Ritueel misbruik

Babylijkjes en andere gruwelen

Een door minister Grapperhaus ingestelde commissie gaat onderzoek doen naar georganiseerd satanisch kindermisbruik. Bestaat het? Kan iemand seksueel misbruik vergeten en het zich dan later herinneren? Een voorverkenning.

In 1987 sloeg het echtpaar Jonker, huisartsen in Oude Pekela, alarm na een eerste aangifte door ouders van georganiseerd seksueel misbruik van hun kind. Na verloop van tijd was het aantal jeugdige slachtoffers uit het dorp uitgegroeid tot ruim zeventig. Drie jaar later vertelde Yolanda uit Epe hoe haar ouders en haar broer samen met een aantal kennissen haar jarenlang misbruikten en hoe dat seksuele geweld gepaard ging met macabere rituelen als het doden van baby’s. Het Maandblad voor de geestelijke volksgezondheid wijdde destijds een editie aan beide kwesties. In het voorwoord stelde hoofdredacteur Arend-Jan Heerma van Voss dat de strijd tussen gelovigen en niet-gelovigen niet meer over het christendom ging maar over seksuele gruwelen.

Begin jaren negentig kwam er een tiental meldingen van ritueel misbruik binnen bij jeugdhulpverleningsinstellingen. Twee psychologen bevestigden op basis van onderzoek het bestaan van deze vorm van seksueel geweld in Nederland. Daarop riep staatssecretaris van Justitie Aad Kosto de werkgroep Ritueel Misbruik in het leven. Na verkenningen in het veld achtte de werkgroep ‘de kans gering dat de verhalen over ritueel misbruik in volle omvang op waarheid berusten’. Zij sloot niet uit dat die verhalen hedendaagse legenden waren die zich als een epidemie verspreidden door een netwerk van therapeuten en cliënten. De discussie luwde niet.

Een steeds terugkerend thema waarover de verschillende partijen de degens kruisten was het al dan niet bestaan van hervonden herinneringen. Kan iemand seksueel misbruik vergeten en het zich dan later herinneren? Heeft ál het seksueel misbruik dat mensen zich herinneren ook daadwerkelijk plaatsgevonden? En wat is de rol van behandelaars in dit mijnenveld van vergeten en hervinden? Toenmalig minister Els Borst vroeg in 2000 de Gezondheidsraad zich over deze netelige vragen te buigen. Vier jaar later presenteerde de raad het rapport Omstreden herinneringen. Een belangrijke conclusie: niet elke herinnering die tijdens therapie naar boven komt hoeft historisch juist te zijn. Ook stelde de Raad dat de nieuwste inzichten uit het geheugenonderzoek onvoldoende doordringen in de behandelkamer. De werkgroep Fictieve Herinneringen, een club van ouders die zich door hun kinderen ten onrechte aan de schandpaal genageld wisten, was tevreden. In een achteloze bijzin concludeerde het rapport dat de strijd over zijn hoogtepunt heen leek. Een vergissing, zo bleek.

Vanaf 2018 blaast het radioprogramma Argos die strijd nieuw leven in. Op basis van eigen onderzoek schaart Argos zich, schoorvoetend en met een slag om de arm, achter de gelovigen. Hoe moeilijk voorstelbaar ook, ritueel misbruik bestaat, concluderen de onderzoeksjournalisten. Alleen al op hun enquête kregen ze 140 reacties van respondenten die naar eigen zeggen slachtoffer waren van deze vorm van misbruik. De Argos-uitzendingen leidden tot Kamervragen van de SP en GroenLinks. Met algemene stemmen nam de Tweede Kamer een motie aan voor een onafhankelijk onderzoek naar georganiseerd ritueel misbruik van kinderen.

Minister Ferdinand Grapperhaus gaf de opdracht aan het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, maar dat retourneerde het karwei omdat de verhalen van therapeuten en slachtoffers niet op een methodologisch verantwoorde manier te verifiëren zijn. Daarop stelde Grapperhaus de Commissie Georganiseerd Sadistisch Misbruik van Minderjarigen in die voor de zomer met een plan van aanpak moet komen om dat misbruik in kaart te brengen. Volgend jaar zomer mag ze haar bevindingen presenteren. De vraag die op tafel ligt is dezelfde waarmee de werkgroep Ritueel Misbruik en de Gezondheidsraad de hei waren opgestuurd: bestaat ritueel misbruik? Een voorverkenning.

