Essay: De logica achter de waanzin van de antipsychiatrie

Baas in eigen brein

Wat in de jaren zeventig in de psychiatrie gebeurde, was veel minder «gek» dan het achteraf lijkt, als je het plaatst in de ontwikkelingen van die tijd. Er zit wellicht een logica achter de waanzin der antipsychiatrie.

Stelt u zich voor: het is 1975 en u bent Henk, een jongeman van 22 jaar. U woont na een kort bestaan als kraker en drugsgebruiker weer bij uw ouders, waar u de hele dag op bed ligt, letterlijk te stinken, want u bent soms incontinent en weigert te douchen. Als u op een dag een asbak naar uw zus gooit, wordt u opgenomen op de afdeling Conolly van psychiatrisch ziekenhuis Brinkgreven, in Deventer. U bent in een ziekenhuis, denkt u, dus u vraagt de behandelaars om medicijnen, liefst een peppil. U krijgt echter een tabletje Davitamon-C aangereikt, met daarbij de mededeling dat u geen oplossingen moet zoeken in pillen, maar dat u zelf moet «veranderen». U weigert te praten over uw gevoelens en wensen in het leven, maar de verpleging bindt de strijd aan met dit passieve gedrag. «Volhouden Henk», zeggen ze. «Maar niet vergeten dat wij meer tijd hebben dan jij.»

En inderdaad, twee jaar lang krijgt u de gekste opdrachten. U moet verplicht in uw bed plassen en daar vervolgens in slapen: de zogeheten paradoxale behandeling is dat, ofwel het voorschrijven van het symptoom in de hoop dat het dan verdwijnt. Later moet u een «oude-mannetjes-programma» gaan volgen. U gedraagt zich immers al als een bejaarde, zo licht de verpleging toe, dus dan moet u dat ook maar eens echt goed gaan doen. U wordt verplicht om de hele dag, achter een paar geraniums, in een leunstoel te zitten, Tros-televisie te kijken en de pijp te roken die speciaal voor u is aangeschaft. Het wil allemaal niet erg baten, en zowel uzelf als de verpleging raakt steeds meer gefrustreerd. «Je bent een slappe zak, Henk», schrijft er eentje in uw dossier, dat u wekelijks «in de groep» moet voorlezen. Een ander schrijft: «Een jongen van jouw leeftijd moet uitgaan, een meisje krijgen. Anders word je chronisch patiënt, Henk.» En dat blijkt inderdaad uiteindelijk uw lot. Na een jaar wordt u ingesteld op een antipsychoticum, en na twee jaar plaatst men u over naar een vervolgafdeling.

Stelt u zich voor: u bent de moeder van Henk. U wordt uitgenodigd om op Conolly deel te nemen aan gezinstherapie. Daar denken de behandelaars dat uw zoon gek gedrag vertoont om de aandacht af te leiden van de problemen tussen u en uw man. De behandelaars op Conolly zijn namelijk sterk beïnvloed door, onder anderen, de Britse psychiater Ronald D. Laing. Die betoogde dat er zin zat in de waanzin: het gekke gedrag en de bizarre denkbeelden van zogenaamde psychiatrische patiënten werden volgens Laing heel begrijpelijk als je ze plaatste in een sociale context, hun gezinsachtergrond bijvoorbeeld, waar de schuld met name werd gezocht in de zogenaamde schizofrenogene of «koelkast»-moeder.

Leed de psychiatrie destijds aan een tijdelijke verstandsverbijstering? Waren de hulpverleners zelf gek geworden? De klinische psychiatrie als sector lijkt zelf te erkennen dat dit het geval was, gezien de nevelen van taboe en schaamte waarin de herinnering aan de jaren zeventig is gehuld, deze periode die bekend is komen te staan als die van de «anti psychiatrie». Wat was de zin van de schijnbare waanzin van dit tijdperk? Pasten de radicale ideeën van Laing en zijn volgelingen in de culturele en wetenschappelijke context van toen?

Ik raakte geïnteresseerd in deze antipsychiatrische periode toen ik tussen 1995 en 1998 aan het Utrechtse Trimbos-instituut verbonden was, waar onderzoek wordt gedaan naar de geestelijke gezondheidszorg. Zo werd vanuit dit instituut een boek geschreven over het 125-jarig bestaan van de Vereniging voor Psychiatrie. Daarvoor werden allerlei psychiaters geïnterviewd, maar nadrukkelijk niet ene Jan Foudraine. Er werd flink over gegniffeld dat hij slechts in een voetnoot aan de orde zou komen. Ik vroeg eens wat rond naar die Foudraine, en kreeg te horen dat hij de Nederlandse antipsychiater was, zoals in Engeland bijvoorbeeld R.D. Laing en in Amerika Thomas Szasz. Foudraine had in 1971 een bestseller geschreven: Wie is van hout.

