Baas in eigen tuin

Het is de paradox van deze tijd: we zijn vrij om ons leven in te richten zoals we willen, maar alleen als het past binnen het ‘kader van het marktdenken’ zoals de Vlaamse cultuurfilosoof Kris Pint dat noemt. En al weten we nog zo goed dat elke foto vijf keer over moest voor hij Instagram-waardig werd bevonden, het blijft moeilijk om niet zo’n glossy leventje voor jezelf te wensen – dat is immers hoe succes eruitziet. Een ieder wordt zijn eigen marketeer.

Deze schijnvrijheid, want dat is het, levert vooral eenheidsworst en frustratie op, betoogt Kris Pint in het helder geschreven en tot nadenken stemmende filosofische essay De wilde tuin van de verbeelding. Er moeten toch andere manieren denkbaar zijn om het leven vorm, of zelfs zin, te geven? In zijn kritiek richt Pint zich niet zozeer op de politiek-economische aspecten van consumentisme, waartegenover dan zoiets zou staan als ‘consuminderen’, als wel op het mensbeeld dat eraan ten grondslag ligt: het idee van de mens als een behoeftewezen dat niets anders wil dan die behoeften bevredigen, kortom de mens als homo economicus.

Small pint  kris
Bij Kris Pint is de mens een driftwezen, drie­dimensionaal en onvoorspelbaar © Nadia Sels

Inmiddels heeft de homo economicus een opvolger, zoals bijvoorbeeld beschreven door Yuval Harari in Homo Deus. ‘Elk organisme is een algoritme’, stelt Harari, wat wil zeggen dat de mens en zijn behoeften kenbaar zijn tot in het kleinste detail, met behulp van computers. Echte diepte heeft die mens dan ook niet, eerder is hij een plat, voorspelbaar en dus manipuleerbaar gebruiksvoorwerp. Een zienswijze die de teugels van de markt nog steviger aantrekt en andere ideeën over de mens als naïef of achterhaald afserveert. Dat wat niet te meten of te berekenen is, telt gewoon niet meer mee, wordt vanzelf betekenisloos.

Het steentje dat iemand in zijn zak bij zich draagt is een voorwerp dat de verbeelding aanwakkert of houvast biedt

Verzet, wat altijd een beetje overdreven klinkt, lijkt bij dat soort evangeliën toch wel gepast. Pint schrijft: ‘De eerste stap van verzet lijkt heel eenvoudig: simpelweg “nee” durven zeggen, het zelfbeeld en de verhalen die we krijgen aangereikt niet langer aanvaarden als vanzelfsprekend.’ Ook Pint ziet de mens als behoeftewezen, maar hij vat die behoeften niet economisch op, maar als driften. Daarin volgt hij de psychoanalyse, hij gebruikt zowel de inzichten van Freud en Jung als van Jacques Lacan. Een driftwezen, zo leren zij, is in tegenstelling tot de platte, voorspelbare homo economicus juist driedimensionaal en onvoorspelbaar. Het is bovendien een wezen dat zijn eigen kaders kan scheppen. Niet in de vorm van Grote Verhalen, maar, zo blijkt, juist samengesteld uit kleine elementen die op geen enkele wijze gevangen kunnen worden in het model van de vrije markt. Of in het door big data geregeerde dataïsme van Harari, trouwens.

Om die kleine, persoonlijke verhalen en kaders te helpen ontstaan, beschrijft Pint technieken van zelfzorg geïnspireerd op Michel Foucault en Roland Barthes, maar ook op muziek, architectuur en geschiedenis. Voorbeeld: het steentje dat iemand in zijn zak bij zich draagt om al wandelend op straat in zijn hand om en om te laten gaan. Dat noemt Pint een ‘detail’, en het is op geen enkele manier te generaliseren tot andere mensen of te reduceren tot z’n marktwaarde. Het is een voorwerp dat de verbeelding aanwakkert of juist houvast biedt. Hetzelfde kan een bepaald liedje betekenen, zoals de frase van Vinteuil dat doet voor Swann in Op zoek naar de verloren tijd. Het zijn technieken die een relatie tot stand brengen met de ‘legitieme vreemdheid’ in jezelf, in de woorden van de dichter René Char. Ze bieden weerstand tegen de grote gelijkmaker die het marktdenken is en maken andere waarden zichtbaar, niet per se betere of zelfs maar meer wenselijke, maar gewoon andere.

Pint gebruikt de metafoor van de tuin om zijn alternatief voor het consumentisme tot uitdrukking te brengen. Nu valt op die metafoor wel wat af te dingen, al was het maar omdat die direct doet denken aan Voltaire en zijn ‘Il faut cultiver son jardin’ – een uitspraak die Pint juist ziet als oorsprong van het hele productiedenken. Dat werkt verwarrend. De ‘tuin van de verbeelding’, dus van het verzet, is weliswaar een wilde tuin, waar exoten kunnen groeien en zo meer, maar ook zo’n tuin moet onderhouden worden, is afgesloten als een hof; het is het project van een enkeling waaruit de ander buitengesloten wordt. Zo is het bijvoorbeeld opvallend dat in _De wilde tuin van de verbeelding _haast geen vrouwen voorkomen en vrijwel alle filosofen en kunstenaars die worden aangehaald van het West-Europese slag zijn (of Japans – de wilde tuin mag evengoed een rotstuin zijn in de zentraditie).

Dit soort metaforen kunnen natuurlijk altijd verkeren in hun tegendeel. Voor je het weet heb je een discussie over de bruikbaarheid van de metafoor en niet over dat wat de metafoor aankaart. Dat zou zonde zijn. Bovendien reikt Kris Pint in dit kleine essay zoveel manieren aan om over je eigen kaders na te denken dat ik me op het eind gerechtigd voel om ‘nee’ te zeggen tegen die tuin en driftig op zoek te gaan naar andere beelden en andere metaforen, naar particuliere details en frases die míj achtervolgen, en niemand anders.