Ritueel misbruik

De term ritueel misbruik verwijst naar het herhaaldelijk, georganiseerd, systematisch en sadistisch misbruiken van mensen – variërend van zeer jonge kinderen tot volwassenen – op fysiek, psychisch, seksueel en emotioneel vlak. Dit misbruik zou plaatsvinden in een netwerk genaamd ‘de cult’ en gepaard gaan met bizarre rituelen als het drinken van bloed, het offeren van dieren en baby’s.

Brenda is een zogeheten overlevende. Wie haar vader is weet ze niet. Zolang ze zich kan herinneren misbruikte haar moeder haar samen met andere mensen uit ‘de cult’. ‘In een afgelegen boerderij maakten leden van het netwerk jonge meisjes zwanger. Op een offertafel waarop drinkbekers en omgekeerde kruisen lagen doodden ze baby’tjes. Ze haalden de ingewanden eruit en consumeerden die. Ons, kinderen, dwongen ze elkaar pijn te doen. Of ze gaven ons een mes, hielden onze handjes vast en droegen ons op een dier te doden.’

Christel Kraaij, klinisch psychologe, behandelt sinds 2008 vermeende slachtoffers van ritueel misbruik. Zij signaleert een paar rode draden in de verhalen van cliënten. Zo is er meer psychische ontregeling rondom de christelijke feestdagen, maar ook rondom seizoenswisselingen of bij volle maan. Cliënten maken vaak melding van onvrijwillige zwangerschappen, illegale abortussen en dode baby’s. Het is kenmerkend voor hen dat ze extreem ernstige klachten hebben, maar een leven leiden waarin niemand iets daarvan weet of ziet. Alsof ze bestaan uit een day child en een night child. De daders in het netwerk zijn bij Kraaij niet in beeld, maar wel hoort ze dat familie vaak een rol speelt. Een of beide ouders, een opa of oma.

Anne de Vries, emeritus predikant, is voorzitter van het Kenniscentrum Transgenerationeel Georganiseerd Geweld (tgg), een platform voor hulpverleners die betrokken zijn bij slachtoffers van ritueel misbruik. Hij stelt dat de daders soms aanhangers van het satanisme zijn, een beweging die haaks staat op het gangbare christelijke geloof. Satanisten hangen kruisen op hun kop, maken persiflages op de rooms-katholieke mis, dragen gewaden, reciteren bijbelteksten achterstevoren. Veelvoorkomende rituelen zijn: het afspelen van geperverteerde kinderliedjes, verkrachtingen op een omgekeerd kruis, het drinken van bloed, drogeren, het vermoorden van baby’s. Dat gaat gepaard met extreme dreiging, machtsuitoefening en geweld. De Vries: ‘Of ze zich nu satanisten noemen of niet, wat ze doen is duivelswerk.’

In 1983 klopt de dan 22-jarige Sonja aan bij haar huisarts vanwege de migraine die haar sinds haar veertiende teistert. De arts vindt geen medische oorzaak, vermoedt dat het psychosomatisch is en verwijst haar door. De psycholoog vraagt of ze seksueel misbruikt is. Sonja ontkent. De keer daarop is het geen vraag meer, hij weet het zeker. Dat maakt hij op uit allerlei symptomen. Na nog een consult bij een christelijk opvangcentrum met dezelfde diagnose op eenzelfde gedecideerde toon geeft Sonja er de brui aan.

Twaalf jaar later, in 1995, komt ze op een meerdaagse christelijke conferentie Harmen, de psycholoog van het eerste uur, weer tegen. ‘Hij bleef gedurende de conferentie bij mij in de buurt en bad veel met me. De vijfde dag werd ik wakker met een stem in mijn hoofd: “Zeg tegen Harmen dat Jolly met hem wil praten.” Als peuter was Jolly mijn denkbeeldige vriendinnetje. Ik ging naar Harmen toe en hij vroeg: “Wat wil jij zeggen Jolly?” Met een verdraaide stem antwoordde ik: “Papa heeft Sonja verkracht toen ze drie maanden was.” Ik kon het horen, voelen, maar niet stoppen. Na afloop vroeg ik Harmen of dit niet raar was. “Heb jij het verzonnen?” “Nee.” “Nou, dan is het dus waar.”’

