Chuck Palahniuk, Wiegelied

Baas in eigen brein

Chuck Palahniuk

Wiegelied

De Geus 255 blz., € 17,50

Chuck Palahniuk

Non-Fiction

Jonathan Cape (imp. Van Ditmar), 233 blz., € 22,95

Hoe creëer je een overtuigend romanpersonage? De Amerikaanse schrijver Chuck Palahniuk beschrijft in zijn essay bundel Non-Fiction hoe hij tijdens het schrijven probeert de wereld door de ogen van de door hem bedachte personages te zien: «Je wordt een advocaat die de lezer dwingt om het wereldbeeld van jouw karakter als het enige juiste te accepteren.» Daartoe voorziet Palah niuk zijn scheppingen van een opleiding en enkele vaardigheden die hun wereldbeeld afbakenen. Een topmodel zal de wereld zien als een serie rivalen in het trekken van aandacht. Een schoonmaakster als een serie vlekken die verwijderd moeten worden.

Zo’n visie maakt nieuwsgierig naar hoe Palahniuk het wereldbeeld van de journalist Carl Streator, hoofdpersoon van zijn onlangs in het Nederlands vertaalde roman Wiegelied typeert. Als een serie feiten die vergaard moeten worden misschien? Of als ruw materiaal dat erom smeekt in een journalistiek verhaal te worden gebruikt?

Sinds de dood van zijn vrouw en dochter heeft deze Streator zich volledig van de wereld afgekeerd. Hij leeft een sober en teruggetrokken leven, zonder al te grote verwachtingen en al te sterke emoties. Zijn baan als journalist verschaft hem hiervoor het perfecte alibi. Tussen hem en het leven zit altijd een notitieblok. Hij is een «getrainde, objectieve, afstandelijke professional». Een levende bandrecorder, een ademende camera. In Streators eigen woorden: «Alles is altijd research.» Dit verandert wanneer hij van zijn hoofdredacteur de opdracht krijgt vijf artikelen te schrijven over het Sudden Death Infant Syndrome. De getrainde observator Streator ontdekt al snel een patroon in de sterfgevallen. Ieder gezin dat hij onderzoekt had Rijmpjes en liedjes van over de hele wereld in huis, een boek met kinderslaapliedjes. Het lied op pagina 27, zo blijkt na enkele experimenten, is een Afrikaans wurglied. Het werkt als een vloek, en wie die vloek treft gaat dood.

Streator gaat op jacht naar de overige exemplaren van het boek. Aanvankelijk nog onder het mom van onderzoek, later openlijk uit morele overwegingen. Hij heeft een motief om alle exemplaren van het wiegelied verbrand te willen zien. Het laatste boek dat hij aan zijn vrouw en dochter voorlas was namelijk Rijmpjes en liedjes van over de hele wereld. Op zijn tocht langs bibliotheken door heel Amerika krijgt Streator gezelschap van Hellen Hoover Boyle, een makelaarster gespecialiseerd in behekste huizen, en haar secretaresse Mona, een zelfbenoemde heks en hippierelikwie uit de jaren zeventig.

De kennis van het wurglied vormt ondertussen een loden last. Streator moet voortdurend oppassen dat hij niemand vervloekt. Dat valt niet mee. Zijn aan radio en televisie verslaafde buren vormen een constante bron van irritatie. Geluidfetisjisten noemt Streator ze. Stiltefoben. Het duurt niet lang voordat hij zijn eerste slachtoffers maakt.

Bij monde van zijn held houdt Palahniuk de lezer hier een spiegel voor. Wij zijn verslaafd aan muziek, laat hij Streator zeggen. Verslaafd aan geluid en doodsbang voor stilte. «Die goede oude George Orwell zag het omgekeerd. Big Brother kijkt niet. (…) Big Brother eist je aandacht elke minuut dat je niet slaapt. (…) Als de wereld constant je hoofd vult, hoeft niemand zich meer zorgen te maken over wat er in je omgaat. (…) Niemand denkt nog zelf. Je kunt je niet concentreren. Je kunt niet denken. Er is alleen lawaai dat naar binnen vreet.»

Ironisch genoeg is het juist de journalist Carl Streator die stiekem hoopt op het einde van de massamedia. Hoe zal de wereld eruitzien wanneer men kennis krijgt van het wiegelied? vraagt hij zich af. Zal iedere reclameboodschap, ieder liedje, ieder geluid dan gecontroleerd worden op schadelijke woorden? Zal er een commissie komen die alle media controleert op zuiverheid? Streator hoopt het. Het zou het einde betekenen van alle herrie. Het einde van alle ruis. Eindelijk zullen we normaal kunnen denken. Eindelijk zijn we «baas in eigen brein».

