De avonden is goed beschouwd een kaal boek. Een winterse vertelling over de heilige drieëenheid van de Nederlandse literatuur: vader, moeder en zoon. Een boek dat zich afspeelt in kamertjes waar de ruiten beslagen zijn of getekend met ijsbloemen. Er gebeurt hoegenaamd niets. Desondanks (of juist daardoor?) is de beklemming er bijna tastbaar, alleen de superieure ironie geeft wat verlichting, zij het een bittere. De tranen is een veel rijker boek. Rijker aan gebeurtenissen, aan karakters, symboliek en metaforen. Waar De avonden op z'n best een hoogst curieuze getuigenis is, daar is De tranen een broeierige vertelling die getuigt van een krachtige verbeelding. De avonden brengt een sterk gevoel van zinloosheid over, De tranen een van frustratie en onmacht, van onmogelijkheid, van onbegrip, van het 'menselijk tekort’. De avonden is pijnlijk realisme, De tranen beangstigende fantasie. De avonden is Het Grote Spruitjesboek, De tranen een grimmig sprookje. Het verschil in karakter tussen het werk van Hermans en Reve kun je ook aflezen aan de verdere ontwikkeling van hun schrijverschap. Reve heeft zich ontwikkeld tot een verkapte autobiograaf en brievenschrijver. In zijn boeken volg je de auteur of zijn alter ego op de voet. Onnavolgbaar grappig en bij vlagen geniaal, vooral in zijn wijze van uitdrukken. Zo verdient 'suikervrij gebak en oude taarten’ uit Bezorgde ouders het om een gevleugelde uitdrukking te zijn, terwijl 'dan kun je maar beter dood zijn’ uit De avonden - om slechts één voorbeeld te noemen - dat in feite al is. In Hermans’ werk bleef de verbeelding aan de macht: de fantasie en de wijze van vertellen. Hermans is als verhalenverteller en romancier meer een ambachtsman; Reve is vooral een levenskunstenaar. Ook de thematiek van Hermans is algemener, wereldlijker; die van Reve bestaat uit een individuele belijdenis. Daardoor is Reve in principe onnavolgbaarder. Elke bladzijde is herkenbaar, honderd procent Reve. Hermans is weliswaar zeer eigenzinnig in zijn ideeën en uitwerking, maar zijn stijl is onpersoonlijker. HERMANS HAD - op latere leeftijd kwam hij daar rond voor uit - iets van een schoolmeester. Hij wist veel en onthield alles, was ongelooflijk belezen en had een scherpe blik. Zijn leerzame essays, artikelen en interviews getuigen ervan. Toch deed zijn veelgewraakte verbetenheid, die alles te maken had met zijn in alle eenzaamheid bevochten gelijk, daar voor velen afbreuk aan. Hermans wenste zijn principes niet te loochenen. Maar humor, hoe bitter en sarcastisch die vaak ook was, kon hem niet ontzegd worden. Hermans liet Nederland kennismaken met Sade en Wittgenstein, hij ging de gangen na van Multatuli en liet zich als een van de eersten vol bewondering uit over Céline. Zijn analyses van Kafka’s werken kennen in helderheid hun weerga niet. Bovendien interesseerde Hermans zich voor het metier, voor de techniek van het schrijven. Hij expliceerde wat er onder een klassieke roman verstaan moest worden en schreef een essay over de antiheld: 'Antipathieke romanpersonages’. Het is te betreuren dat er nooit een boek is verschenen als dat van Truffaut met en over Hitchcock. Hermans zou er denkelijk niet aan hebben willen meewerken. Zoals hij er ook niet voor voelde om, als Bordewijk, jonge auteurs met aanwijzingen en raad terzijde te staan. Ze moesten het zelf maar uitzoeken, vond hij. Hermans moest zijn eigen schrijverschap bekopen met tal van rechtszaken en polemieken. Hij beleed zijn fanatisme als een erekwestie. Want de literatuur betekende alles voor hem. Een echoput van weerzin en een bron van waarheid. DAT REVE WEL en Hermans nauwelijks van invloed is op de generaties schrijvers die na hen kwamen, is gezien dit alles verbazingwekkend. Je zou denken dat Hermans meer aanknopingspunten biedt. Maar het is Reve die school heeft gemaakt, compleet met het