Harmen legt Sonja uit dat een kind, wanneer het misbruik te gruwelijk is, identiteiten – alters of delen – afsplitst. Het ene alter bewaart de herinnering aan het trauma, het andere alter heeft er geen weet van. Sonja gaat bij Harmen in therapie en na de eerste sessie komen in rap tempo alters naar boven. Uiteindelijk staat de teller op 37. Ook de lijst met daders wordt langer en langer. Naast haar vader ook haar moeder, opa, tantes, ooms, de tandarts, een docent, een politieman. Harmen bestempelt haar tot slachtoffer van ritueel misbruik. De diagnose: meervoudige persoonlijkheidsstoornis (mps).

Terug naar het verhaal van Brenda. Begin jaren negentig, ze is zich nog niet bewust van haar traumatische jeugd, heeft ze een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. De gynaecoloog die de vrucht verwijdert, verbaast zich over het vele littekenweefsel in haar baarmoeder. Dit is duidelijk niet haar eerste zwangerschap. Voor Brenda is dit een grote schok. Ze krijgt herbelevingen van seksueel misbruik, draait door en doet een zelfmoordpoging. In therapie krijgt ze de diagnose dissociatieve identiteitsstoornis (dis), voorheen meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Brenda: ‘De therapeut had contact met verschillende alters en kon mij vertellen wat er gebeurd was.’

Nicole Nierop en Paul van den Eshof, beiden jurist en psycholoog, zijn verbonden aan de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (lebz), opgericht in 1999. Er woedde in die jaren een hevige discussie over de betrouwbaarheid van bepaalde verklaringen in gecompliceerde zedenzaken. De vraag was: kloppen deze beschuldigingen? Het idee achter de lebz is om deskundigen uit verschillende vakgebieden – een cognitief psycholoog, klinisch psycholoog, recherchepsycholoog en een zedenrechercheur – aan het eind van een uitgebreid opsporingsonderzoek om de tafel te zetten. Zij houden het onderzoek tegen het licht nog vóór er een verdachte is aangehouden, vóór de officier van justitie heeft besloten of de zaak naar de rechter gaat, en vóór de media er lucht van krijgen. Er is gekozen voor een multidisciplinair team, met deskundigen met mogelijk tegengestelde visies om tunnelvisie te voorkomen.

Nicole Nierop vertelt dat er in die ruim twintig jaar zo’n dertig politiedossiers met aspecten van ritueel misbruik aan de lebz zijn voorgelegd. Ze noemt twee zaken (niet uit het lebz-archief) die in de openbaarheid zijn gekomen. Zo was er de casus van een vrouw die zeker wist dat ze meerdere keren bevallen was. De baby’s waren vermoord en begraven in een bosperceel. Zij wist precies de plek aan te geven waar de lijkjes lagen. Vervolgens is daar gegraven, maar er werd niets aangetroffen. Daarop reageerde de aangeefster: ‘Dan heeft de cult de lijkjes kwijt gemaakt.’ Of er was sprake van een kelder onder een bepaald gebouw waar kinderen zouden zijn misbruikt. Na uitgebreid bodemonderzoek bleek dat er geen kelder zat. De reactie was: ‘Ja, nu je dat zo zegt: ik heb allerlei mannen met teilen met beton voorbij zien komen. Die kelder zal zijn dichtgestort.’

Anne de Vries van het Kenniscentrum TGG vindt het onbegrijpelijk dat de lebz nooit rituele kenmerken gevonden heeft. Overal waar een groep met regelmaat samenkomt ontstaan rituelen, zegt hij. Het zou verbijsterend zijn als groepen die kinderen dresseren voor prostitutie en porno die niet zouden hebben. ‘Als die rituelen zinvol blijken om een praktijk aan de gang te houden, worden ze geïnstitutionaliseerd en heb je te maken met ritueel geweld. Heeft de lebz daar geen oog voor? Het lijkt wel of de deuren en ramen dichtgaan op het moment dat het woord ritueel langs komt. Misschien is het te gruwelijk.’

‘Ik heb allerlei mannen met teilen met beton voorbij zien komen. Die kelder zal zijn dichtgestort’

Psychologe Christel Kraaij is vertrouwd met de scepsis ten aanzien van ritueel misbruik. Hoe ze die verklaart? Misschien is het inderdaad te weerzinwekkend. Of misschien ook omdat er onvoldoende bewijs is gevonden. ‘En dan kom je in de sfeer van: geloof je het of geloof je het niet. Er zijn hulpverleners die ervoor kiezen om te denken dat het niet bestaat, ik kies ervoor om te denken dat het wel kan bestaan.’

