Het marktdenken staat onder druk

Baas over eigen energie

Het lijkt of Europa, Nederland incluis, twee decennia van neoliberalisme en globalisering zomaar wil inruilen voor protectionisme. Reden: in de discussie over het energiebeleid staat niet langer het huishoudpotje centraal, maar voeren geopolitieke belangen de boventoon. Politici worstelen nog met de vraag welke verhouding tussen markt en overheid daarbij het beste past.

Wie het voetbal niet bijhoudt, zou dezer dagen denken dat het volgende EK al voor de deur staat. Politici spreken over het belang van een eigen «nationale kampioen» binnen Europa. Minister Brinkhorst van Economische Zaken rept van een «oranjegevoel», waarvan hij overigens geen last heeft. En voorzitter Barroso van de Europese Commissie uit zijn zorgen over de «nationalistische retoriek» die de Europese gedachte overstemt.In Italië zijn de voetbalanalogieën al een gepasseerd station en grijpen politici – geheel in de lijn van wijlen Rinus Michels – terug op regelrechte oorlogspraat. Barroso’s gematigd linkse voorganger Prodi sprak over «Franse strooptochten» die een halt dienen te worden toegeroepen. Daarmee appelleert de oppositieleider aan de Italiaanse woede over het optreden van de Franse regering, die vorige week een fusie tussen «haar» energiebedrijven Suez en Gaz de France uit de hoge hoed toverde, met als gevolg dat een overname door het Italiaanse Enel werd voorkomen. Minister Tremonti van Financiën en Economische Zaken trok daarop de vergelijking met het Europa van 1914, toen internationalisme razendsnel omsloeg in chauvinisme, uitmondend in de Eerste Wereldoorlog. «The lamps are going out all over Europe» waren toen de profetische woorden van de Britse minister van Buitenlandse Zaken, sir Edward Grey. Als we sommige politici mogen geloven, is die voorspelling nu actueler dan ooit. In haar meest letterlijke vorm. Voor Nederland komen de Europese fusieperikelen op een kritiek moment. Het nieuws heeft de vergevorderde discussie over splitsing van energiebedrijven in een netwerk en een toeleveringstak in een stroomversnelling gebracht. Brinkhorst houdt het hoofd weliswaar koel, zeggende dat hij het allemaal heeft voorspeld, maar zelfs hij kan onmogelijk de vorming van zo’n breed front tegen zijn beleid hebben voorzien. Werkgevers en werknemers van energiebedrijven, vno/ncw en vakbonden, cda, sp en Frits Bolkestein, gemeenten en provincies als Noord-Brabant, Gelderland en Noord-Holland: alle zijn tegen de afsplitsing van de gas- en stroomnetten van energiebedrijven. De meeste zijn desnoods bereid voorlopig af te zien van privatisering. Dat laatste is ook het standpunt van de pvda, die overigens nog wél de splitsingsplannen van de minister steunt. De sociaal-democraten willen nu alle morrende partijen rond de tafel krijgen om een «nationale deal» te sluiten. Doel is greep te houden op de levering van energie. Zo slaat bij het nemen van een van de laatste stappen in de privatiseringsoperatie in de nutssector de twijfel plotseling toe. Het verzet hiertegen is weliswaar niet nieuw, de omvang en een deel van de argumenten zijn dat wel. Bezwaren waren er altijd al: de energiekosten voor de consument zijn sinds de liberalisering niet aantoonbaar gedaald en van een betere dienstverlening door de commerciële leveranciers is geen sprake. Maar pas nu er «nationale belangen» op het spel staan, lijkt Den Haag te gaan schuiven.Aan deze omslag in de polder liggen ontwikkelingen op internationaal niveau ten grondslag. Energie is in toenemende mate een schaars en daarmee strategisch goed. In de onzekere wereld van na 9/11 met al haar oorlogen en conflicten en de opkomende grootmachten China en India stijgt de olieprijs razendsnel. Als klap op de vuurpijl gaf Rusland via zijn concern Gazprom onlangs Oekraïne en daarmee ook Europa een college «energiebeleid als geopolitiek instrument». Dit alles heeft nu zijn weerslag in de Europese energiesector. Behalve de Franse onderzoekt ook de Spaanse overheid de mogelijkheden om een overname van «haar» energiebedrijf Endesa door het Duitse Eon te verhinderen. Dat de Europese Commissie nog roet in het eten kan gooien, doet niet af aan het feit dat in veel hoofdsteden protectionisme op het menu staat.«Dit is iets wat al een tijdlang voorzien is door mensen die zich veel met energiebeleid bezighouden. Maar nu gaat het ineens om concrete maatregelen, niet langer om inschattingen of voorspellingen», zegt Bart Dunsbergen, secretaris van de Algemene Energieraad. Dit adviesorgaan van de overheid bracht in januari samen met de Adviesraad Internationale Vraagstukken een opzienbarend rapport uit. Belangrijkste conclusie: de nieuwe, onzekere internationale situatie met een almaar stijgende olieprijs dwingt Nederland om de energievoorziening tot een nieuw hoofddoel in het internationale beleid te maken. Als dit in het kader van Europa kan – in een deze week gepubliceerd document over het gemeenschappelijke energiebeleid oppert de Europese Commissie het idee van een importlimiet – is dat meegenomen. Maar zolang de EU treuzelt, moet Nederland niet schromen een eigen koers uit te zetten.In het rapport van de Energieraad wordt nog uitgegaan van twee scenario’s. In het ene zetten de globalisering en