Babel op de veluwe

Marcel Möring, In Babylon. Uitgeverij Meulenhoff, 408 blz.. 375,00 (geb.), 355,00 (pap.)
EEN KRONIEK over een joodse familie, een ideeënroman met allegorische trekken en een griezelverhaal in één - Marcel Möring zet met zijn nieuwe roman In Babylon hoog in.

Hij heeft zich duidelijk laten inspireren door de joodse verteltraditie, met name door de wonderlijke midrasj-verhalen uit de Talmoed over kabbalistische wonderrebbes op weg naar een God die ze bijna fysiek liefhebben; over golems, reuzen, de doodsengel en allerlei andere figuren uit het schaduwrijk. Parallel aan deze mysterieuze geschiedenissen maakt Möring op allerlei momenten in zijn roman het schijnbaar onmogelijke mogelijk, geheel in overeenstemming met een van de grondtonen in het boek: niets is wat het lijkt.
Daarbij speelt Möring de kaart van zijn eigen (literaire) achtergrond. Zijn romandebuut Mendels erfenis (1990) ging over de ongelovige Mendel Adenauer, die zich met zijn joodse verleden en eigen opvattingen een vreemde weet in een christelijke wereld. Nathan Hollander, de sprookjesschrijver en hoofdpersoon uit In Babylon, heeft wel iets van hem. Hij, een scepticus, karakteriseert zichzelf als ‘iemand die er was zonder deel te nemen aan de gebeurtenissen’. Hij wantrouwt elk geloof, maar respecteert wel de rituelen omdat ze een vorm van zelfrelativering zijn. Evenals de tweeling Sam en Lisa en hun oudere broer Raph uit Het grote verlangen (1992) onderkent hij de bijzondere betekenis van de familie, al laat hij zich aan familiebanden nauwelijks iets gelegen liggen. Wat niet wegneemt dat het gemeenschappelijk verleden en de onuitwisbare herinneringen daaraan, bijeengehouden door zijn fabelachtige geheugen, het hoofdbestanddeel vormen van Mörings familieroman. Een boek dat oorspronkelijk was bedoeld als een biografie over zijn oom Herman, die testamentair vastlegde dat de schrijver in ruil zijn huis in Twente zou krijgen.
MORINGS roman zit vol smakelijke ingrediënten. Er zijn flarden uit het verleden van het geslacht Hollander, oorspronkelijk Levie, Litouwse joden die de naam van hun nieuwe vaderland gingen voeren omdat ze dat als een gidsland beschouwden. 'Een land zoals wij zelf waren, gepreoccupeerd met tijd en toekomst.’ Klokkenmakers zijn het, eeuwige tijdgenoten, wat Möring de gelegenheid geeft om zijn opvattingen over tijd en de relativiteit ervan te plaatsen.
Hun levens lichten op als sporen van vallende sterren. Sommigen lijken onsterfelijk. De oudste voorvaderen, Oom Chaïm en Neef Magnus, spoken nog steeds rond in Nathans hoofd, twee beckettiaanse schimmen vol komische kanten. Nathan is met zijn nicht Nina - mogelijk een dochter van zijn broer Zeno en zijn literair agente - de laatst overgebleven Hollander. Behalve hun naam delen ze de twijfel over hun werkelijke ouders en, tijdens het gedwongen samenzijn in oom Hermans huis, de ervaring van hun liefdesdaad in ijzige koude. Voor het eerst geeft Nathan zich volledig aan iemand, wat zijn onthechte bestaan doet wankelen. Maar uiteindelijk zal hij toch de wandelende jood blijven die hij altijd was.
Nathan zou niet raar opkijken als oom Herman, die het gezin in 1939 naar Amerika loodst, zijn eigenlijke vader was. Die overtocht naar het beloofde land, weliswaar ingegeven door de omstandigheden, past toch in de familietraditie. De Hollanders zijn reizigers. Zij kennen geen geschiedenis van ups en downs, maar van komen en gaan. In de Nieuwe Wereld werkt de vader, ingenieur van beroep, mee aan de ontwikkeling van de atoombom. Moeder kan er niet aarden, haar socialistische achtergrond speelt haar te veel parten. Het verwachte geluk blijft uit. Terug in Nederland valt het gezin uit elkaar. De ouders scheiden, vader keert terug naar Amerika, moeder blijft met de kinderen achter. Behalve Nathan zijn dat de dochter Zoë en Zelda, die eeuwig maagd zal blijven en het vroegwijze wonderkind Zeno. Op zijn tiende heeft hij al de hele wereldliteratuur op zak. Hij ontpopt zich tot betweter en wordt een messiaans warhoofd dat een sekte om zich heen verzamelt. In 1968 verdwijnt hij plotseling.
Het mag duidelijk zijn, er wordt heel wat bij elkaar gebracht en overhoop gehaald, niet in het minst aan symboliek. De joden als eeuwige reizigers, hun verstrooiing, de bijbehorende spanning tussen binding en onthechting, de liefde die, zelfs in de kilste omstandigheden, de mens ontdooit, de wijsheden die in sprookjes en parabels liggen opgesloten en tot groter inzicht leiden dan wetenschappelijk werk, het chaotische van elk menselijk streven - daar gaat het over. Het is veel, te veel. Zoals de bouwmeesters van de toren van Babel raakt de lezer nogal eens het zicht op het geheel kwijt. Met alle respect voor wat in deze ingenieuze en caleidoscopische roman is gepresteerd, hij maakt de indruk van een arrangement dat elegant uit de hand is gelopen. De verschillende verhaallijnen verstrengelen zich onvoldoende.
IN BABYLON begint met een klassieke vertellersopening, een aanwijzing dat het Möring meer om het vertellen dan om de structuur ervan gaat. Nathan en Nina - die elkaar overigens nauwelijks kennen - zitten vanwege een aanhoudende sneeuwstorm een paar dagen vast in het jachthuis. Nathans boek is af, hun isolement stelt hem in staat er uit voor te lezen. Na vijf jaar leegstand is het huis een spookpaleis geworden: gangen zijn gebarricadeerd, boven de trap hangt levensgevaarlijk een piano, en overal dichtgetimmerde deuren. Het tweetal vindt een onderkomen in de alchimistenbibliotheek, waar de wereld van de 'kaballa, filosofie, natuurkunde en theologie’ op hen neerkijkt. Een kelder vol proviand houdt de magen gestild. Alles wijst op een val. Door broer Zeno opgezet, is de suggestie. Door Nina bedacht en uitgevoerd, vermoedt de lezer. Logisch gezien is er geen andere uitweg. Möring blijft maar uitstellen. Dan blijkt dat horror een genre apart is. Deze verhaaldraad wil maar niet spannend worden.
Dat is anders in het slot. Voor het laatst toont Möring dan zijn hoofdrolspeler, als de vreemdeling die hij altijd was. Inmiddels is hij bijna een bewoner van het schaduwrijk. Nathan bevindt zich op vijandige grond, in het land van Kaïn, Israël, op de plek waar zijn moeder stierf. Als Prometheus staat hij aan de rand van de wereld en voelt zich dichter bij het begin dan ooit. Vervuld van haat jegens de mythe over de jood die het heft in handen neemt, over de joodse staat en de terugkeer. Zijn leven tolt door zijn hoofd. Alles heeft hij achter zich gelaten, een verlangen naar de schoot doet zich gelden. Zijn laatste woorden: 'Ik ben alleen gekomen, ik ga alleen weer weg.’ Heel aangrijpend.