media

Babel

Afgelopen week is me iets overkomen wat me behoorlijk aan het denken heeft gezet. Ik liet mijn studenten in het kader van een college over zachte journalistiek een artikel uit De Groene Amsterdammer lezen, ‘Twee Gucci-tassen, pas de problème’ van Marijn Kruk en Pepijn Vloemans over de filosofie van Gilles Lipovetsky en de consumptiemaatschappij.

Ze vonden het veel te moeilijk. Omdat ik daar verbaasd over was, stuurde ik een mail naar een aantal collega’s met de vraag wat zij ervan vonden. Een aantal van hen stemde met de studenten in. Te moeilijk. Een enkeling ging zelfs zo ver dat hij het vaag gelul noemde. ‘Ik verteer dit leesvoer niet’, schreef hij. Hiermee nam mijn verbazing slechts toe. Want ik vind het een goed stuk, vol interessante invalshoeken, met een boeiende rode draad en fraaie inzichten in onze samenleving. Ben ik gek, zijn zij het of zijn we het allemaal?

Week in, week uit en voor mijn gevoel steeds vaker word ik geconfronteerd met dit soort ‘misverstanden’. Zo krijg ik regelmatig wetenschappelijke artikelen op mijn bureau waarvan ik denk: jemig, moet dat nou? Ze zijn allemaal heel geleerd, goed onderzocht (wat bijna altijd wil zeggen: goed geteld, het kwantificeringsvirus beheerst onze academies), fraai voortgebouwd op eerder onderzoek enzovoort, maar zo saai, vol open deuren, zo weinig verrassend dat ik ze nauwelijks kan lezen. Daar komt bij dat de meerderheid van die artikelen geschreven is op een toon en in een taal waarvoor ik behoorlijk allergisch ben, dat logentoontje dat de wereld als doorzichtig voorstelt en met abstracties speelt als een kind met lego. Maar ik zie niks, niets anders dan die abstracties: taal zonder verwijzing.

Hier staat tegenover dat heel wat sociaal-wetenschappers zich suf ergeren, zo weet ik, aan de journalistieke (en ook mijn) neiging tot ‘anekdotisme’. Een verhaal is volgens mij pas zinnig als het, om het met de Franse historicus Marc Bloch te zeggen, ‘mensenvlees’ bevat. Abstracties zijn leuk, filosofieën mooi, theorieën noodzakelijk maar ik wil vooral iets zien, écht zien. Je moet vertellen, verhalen vertellen, het liefst over mensen. Show, don’t tell, zoals een van de regels van de journalistiek luidt. In de woorden van Alexander Pope: The proper study of mankind is Man.

Zo hebben we dus al drie tonen die elkaar min of meer uitsluiten. De filosofische à la Lipovetsky, een sociaal-wetenschappelijke en een historisch-journalistieke. Er zijn er zonder twijfel veel meer. Neem alleen al de filosofie. Lipovetsky is onmiskenbaar getekend door de Franse traditie die in de ogen van taalfilosofen en empirici een hoog bonbon-gehalte heeft. Daarentegen vinden heel wat Franse filosofen die Angelsaksische traditie plat als een dubbeltje. Zo kun je voortgaan. Babel.

In mijn studietijd, jaren zeventig, was het onder historici gebruikelijk om sociaal-wetenschappelijke of politicologische teksten te lezen waarin geprobeerd werd verschillende, complexe gebeurtenissen in één theorie te vatten. Het beste voorbeeld dat me is bijgebleven is Social Origins of Dictatorship and Democracy van de Amerikaanse socioloog Barrington Moore jr., een pil waarin het moderniseringsproces in een groot aantal landen wordt onderzocht. Het boek werd op onze Utrechtse faculteit zo’n beetje als bijbel beschouwd en door jongere historici dan ook steeds weer aangeprezen. Hun oudere collega’s – ik herinner me de wanhoop van hoogleraar nieuwe geschiedenis J.C. Boogman – moesten er niets van hebben. Wij kozen vanzelfsprekend de kant van de jongeren en verslonden Barrington Moore. Bij nader inzien kan ik dat niet meer begrijpen, terwijl ik me goed de vreugde van dezelfde Boogman kan voorstellen toen hij Norbert Elias ontdekte. Ook een socioloog, ook een theorie maar toch van een ander gehalte: vol mensenvlees.

Terug naar de studenten en collega’s van tegenwoordig. Wat ons parten speelt, denk ik, is dat er weinig of geen gedeelde grond is – we hebben zogezegd geen Barrington Moore meer. Op het eerste gezicht is dat niets dan een voordeel. Je kunt in je studie, je denken, je onderwijs eigenlijk alle kanten op. Er zijn geen richtingaanwijzers, geen grenzen en meestal zelfs geen wegen. Het nadeel van dit voordeel is dat het moeilijk is een standpunt te bepalen en dus ook moeilijk andere standpunten te beoordelen. Let wel, ik wil niet terug naar houvast, maar elk ontbreken ervan is misschien wel even problematisch. We leven in liquid times zoals Zygmunt Bauman zegt. Dat is prachtig als je stevige benen en ervaring hebt, maar onmogelijk als je nog moet leren lopen. Dan heb je houvast nodig, al is het maar even. Zo’n houvast moeten wij – opvoeders, docenten en misschien ook wel politici, bestuurders, journalisten – bieden. Maar hoe doen we dat als we het over alles oneens zijn? Niet dus, met als gevolg dat iedereen zo’n beetje het zijne doet. Babel.

Media

Babel