In dat boek zou hij, net als Laing en Szasz, zijn eigen vak op een schandalige manier te kakken hebben gezet door te betogen dat psychiatrische ziektes in medische zin helemaal niet bestonden, dat psychiaters die met pillen of elektro shocks werkten beulen waren, en dat patiënten slachtoffers waren van de westerse maatschappij, die mensen niet de kans gaf zichzelf te zijn. Een psychische crisis zou volgens Foudraine zelfs goed voor mensen zijn, een mogelijke doorbraak in je leven. Dat soort ideeën, werd verteld, sloegen vooral aan bij linkse studenten en hippies met een hoofd vol lsd.

Uit de weinige historische literatuur die over de zogeheten anti psychiatrie bestond, doemde eenzelfde beeld op. Het bevreemdde: van Laing waren wereldwijd miljoenen boeken verkocht en van Foudraines Wie is van hout gingen maar liefst tweehonderdduizend exemplaren over de toonbank. Zo veel lsd slikkende hippies konden er toch nooit zijn geweest? Ik werd benieuwd of de «antipsychiatrie» ook effect had gehad op de daadwerkelijke zorg voor psychiatrische patiënten, waar het de critici uiteindelijk om ging.

Het blijkt dat de radicale ideeën van zogeheten antipsychiaters als Laing en Foudraine onder hulpverleners in de psychiatrische inrichtingen wel degelijk veel weerklank vonden. Ze maakten deel uit van een brede hervormingsbeweging binnen de klinische psychiatrie. Net als op de afdeling Conolly, waar de eerder genoemde Henk werd opgenomen, vonden kritische hulpverleners op veel plaatsen elders ook dat patiënten niet langer moesten worden afgescheept met een pil en een bemoedigend schouderklopje. Nee, er moest op zoek worden gegaan naar de psychologische en sociale oorzaken van hun problemen, door met ze te praten, praten en nog eens praten, eventueel met het gezin erbij. De zogenaamd antipsychiatrische kritiek was dus in de praktijk, paradoxaal genoeg, een pleidooi voor een intensivering en uitbreiding van de psychiatrische hulpverlening. Die term antipsychiatrie is dan ook ongelukkig gekozen. De meer neutrale term «kritische psychiatrie» zou een betere benaming zijn voor het hervormingsstreven in de klinische psychiatrie van de jaren zeventig.

De psychotherapeutische genezingsdrang die de jaren zeventig kenmerkte, had een sterk moralistisch karakter. Behandelaars projecteerden hun eigen streven naar individuele vrijheid, hun afkeer van de burgerlijke mentaliteit van hun ouders en hun eigen positieve ervaringen met psychotherapie op de patiënten. Als die ook maar zouden leren praten over hun emoties, zich konden losmaken van hun ouderlijk milieu en leerden kiezen voor zichzelf, kortom baas zouden worden in eigen brein, dan zouden ze niet meer hoeven vluchten voor hun omgeving in gestoord gedrag en gekke waanideeën.

Zeker, er zijn wat dat betreft veel excessen geweest, met name in de manier waarop met ouders werd omgegaan. Kritische hulpverleners en hun sympathisanten, onder wie veel journalisten, stelden zich bovendien regelmatig arrogant en aanmatigend op jegens aanhangers van het verfoeide «medisch model». Toch was wat er toen gebeurde veel minder «gek» dan het achteraf lijkt, als je het plaatst in de ontwikkelingen van die tijd. De kritische psychiatrie was een reactie op de voorgaande periode in de psychiatrie, toen het bestaan in de inrichtingen nog sterk werd getekend door arbeidstherapie, elektroshocks en medicatie. De drang om deze situatie te veranderen, werd bovendien gesteund en mogelijk gemaakt door leden van de psychiatrische elite en zelfs door de rijksoverheid. Zo haalde de overheid Laing in 1965 naar Nederland om hier zijn ideeën te verspreiden.

Bovendien is er naast de excessen ook sprake van een positieve erfenis. Alle aandacht die er in de jaren zeventig was voor ziekmakende gezinsstructuren heeft er bijvoorbeeld ook toe geleid dat het gezin rond de patiënt nu veel meer bij de behandeling wordt betrokken, zij het op een heel andere manier dan in de jaren zeventig. Psychotherapie is een vast onderdeel van de klinische psychiatrie geworden. Ook zijn de omgangsvormen in de psychiatrie informeler en meer gelijkwaardig geworden. En alhoewel de cliënt niet altijd evenveel keuze had in de jaren zeventig — hij mocht bijvoorbeeld niet altijd kiezen voor het medisch model — zijn de jaren zeventig toch ook de bakermat geweest voor de cliëntenemancipatie.

Kortom, iedere zichzelf respecterende wetenschap, en dus ook de psychiatrie, moet zijn eigen geschiedenis proberen te begrijpen in plaats van haar tot «achterlijk» te bestempelen en vervolgens af te serveren. Het is daarom geen verloren tijd om een poging te wagen de zin te achterhalen in de schijnbare waanzin van de antipsychiatrie.