De mens die enkel nog bestaat om gevoed te worden door de massamedia en consumptieproducten: het is een bekend schrikbeeld. We zagen het in films als American Psycho en The Matrix, maar ook in Palahniuks eerdere romans Fight Club, Choke en Invisible Monsters. Wiegelied verschilt van zijn voorgangers in de grote aandacht voor het paranormale. Ook in de vroegere boeken van Palahniuk gebeurden merkwaardige dingen. Zo blijken de twee hoofdpersonen in Fight Club hetzelfde lichaam te bezitten, of ontdekt het mismaakte topmodel uit Invisible Monsters dat de travestiet waarmee ze al een jaar optrekt haar doodgewaande broertje is. Maar behekste huizen en toverspreuken kwamen we nog niet tegen. Het zijn precies deze boven natuurlijke verschijnselen die de zwakke plek van Wiegelied vormen. Ze laten zich lastig mengen met de satire en paranoia die Palahniuks eerdere romans zo geslaagd maakten. De roman wil te veel tegelijk, en mist daardoor een toon. Al die magische spreuken, al die bizarre gedaante verwisselingen, al die pratende judaskoeien – ze zijn vaak grappig, inventief en slim, maar ze zorgen ook voor een gevoel van vrijblijvendheid en maken het verhaal er bepaald niet geloofwaardiger op.

Dat less nog steeds vaak more is blijkt uit de essaybundel Non-Fiction. Hierin heeft Palahniuk zijn reportages, interviews, essays en korte reisverhalen, die hij schreef voor obscure en minder ob scure bladen als de Bikini Review, Blackbook, Playboy en The Independent verzameld. In de inleiding vertelt Palahniuk dat er voor hem nauwelijks verschil bestaat tussen het schrijven van fictie en het schrijven van non-fictie. Men zal zich verbazen, schrijft hij, over de hoeveelheid tijd die een romanschrijver in de werkelijkheid moet doorbrengen om een stem te creëren. Palahniuk ziet zijn romans als niets anders dan een verzameling korte verhalen. En inderdaad, de reportages en verhalen die hij maakte over een erotisch openluchtfestival, een toernooi voor amateur-worstelaars, een stel zonderlingen die een kasteel bouwden, en zijn belevenissen als escort voor zieken, zijn door Palahniuk gebruikt in zijn romans of hadden daarin niet misstaan.

Opgenomen is ook het essay Not Chasing Amy, waarin Palahniuk zijn lievelingsauteur, de Amerikaanse minimalist Amy Hempel, typeert. Veel kenmerken van Hempels boeken die Palahniuk roemt, zijn ook in zijn eigen werk terug te vinden. Eén daarvan is wat Hempel het schrijven vanuit een «death angel» noemt, hetgeen neerkomt op de schijnbare afwezigheid van een auteur in zijn stukken. Dit is vooral goed te zien in Palahniuks reportages. Die bestaan enkel uit observaties en citaten, gepresenteerd op een zo geserreerd mogelijke manier. Volgens Jacques Derrida, die Palahniuk even verderop in het essay aanhaalt, zijn zinnen als software die hun betekenis moeten krijgen in de hardware van het hoofd van de lezer. Dit principe past Palahniuk in het grootste deel van zijn reportages toe. Nergens probeert hij zijn materiaal te duiden, nergens maakt hij gebruik van abstracties, nergens gebruikt hij bijvoeglijke naamwoorden die het oordeel van de schrijver verraden. Hij zal nooit schrijven dat iemand een rotzak of lelijk is. Hij presenteert slechts de feiten. Het is aan de lezer om deze feiten te interpreteren.

Maar Palahniuk is wel degelijk aanwezig in zijn verhalen, en het lijdt geen twijfel dat hij zich bewust is van het effect dat zijn zinnen teweegbrengen. Het is juist de spanning tussen die terloopse, alledaagse vertelwijze en de onalledaagse onderwerpen die de reportages hun kracht geeft. Niettemin kent ook deze manier van werken zijn beperkingen. Het maakt de schrijver erg afhankelijk van het materiaal dat hij krijgt toegeworpen. Wanneer dat oninteressant is, valt er aan het stuk weinig meer te redden.

In Non-Fiction gebeurt dat een enkele keer. Zo is het oeverloze geklets van filmactrice Juliette Lewis niet om door te komen, en het verhaal over een stel zonderlinge mannen dat op een dag besloot een kasteel te bouwen, veel te lang en veel te saai. Daar staat een hilarisch verhaal tegen over waarin Palah niuk vertelt hoe hij en een vriend verkleed als hond en beer door het centrum van Seattle lopen en belaagd worden door agressieve jongeren en bemoeizieke bejaarden. Als blanke man wilde Palahniuk eens weten hoe het voelt om afgerekend te worden op je uiterlijk.

In zulke stukken weet Palahniuk een beeld van Amerika op te roepen dat zowel afschuwwekkend als fascinerend is. Beangstigend en grappig. Griezelig en ontroerend.