Het gaat niet om geloven of niet-geloven, stelt Paul van den Eshof, maar om de feiten. ‘Ons uitgangspunt is: je moet alles onderzoeken. Of het nu gaat om seksueel geweld in de kerk of incest of ritueel misbruik. Als iemand zegt een aantal keer zwanger te zijn geweest en een gynaecoloog constateert dat een zwangerschap onwaarschijnlijk, zo niet uitgesloten is, kan een tweede arts geraadpleegd worden. Is de uitkomst in beide gevallen negatief en zijn er daarnaast ook geen babylijkjes aangetroffen, dan is er een aantal niet op te lossen tegenstrijdigheden.’

Sonja smeekt Harmen, haar therapeut, om haar te helpen stabiel te worden vanwege haar twee jonge kinderen. Dat kan niet volgens Harmen. De alters zijn er klaar voor om hun verhaal te vertellen. Daarop breekt Sonja de behandeling af. Niet veel later stuit ze op een artikel van een psychologe, Dorine, over ritueel misbruik. Ze neemt contact op. Misschien kan ze bij haar in therapie. Dorine laat haar een vragenlijst invullen en zegt dan: ‘Ik kan jou niet helpen. Jij bent er zo erg aan toe, binnen de kortste keren pleeg jij zelfmoord.’ Ze adviseert opname in een psychiatrische kliniek. Sonja zoekt haar toevlucht bij een Amerikaanse christen en expert op het gebied van dis die op dat moment in Nederland is. Sonja: ‘Hij hield een hypnotische sessie van zeven uur met me waarin hij naar eigen zeggen 1,2 miljoen demonen verdreef en mijn delen (alters) integreerde. Daarna mocht ik wel bij Dorine in therapie. Ik kreeg meer alters en meer herinneringen aan misbruik.’

Brenda doet er zo’n zes jaar over om alle alters te leren kennen. Op een bepaald moment heeft ze er zestig. ‘In therapie kwam weleens een naam naar boven van een alter dat ik niet kende. Of ik vond in huis een briefje met een onbekend handschrift . Dat was dan van een nieuw deel.’

Christel Kraaij beschrijft hoe alters zich aandienen in haar spreekkamer. ‘Iemand treedt uit contact, er komt een alter op de voorgrond en ik vraag wie dat is. Of een cliënt zegt dat ze een mannenstem hoort. Ik informeer of zij er een beeld bij heeft en begrijpt waar dat deel voor staat.’

Hoewel DIS al tientallen jaren is opgenomen in de DSM-5: Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen, is de diagnose nog steeds omstreden. Volgens het traumamodel is dis een gevolg van vroegkinderlijk trauma. De persoonlijkheid van het slachtoffer splitst zich op in verschillende identiteiten, waarvan een aantal de ondraaglijke herinneringen en sensaties bewaart, ontoegankelijk voor andere alters. Volgens de alternatieve verklaring, het sociocognitieve model, zouden kwetsbare, suggestibele patiënten de stoornis ontwikkelen onder invloed van inbeelding, verhalen uit de media of therapie.

Rafaele Huntjens, hoogleraar experimentele klinische psychologie, gespecialiseerd in traumagerelateerde en dissociatieve stoornissen, zegt dat er over drie symptomen van dis weinig tot geen discussie bestaat: depersonalisatie, je hebt het gevoel dat je buiten jezelf staat; derealisatie, de omgeving komt je vreemd voor; en identiteitsverwarring, je weet niet precies wie je bent. Wél heerst er verdeeldheid over twee andere begrippen: identiteitswijziging, je bestaat uit verschillende, soms afgescheiden alters waartussen je switcht; en dissociatieve amnesie, het ene alter heeft een herinnering waarvan een andere alter het bestaan niet kent. Huntjens: ‘Uit mijn jarenlange onderzoek onder dis-patiënten, waarbij we gebruik maken van objectieve geheugentaken, blijkt dat er consistent overdracht van informatie plaatsvindt tussen de verschillende delen. Herinneringen zijn toegankelijk, ook trauma-gerelateerde herinneringen. Het is eerder zo dat mensen ervan overtúigd zijn dingen niet te weten dan dat ze daadwérkelijk dingen niet weten. Ik erken de beleving van de patiënt, maar versterk die niet. Vergelijk het met anorexia: de patiënt denkt dik te zijn maar is dun. Ook die perceptie respecteer ik, maar ik ga er niet in mee.’