daarmee de mondiale concurrentie door, in het andere maken zij plaats voor krachtige staatsbemoeienis, nationalisme en geopolitiek. Die laatste variant lijkt zich op dit moment te voltrekken. «De grote landen bepalen nu hun beleid», meent Dunsbergen. «Het is belangrijk dat Nederland zich rekenschap geeft van deze ontwikkelingen.»Daar waar de Nederlandse energiediscussie zich tot nu toe voornamelijk richtte op de gevolgen voor het huishoudpotje, lijken geopolitieke overwegingen nu doorslaggevend. Bart Dunsbergen: «Marktwerking en wat voordelig is voor de consument is maar één invalshoek van energiebeleid. Nu komt er meer aandacht voor voorzieningszekerheid, bijvoorbeeld voor het belang van krachtige partijen om gas uit Rusland in te kopen.» Én leveringszekerheid én lage tarieven voor de consument dus. De politiek mag gaan worstelen met de vraag welke verhouding tussen markt en overheid daar het beste bij past. Partijwoordvoerders mogen dan bij hoog en bij laag volhouden dat zij hun huidige standpunt altijd al innamen, er is hoe dan ook een nieuwe situatie ontstaan. Daarbij is vooralsnog sprake van drie kampen. Tot het eerste, dat van de principiële vrije-marktdenkers, behoort minister Brinkhorst (d66). Door de splitsing blijft het energienet in publieke handen en is een betrouwbare energievoorziening voldoende gewaarborgd, is de gedachte. Dat Nederlandse bedrijven vervolgens opgeslokt worden door de grote Europese jongens maakt voor de consument weinig uit. Het is volgens de minister onvermijdelijk dat er op termijn slechts een handvol energieconcerns overblijft.Daar wensen de voorstanders van een «nationale kampioen» niet in te berusten. In de Volkskrant pleitte oud-eurocommissaris Frits Bolkestein (vvd) voor «de vorming van grotere entiteiten in Nederland – via allianties of fusies – zodat we Europees beter kunnen concurreren». In tegenstelling tot zijn eigen partij keert Bolkestein zich dan ook tegen splitsing. Overheid en bedrijfsleven moeten volgens hem gezamenlijk optrekken om voor leveringszekerheid te zorgen. Alleen zo kan Nederland «baas over eigen energie» blijven.Van de grote partijen schurkt het cda nog het dichtst tegen dit standpunt aan, al voelt Tweede-Kamerlid Jos Hessels zich het beste thuis bij het derde kamp, dat pleit voor meer publieke zeggenschap en tegen volledige privatisering. De discussie over nationale kampioenen gaat volgens Hessels pas spelen als er besluiten zijn genomen over splitsing en privatisering. «Als je de bedrijven gaat splitsen en ze zo kleiner maakt, hoef je het niet meer te hebben over nationale kampioenen. Als je niet splitst, krijgen we een heel andere discussie», aldus Hessels. In dat geval wil het cda wel nadenken over een nationale kampioen. Voorlopig concentreert Hessels zich op de splitsingsdiscussie. «Het principiële punt van het cda is dat de netten niet worden verkocht. We zijn alleen voor splitsing in het geval een bedrijf wil privatiseren. Maar als de energiebedrijven de keuze hebben en hun netwerk niet mogen verkopen, bedenken ze zich nog wel twee keer voordat ze privatiseren.» Naast het principiële punt noemt Hessels ook een praktisch bezwaar tegen splitsing. «We maken ons nog steeds zorgen over de kosten hiervan en de gevolgen voor de werkgelegenheid. Gelukkig komt hiernaar nu eindelijk een onafhankelijk onderzoek.»De andere grote partij in het kamp van privatiseringssceptici is de pvda. Maar in tegenstelling tot het cda zijn de sociaal-democraten wél voor splitsing en tegen nationale kampioenen. Tegelijkertijd wil de partij dat provincies en gemeenten hun aandelen in de energiebedrijven niet verkopen. «Bovendien», zegt Tweede-Kamerlid Ferd Crone, «moeten de aandeelhouders weer daadwerkelijk de zeggenschap over de bedrijven krijgen in plaats van het management. De concerns moeten zich vervolgens niet op het buitenland richten maar in Nederland investeren.» Bang dat de armlastige lokale overheden het vooruitzicht van een flinke smak geld niet kunnen weerstaan, is Crone niet. «Als je de koe verkoopt, ben je ook de uiers kwijt. Gemeenten en provincies die hun aandelen verkopen, ontvangen ook geen jaarlijks dividend meer.»De facto komt het pvda-standpunt daarmee redelijk overeen met dat van het cda: de overheid houdt haar troeven voorlopig in de hand en kan later altijd nog besluiten zich actief te bemoeien met de vaderlandse energiesector in Europees verband. Beide partijen mogen elkaars standpunt halfslachtig vinden, maar uiteindelijk zal ieder compromis tussen de zeer uiteenlopende partijen die zich in het debat roeren, uitkomen op een «hybride» oplossing: een beetje overheid en een beetje markt.Het kan ook moeilijk anders in een tijd waarin het marktdenken in toenemende mate onder druk staat, maar een breed gedeeld alternatief niet voorhanden is. En dat terwijl het niet voor het eerst is dat de politiek een middenweg in het energiebeleid zoekt die zowel de strategische belangen van de staat als de wensen van de consument dient. In het onzekere internationale klimaat van de vroege Koude Oorlog functioneerden de nutsbedrijven volgens een overgrote meerderheid helemaal niet zo slecht, ook vanuit liberale optiek. Dat lampje is bij de huidige generatie politici nog niet gaan branden.