uiteraard onbruikbare cursusboek Zelf schrijver worden. Er zijn veel Reve-adepten, zoals laatst weer eens mocht blijken toen jonge auteurs bij zijn zeventigste verjaardag in Vrij Nederland brieven aan hem schreven. Reve’s invloed wordt ook vaak genoemd. Die van Hermans vreemd genoeg niet. Met Reve wordt openlijk gedweept, terwijl Hermans slechts stiekem wordt bewonderd. Hoe kan dat? Is het Hermans’ granieten pessimisme? Bas Heijne schreef eens dat het naoorlogse pessimisme heeft afgedaan. Is het dat? Die gedachte is wel erg kort door de bocht. Het omgekeerde lijkt eerder het geval: tegenwoordig is iedereen pessimist. Er zijn immers geen grote ideologieën meer. Bovendien is Hermans’ kijk op de wereld sterk beïnvloed door de oorlog. 'De oorlog is de beste leerschool voor het leven’, vindt Arthur Muttah. De oorlog gaf een kijkje achter de schermen van wat 'beschaving’ heet. Maar Hermans’ visie is niet afhankelijk van de oorlog. Zijn mensbeeld is algemener, is van alle tijden. Het is een bij uitstek modern wereldbeeld, gevormd door zijn lectuur en wetenschappelijke studie, en gevoed door zijn persoonlijke ervaringen. Ja, het is zelfs zo dat dat wereldbeeld zonder ideologie, even illusieloos als wetenschappelijk, gemeengoed is geworden. Niet door toedoen van Hermans, maar door de illusieloze overtuigingskracht van de wetenschap zelf. Hermans had, zoals zo vaak, gewoon gelijk. IS HET wetenschappelijke wereldbeeld bijna alom aanvaard, Hermans’ vertelwijze is dat niet. Vaak hoor je dat zijn boeken zo 'kil’ zijn. Dat is een misvatting of, erger, een gevolg van slecht lezen. Niet zijn wereldbeeld is kil, maar het universum, zoals Hermans op indrukwekkende wijze laat zien. De ideeën die aan zijn werk ten grondslag liggen zijn weliswaar het resultaat van objectieve beschouwing en ijskoud denkwerk, maar in de uitwerking ervan, de consequenties voor zijn personages, is Hermans een gevoelskunstenaar. Of zoals hij zelf eens zei: in zijn borstkas hing geen 'schokvrij opgehangen kompas’. Zeker in zijn latere werk heeft Hermans mededogen met zijn hoofdpersonages. Was Arthur Muttah nog een naargeestige agressieveling, iemand die barst van van woede; kinderboekenschrijfster Sita van de Wissel uit Uit talloos veel miljoenen en Paulina uit Au pair zijn eerder aandoenlijk. Een gevoelskunstenaar. Zie ook Hermans’ sterk ontwikkelde gevoel voor het fantastische, een genre dat in Nederland nooit erg geliefd is geweest. Ook De tranen heeft, hoe realistisch verder ook, heel eigenaardige passages. Hallucinerend, zij het al minder dan zijn debuutroman Conserve. Herhaaldelijk heeft Hermans gezegd dat een bewonderaar hem geen groter plezier kon doen dan zijn fantastische of 'surrealistische’ romans De God denkbaar, denkbaar de God en Het evangelie van O. Dapper Dapper tot zijn beste werken te rekenen. Maar daarin staat hij alleen. Met het fantastische hebben we in Nederland weinig op. WETENSCHAPPELIJK, maar daarmee nog geen aanlokkelijk wereldbeeld. De schrijver Oek de Jong bijvoorbeeld heeft er de grootste moeite mee. In De Revisor publiceerde hij vorig jaar een lang artikel (de Kellendonk-lezing 'Zijn muze was een harpij’) waarin hij afstand neemt van deze 'leermeester’. De Jong vindt dat Hermans de rede overwaardeert en in dat absolutisme - let wel - te pathetisch is. Elders formuleert De Jong het net zo tegenstrijdig: Hermans’ extreme materialisme onthult alleen maar zijn gevoelens (cursivering van De Jong, ik zou de nadruk leggen op 'gevoelens’). De Jong ontzegt Hermans zo'n beetje het recht op de uitspraak: 'De mens is een chemisch proces als een ander.’ Ook al is die uitspraak 'natuurlijk waar’ (immers, de stoffige maar goddelijk geïnspireerde Prediker zei het reeds in de bijbel), zoiets kun je niet zeggen. Het mag niet omdat de Mens ('zo dartel, ondoorgrondelijk’) er te zeer door gereduceerd wordt. Of je moet het als Lamettrie (De mens een machine) als vrolijke rebellie debiteren. Als onschuldig grapje. En dat is wat Hermans volgens De Jong mist: de wijsheid die de betrekkelijkheid van alles inziet, die besluit te leven met de illusies, de wijsheid die berustend zegt: 'Moordenaars moeten er ook zijn.’ Zoals De Jong vaststelt, waren Hermans’ materialistische uitspraken gericht tegen het geloof in een onstoffelijk 'iets’, tegen alle onzinnige aanspraken op het 'hogere’ en 'diepere’. En daar komt de aap uit de mouw, of liever gezegd: de al te menselijke god uit de machine. Want wat stelde Hermans’ atheïstische kritiek eigenlijk voor? De Jong: 'Niet veel, kan ik u verzekeren.’ Want Hermans zette zich af tegen een antropomorfe godheid met een baard, en dat deed hij omdat hij 'geen besef van het mysterie’ had, het mysterie dat 'voor sommigen (…) een verlossend besef is’. Voor De Jong kennelijk, en voor zijn katholieke collega Kellendonk. Maar niet voor Hermans, die heeft 'geen antenne voor wat “het spirituele” wordt genoemd’. Het is de aloude taal van 'het mysterie’. De katholieke bezweringsformule, de religieuze rimram. De Jong en Kellendonk zijn teruggekeerd tot een god, en dan beland je als vanzelf weer bij Reve, die God tenminste niet als een baardmans voorstelde, maar als een ezeltje dat hij met zijn geheime antenne beroerde. Veelzeggend is dan ook dat De Jong zoals hij schrijft 'een pelgrimage’ maakte, een bedevaart, naar Reve in Friesland, terwijl hij zijn afreizen naar Hermans in Parijs 'een strategische verkenning’ noemt. HERMANS had een weerbarstige persoonlijkheid, hij liet naar eigen zeggen zijn slechte humeur op de lezers los. Hij bood geen verlossend besef. Maar kan een mysterie eigenlijk wel een verlossend besef zijn? Het lijkt me eerder beangstigend. Het is uit dat angstige niet-weten dat goden worden geboren, daarover zijn antropologen het eens. Maar een schrijver zonder verlossend besef moet hangen opdat de lezer (Oek de Jong in dit geval) vrijuit kan gaan. 'Moordenaars moeten er ook zijn.’ Liever een blijde boodschap dan een op de wetenschap gefundeerde waarheid. Zodoende werd en wordt Hermans gevreesd, gehaat en bewonderd - in die volgorde. De 'volksschrijver’ Reve daarentegen hield en houdt ervan de clown uit te hangen, wellicht zelfs zijns ondanks. Om Reve kun je op dezelfde manier lachen als om de homofiele dorpspastoor. Daarom is Reve ook veel geliefder, zo bleek weer eens bij zijn zeventigste verjaardag. Hij is gewoon leuker en doet het met zijn merkwaardige humor goed op televisie. Maar een schrijver is geen grappenmaker, niet in eerste instantie althans. Wat doet de persoon van de schrijver er au fond toe? Slauerhoff was volgens velen een rotzak, Céline één brok haat, Kafka een watje, Flaubert een braller, Douwes Dekker een opschepper. Het gaat om het werk, om de kunst. Worden de schilderijen van Van Gogh, de schittering van zijn korenvelden, er mooier op als je weet dat hij aan een oogziekte leed? Nee, het staat er los van. Wat maakt het uit wie Shakespeare was? Het is uiteindelijk van nul en generlei belang. Bij Hermans geen verlossend besef, maar wel een catharsis. En zijn catharsis is de meest pure: agressie. De agressieve Hermans - 'Ik houd mijn agressiviteit voor democratischer dan de democratie van de mensen die mij voor fascist uitmaken’ - deed aan veelvuldige vadermoord (de Forum-auteurs, die 'schreven voor vrienden’). Openlijke navolging vond hij niet, op een enkeling (Kees Helsloot) na. De academisten van De Revisor hadden vreemd genoeg meer oog voor Vladimir Nabokov en Italo Calvino. Alhoewel: vreemd? Hadden Hermans en, eerder, Multatuli al niet opgemerkt dat in Nederland altijd buitenlandse voorbeelden worden nagevolgd? Multatuli was te wispelturig om school te maken. Hermans te onverbiddelijk. Als een godheid, nietwaar?