Simone Reinders is pionier op het gebied van hersenonderzoek bij disen als neurowetenschapper verbonden aan King’s College London. Resultaten van haar onderzoek ondersteunen juist het traumamodel. ‘Personen met dis namen deel aan een studie die een hersenscan maakte in twee verschillende identiteiten. Iemand las beschrijvingen voor van een neutrale en een traumatische gebeurtenis uit het leven van de deelneemster terwijl de hersenscans werden gemaakt. Vooraf was gecontroleerd dat de traumatische gebeurtenis wel als eigen werd beschouwd door de traumagerelateerde identiteit maar niet door de zogenoemde neutrale identiteit. Die had hiervoor dus amnesie. De resultaten van dit onderzoek toonden aan dat als de deelneemster naar de traumatische gebeurtenis luisterde, het brein anders reageerde in de traumagerelateerde identiteit dan in de neutrale identiteit. Bij de laatste vonden we ook geen snellere hartslag of verhoogde bloeddruk. Dat bewijst dat de neutrale identiteit het trauma niet als van zichzelf ziet, maar de traumagerelateerde identiteit wel. Bovendien bestudeerden we de hersenstructuur. We keken specifiek naar de hippocampus, de plek waar het geheugen zetelt. Die is kleiner bij mensen met dis, net als bij mensen die ptsshebben opgelopen door vroegkinderlijk trauma.’

Ook over hervonden herinneringen zijn de verschillende partijen het al jarenlang oneens. Hoogleraar rechtspsychologie Henry Otgaar stelt dat er binnen kringen van academici en therapeuten ideeën circuleren over het geheugen die niet stroken met de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Er is geen bewijs dat herinneringen uit de eigen autobiografie onbewust verdrongen en weer hervonden kunnen worden.

Uit studies onder veteranen en slachtoffers van jappenkampen en concentratiekampen blijkt dat trauma’s beklijven in het geheugen. ‘De Amerikaanse psychologe Gail Goodman verrichtte onderzoek naar volwassenen die als kind waren misbruikt. Niemand was vergeten wat hem of haar was overkomen. Gebeurtenissen met zo’n emotionele lading blijven bij ons.’

Volgens Christel Kraaij zijn haar cliënten hun traumatische ervaringen inderdaad niet vergeten, maar is die informatie (nog) niet bewust toegankelijk. Brenda’s herinneringen zaten jarenlang in een laatje waar ze niet bij kon. Gelukkig maar, vindt ze. Was dat wel het geval geweest, dan zat ze hier niet meer. Dissociëren was haar overlevingsmechanisme.

Aanhangers van het sociocognitieve model houden de mogelijkheid open dat dis een iatrogene ziekte is, wat inhoudt dat de ziekte zou zijn ontstaan in therapie. Zeker cliënten die een grote fantasie hebben, vatbaar zijn voor suggestie of zoeken naar een verklaring voor hun problemen, kunnen in de behandelkamer fictieve herinneringen ontwikkelen. ‘Je ziet soms dat therapeuten een verband leggen tussen bepaalde symptomen’, zegt Nicole Nierop. ‘Subtiel en te goeder trouw, maar toch. Neem een cliënt met anorexia. De therapeut zegt dat vanuit de literatuur bekend is dat er een verband bestaat tussen anorexia en seksueel misbruik. Als zo’n cliënt niets heeft gezegd over seksueel misbruik is het gevaarlijk om dat te verkennen in een therapeutische setting.’

Maar hoe kunnen fictieve herinneringen de status van echte herinneringen krijgen? ‘Ook door suggestie’, zegt Henry Otgaar. Hij verwijst naar een beroemd experiment waarin onderzoekers proefpersonen aanpraatten dat ze als kleuter waren zoekgeraakt in een warenhuis. Ze vroegen hen zo veel mogelijk van die gebeurtenis op te diepen uit hun geheugen. In een volgend gesprek presenteerden de deelnemers die beangstigende dwaaltocht door het warenhuis als een autobiografische herinnering. Otgaar: ‘Als je kwetsbaar bent en je behandelaar suggereert dat uit jouw symptomen valt af te leiden dat je als kind seksueel misbruikt bent, ga je graven. Mensen zijn nu eenmaal gemotiveerd om een oorzaak te vinden voor hun klachten. Als ze niet op herinneringen stuiten, gaan ze het zich voorstellen, inbeelden. En die inbeelding kan zo sterk zijn dat het vervolgens daadwerkelijk een herinnering wordt.’

Rafaele Huntjens grijpt terug op een ander onderzoek onder mensen voor wie het zonneklaar was dat buitenaardse wezens hen in het verleden ontvoerd hadden. Terwijl ze deze hellegang uit de doeken deden, bleken ze extreme angst te ervaren, inclusief versnelde hartslag vergelijkbaar met ptss. ‘Het toont aan dat mensen een fictieve herinnering kunnen beleven als uitermate fysiek, reëel én traumatisch.’

Sonja maakt via een lotgenotengroep kennis met een vrouw die onder behandeling is bij ene Monique, pas afgestudeerd als psychologe. Ze gaat bij haar in therapie. Op donderdagochtend brengt ze de kinderen naar school, daarna vertrekt ze naar Monique. De volgende ochtend komt ze weer thuis. Ze blijft daar één nacht per week slapen, soms langer, om een opname te voorkomen. Bij Harmen waren haar eerste twee zwangerschappen naar boven gekomen. Bij Monique komen er herinneringen aan zeven zwangerschappen bij. Zes waren uitgemond in een abortus, de zevende in de geboorte van een tweeling. De cult had de jongetjes meteen na de geboorte bij haar weggehaald en gedreigd hen te misbruiken als ze niet zou meewerken.

Kraaij ziet dat haar cliënten bang zijn haar in vertrouwen te nemen en wijt dat aan mind control, een middel dat het netwerk inzet om te manipuleren. ‘Ze vertellen het slachtoffer wat ze moet doen. Ondertussen stellen ze haar systematisch bloot aan martelingen. Ze gaat op een gegeven moment overstag, zelfs als de opdracht mijlenver van haar afstaat. Als cliënten mij toch in vertrouwen nemen, kunnen ze daarna zo angstig worden dat ze teruggaan naar het netwerk om op te biechten wat ze me verteld hebben.’

‘Uiteindelijk namen mensen uit de cult me niet meer mee, ze lieten alleen nog een briefje achter of een onthoofde kraai’

Als kind is Brenda gehersenspoeld. Mensen uit de cult martelden haar. Tegelijkertijd lieten ze de telefoon drie keer rinkelen en spraken haar aan met een nieuwe naam. Daarop splitste een nieuwe, collaborerende alter, zich af. ‘Wanneer dan later de telefoon drie keer afging werd dat alter actief, nam contact op met de cult en kreeg een adres. Eenmaal daar misbruikten ze ons.’ Brenda is twintig jaar in therapie. Naarmate ze meer vooruitgang boekt en de alters verder integreren komen er nieuwe herinneringen boven. Het schokkendst voor haar was de ontdekking dat ze medeverantwoordelijk is voor de dood van een paar van haar eigen kinderen. ‘Ik ben tussen mijn twaalfde en mijn negentiende negen keer zwanger geweest. Sommige baby’s zijn geaborteerd, andere vermoord. De cult heeft mij medeplichtig gemaakt door een mes in mijn hand te duwen. Met mijn hand in de hunne staken de daders in op een van mijn kinderen. Ik was hun instrument.’

Anne de Vries van het Kenniscentrum TGG stelt dat het overgrote deel van de hulpverleners met stijgende verwondering naar de steeds duisterder wordende verhalen luistert. Soms begint het gesprek met geloofs- of relatieproblemen. Pas gaandeweg wordt duidelijk dat er sprake is van satanisch ritueel misbruik. Herkenbaar vindt Christel Kraaij: ‘Cliënten onthullen stukje bij beetje hun ervaringen. Als ze merken dat hun verhaal me niet afschrikt, ze me kunnen vertrouwen, durven ze zich meer te openen.’

Als behandelaar brengt Kraaij als eerste de samenwerking tussen de verschillende delen op gang. Ze vraagt niet wat er allemaal gebeurd is in het verleden, ze richt zich op het dagelijks leven. Kan dat ene alter zien dat ze therapeut is en niet iemand van het netwerk? Begrijpt het dat het in een spreekkamer zit en niet in een martelkamer? In de tweede fase volgt het ordenen en verwerken van de trauma’s en ten slotte gaat het om het vinden van een nieuw evenwicht.

Volgens hoogleraar psychologie Rafaele Huntjens blijkt uit nieuw Noors onderzoek dat deze behandeling, die in Nederland vaak tien tot vijftien jaar duurt, de dissociatieve klachten niet vermindert. Het bewezen effect is er niet, zegt Huntjens.

Gezien de ernst van het misbruik is het aantal slachtoffers dat aangifte doet extreem laag. Zeker als je, zoals Anne de Vries, schat dat er sprake is van duizenden overlevenden. Sinds 2013 waren er zegge en schrijve vier aangiften. Christel Kraaij begrijpt dat wel. Ze ziet hoe zwaar de gang naar het politiebureau voor haar cliënten is. Slachtoffers van ritueel misbruik ervaren het doen van aangifte als onveilig. ‘Het lukt hun bij ons al niet hun hele verhaal te vertellen, laat staan bij een vreemde. Ik gun mijn cliënt veiligheid. Een passender ingang lijkt de afdeling mensenhandel. Zij hebben veel kennis over hoe een netwerk opereert. Zij onderzoeken een casus zonder nadruk te leggen op aangifte.’

Paul van den Eshof van de lebz roept slachtoffers op juist wél aangifte te doen. Anders blijft zo’n verhaal ongetoetst en wordt het een therapeutische werkelijkheid. En dat heeft verstrekkende gevolgen, zowel voor de cliënt als voor degenen die de zware beschuldigingen aan hun broek krijgen. Nicole Nierop schetst het verloop van veel verklaringen in de zaken die de lebz in de loop van de tijd heeft bestudeerd. ‘Het verhaal begint vaak klein en wordt geleidelijk aan steeds extremer. Je ziet dat het netwerk gestaag groeit, zich uitbreidt tot de elite: een arts, een notaris, een schooldirecteur. En soms, wanneer een rechercheur tijdens de aangifte kritische vragen stelt, ook tot de politie.’ Brenda weet uit ervaring hoe moeilijk het is om aangifte te doen. Halverwege brak ze het traject af. ‘Politiemensen kon ik niet vertrouwen. Zij hoorden tot degenen die mij pijn deden. Ik was bovendien bang dat ze me niet zouden geloven.’

Alle onderzoek ten spijt is er nooit enig bewijs gevonden voor ritueel misbruik. Wonderlijk, vindt Paul van den Eshof, gezien de verhalen waarbij sprake is van grote netwerken, langdurig seksueel geweld, talloze vermoorde kinderen. Logischerwijs zou de kans op bewijs moeten toenemen naarmate het netwerk uitgebreider is, langer opereert, er meerdere slachtoffers en getuigen zijn.

Kraaij weet dat veel rechercheurs, wetenschappers, maar ook therapeuten ritueel misbruik om die reden naar het rijk der fabelen verwijzen. Is er geen bewijs omdat het niet bestaat? Of is er geen bewijs omdat slachtoffers zo beschadigd zijn dat ze geen consistent verhaal kunnen vertellen? En als details niet kloppen, is dan het hele verhaal ongeloofwaardig? Kraaij: ‘Ik betwijfel of de verhalen tot in de finesses kloppen, maar ik geloof niet dat je iemand een gebeurtenis, laat staan een reeks gebeurtenissen kunt aanpraten.’

Anne de Vries gaat ervan uit dat iemand die met hem over ritueel misbruik praat de waarheid vertelt. Een complicerende factor is dat daders erop gebrand zijn om de verhalen van de slachtoffers ongeloofwaardig te maken. ‘Zij planten onbetrouwbaarheden in de herinnering van een overlevende. Die vertelt dan dat zij seks met Satan had. Dat klinkt dubieus. De daders hopen daarmee ook de rest van het verhaal te ontkrachten.’

Door de samenwerking van bepaalde alters met het netwerk gaat het misbruik soms door wanneer iemand in therapie is. Dat was het geval bij Brenda. ‘Achteraf bleek dat alters alles wat ik in de behandelkamer besprak doorspeelden naar de cult. Pas na het deprogrammeren namen die delen geen contact meer op met het netwerk. Zeven jaar geleden is het fysieke misbruik gestopt. Daarna kwamen nog een jaar lang mensen uit de cult langs. Ze namen me niet meer mee, lieten alleen nog een briefje in de brievenbus achter of legden een onthoofde kraai in de tuin.’

Wanneer je als therapeut weet dat het misbruik doorgaat, dan moet je toch iets ondernemen, vindt Paul van den Eshof. Als je er heilig van overtuigd bent dat er netwerken bestaan die kinderen stelselmatig martelen en vermoorden, kun je toch niet rustig op je handen blijven zitten?

Voor Christel Kraaij is doorslaggevend dat haar cliënten niet geneigd zijn iets te ondernemen. En als therapeut heeft ze te weinig concrete feiten in handen. Bovendien wil ze zich in eerste instantie bezighouden met het losweken van de cliënt van het netwerk en niet met het oprollen daarvan. Dat is niet haar vakgebied en daarvoor klopt een cliënt niet bij haar aan.

Bij Brenda kwam pas in een laat stadium het bewustzijn dat ze moest voorkómen dat de cult nieuwe slachtoffers zou maken. ‘Ik leefde zo in angst en was zo gedissocieerd. Voor mij is het vertellen van mijn verhaal een belangrijke stap.’

Er is nog een tweede categorie slachtoffers voor wie het vertellen van hun verhaal een belangrijke stap is. De zogenaamde retractors of ‘herroepers’. Hoogleraar rechtspsychologie Henry Otgaar onderzoekt waarom mensen terugkomen op hun herinneringen aan ritueel misbruik. ‘Ze pakken hun agenda of een dagboek erbij, maken een tijdlijn en komen tot de conclusie dat een of meerdere zwangerschappen niet te verenigen zijn met school of werk in die jaren. Ze vinden geen bewijs voor tien bevallingen. Geen medische dossiers, geen foto’s. Of ze laten zich overtuigen door literatuur van geheugenwetenschappers.’

Anne de Vries heeft zo zijn twijfels bij herroepen herinneringen: ‘Ik heb ervaring met een retractor die zei alles verzonnen te hebben. Maar hoe betrouwbaar is een retractor? Ik zag symptomen die er onmiskenbaar op wezen dat ze slachtoffer was van satanisch ritueel misbruik.’

Sonja raakt op een gegeven moment in gesprek met de enige andere cliënte van Monique. Ze willen hun traumatische herinneringen naast hun dagelijkse handel en wandel op een tijdlijn plaatsen. Was het mogelijk dat ze dat allemaal tegelijkertijd meegemaakt hadden? Zaten er daarvoor niet te weinig uren in een dag, te weinig dagen in een week? Monique raadt het hun ten zeerste af. Het zou gevaarlijk zijn, hen nodeloos onrustig maken. Sonja en haar medecliënte gehoorzamen, maar de twijfel blijft. Een paar maanden later stopt Sonja met therapie. Om een helder hoofd te krijgen bouwt ze al haar medicijnen af, ze verbiedt haar man en kinderen om met haar alters te praten, verbreekt vriendschappen met andere overlevenden, houdt op met lezen over dis en ritueel misbruik en stapt uit e-mailgroepen.

‘En ik besloot die tijdlijn te maken’, zegt ze. ‘Nou, toen was het snel bekeken. Na een paar uur was ik eruit. Op mijn achttiende zat ik in een bijbelstudiegroep waarmee ik ook volleybalde en strandwandelingen maakte. Daarnaast werkte ik in een bejaardencentrum en deed ik eindexamen havo. Een vol dagprogramma. Bovendien waren in die tijd loeistrakke broeken in de mode, toch had niemand gezien dat ik zwanger was. Mij restte maar één conclusie: ik was nooit zwanger geweest. Ik was nooit bevallen van een tweeling. Die herinnering klopte niet. Maar hoe zat het dan met de andere herinneringen? Die waren op dezelfde manier tot stand gekomen. Die klopten ook niet. Ik was misleid, had mezelf misleid. Negen jaar lang. En de migraine waarmee het allemaal begon bleek hormonaal. Die verdween vanzelf na de overgang.’

Christel Kraaij doet naar eigen zeggen niet aan waarheidsvinding. Ze is therapeut, geen detective. Wel beschouwt ze de samenwerking met de afdeling mensenhandel als een belangrijke stap voorwaarts. Voor Paul van den Eshof en Nicole Nierop is waarheidsvinding juist hun corebusiness. En dat de werkelijkheid gruwelijk kan zijn weten ze als geen ander. Je kunt het zo gek niet bedenken of ze hebben het voorbij zien komen: serieverkrachters, pedonetwerken, kinderporno, kinderprostitutie, perverse handelingen, sadistische moorden. Maar ritueel misbruik? Nee. Nooit een spoor van bewijs gevonden. Van den Eshof herhaalt het nog maar eens: het gaat niet om geloof, het gaat om de feiten. En die spreken boekdelen.


De citaten van een aantal gesprekspartners komen uit het ruwe interviewmateriaal voor de documentaire Niets is wat het lijkt. De namen van de therapeuten van Sonja zijn gefingeerd. Dit artikel kwam tot stand mede dankzij een bijdrage van Fonds 1877