Babylon, zie: hoer

DE ROMAN IS al ver gevorderd wanneer het Babylon van de titel ter sprake komt, positief, als vervulling van een droom - de roman is van 1927, toen het nog denkbaar was die droom in een stad als Marseille te laten uitkomen. ‘We hebben een provincie van grijsheid en verveling ingeruild voor een gewest van liefde en vuur. Dus hebben we terrassen nodig, terrassen om overheen te kunnen wandelen, om ons in het volle licht en in volle droom te kunnen baden. Terrassen, en ook, ja waarom niet, hangende tuinen rondom het huis, en dan zouden we het verblijf Babylon kunnen noemen. Babylon. Wat zeg je daarvan, Alfredje?’

De Alfred die wordt aangesproken is een voormalige rechter. Kortgeleden is hij verleid door de moeder van zijn verloofde. Een en ander maakte deel uit van een drastische verandering in het leven van de zestigjarige echtgenote van een befaamde psychiater. Zij wilde zich geen oma maar alleen nog maar Amie laten noemen toen zij brak met een ‘tijdperk zonder kleur’, haar haar afknipte en geel liet verven, om er vervolgens met haar edelachtbare minnaar vandoor te gaan. Na een wereldreis is zij in Marseille aangekomen, waar ze meteen haar ex-echtgenoot kan begraven. Onder het voorgeschreven zwart draagt zij net genoeg lilazijden lingerie. 'Op de fosforescerende zeebedding spreidt de stad des vlezes haar benen. (…) Amie schrikt niet meer van de rimpels die haar gezicht doen invallen, en vergeet naar de kapper te gaan voor haar wekelijkse verfbeurt. Waarom zou ze, het universum heeft zijn ritme hervonden: de begeerte.’
MARSEILLE BLIJKT de thuishaven van meer paren, waarvan de vrouwen, zoals de keukenmeid het formuleerde, 'er steeds vandoor gaan met de man die ze niet mogen hebben. En de jonge mevrouw heeft het nakijken… Zo is de liefde.’
De jonge mevrouw, de dochter van de psychiater en Amie, zag in het begin haar echtgenoot ervandoor gaan met het nichtje Cynthia, dat uit Engeland voor een logeerpartij was overgekomen. Aan de betovering van de mooie Cynthia met haar vlammende bos rood haar en haar grijze ogen ontkomt niemand. Zij belichaamt de vrijheid en steekt iedereen aan. Voordat ze van Londen naar Parijs reisde was Cynthia door een man zonder gezicht in haar hotel van haar maagdelijkheid afgeholpen. Bovendien kreeg ze van hem nog een dromenkoffer, waaruit zij nadien op reis met haar minnaar menig aangenaam uurtje putte. Crevel (1900-1925) was in 1922 degene die de eerste lichting surrealisten liet kennismaken met hypnose en spiritisme, waarschijnlijk nog zonder middelen.
Een kamermeisje volgt het voorbeeld van Cynthia en raakt aan de petroleum verslaafd. Ze gaat er met de tuinman vandoor met medeneming van wat kostbaarheden, zoals een armband vervaardigd uit de haren van niemand minder dan keizerin Eugénie.
Getuige van al deze losbandigheden is de kleindochter, de hoofdpersoon in zoverre de schrijver alles namens haar vertelt. Zij is 'het kind dat vrouw wordt’, en verrukt denkt zij aan haar vader en zijn Cynthia als Meneer Mes en Juffrouw Vork. Al even gemakkelijk leeft zij zich vervolgens in de dromen van haar grootmoeder in; Crevel noemt dromen niet voor niets 'kindbeschermend’: kinderen, verliefde vrouwen, dromen en wit poeder horen tot dezelfde sfeer.
OP DE EERSTE bladzijde vraagt een klein meisje aan haar moeder: 'Wat is de dood?’ De moeder 'die sinds ze de dertig passeerde berust in de meest grijze en nutteloze aller deugden’, antwoordt met een platitude, waarop het meisje reageert met: 'O, ik snap het. De dood, die lijkt op nicht Cynthia. Cynthia: al voor ik haar ontmoet had dacht ik alleen nog maar aan haar.’ Als de grootvader Cynthia een hoer noemt, zit het meisje met een dubbele vraag: 'Wat is de dood? Wat is een hoer?’ De grootvader is een positivistische wetenschapper die de grijze rede vertegenwoordigt; hij heeft een onwankelbaar vertrouwen in zijn theorie over zwamdaden, alle daden die even weinig redelijke gronden hebben als zwammen. Wanneer zijn muizige dochter twee keer achter elkaar door een vrouw uit de familie bestolen is - de eerste keer pikt haar nicht Cynthia haar man af, de tweede keer haar eigen moeder haar kersverse verloofde - spreekt de psychiater haar aldus toe: 'Dat is de paradox van onze beschaving. Je moet een examen afleggen om auto te mogen rijden, en elke willekeurige holle droom eist ongestraft de volle en algehele vrijheid van gevoelsleven op. Zo kunnen schepsels die een reëel maatschappelijk gevaar vormen hun funeste gaven ongehinderd ontplooien. Door hun toedoen veranderen de meest achtzame huishoudens in Babylon, en geen preventie is denkbaar.’
Het woordenboek verwijst onder Babylon naar de hoer van Babylon, zie bij hoer. De ironie wil dat als de oude heer in Marseille/Babylon begraven is, zijn graf de veiligste bewaarplaats blijkt voor het witte poeder dat de geest van Amie verruimt.
Tussen de bedrijven door heeft de verstokte positivist zijn dochter uitgehuwelijkt aan een missionaris, een dwerg die de weldaden die hij nu de wilden in Afrika bezorgt voorheen in de onderwereld verrichtte. Ook dit paar gaat op wereldreis en belandt aan het eind eveneens in Marseille. De zwarte godsdienstleerlinge die de missionaris meebrengt, een negermeisje dat al op haar elfde moeder werd, ontpopt zich in Babylon als 'zwarte jongere zus van Cynthia, van de petroleumdrinkster, van Amie, van de Vorstin, van de wandelende jodinnen van de liefde…’ De dochters van Eva die zich aan het burgerlijk keurslijf ontworstelen, sommigen na een leven van eindeloos wachten, worden in Babylon al evenzeer geïdealiseerd als de edele wilden uit Zwart Afrika en de viriele matrozen in de haven. Godin van de bevrijdende liefde is en blijft Cynthia, die de anderen voorgaat in haar besluit te gaan leven.
TOT HET MOMENT dat de stad des vlezes gul haar benen spreidt en de bevrijden zich gulzig aan hun kunstmatig paradijs verlustigen, is de roman een sprookje. Dan maakt zich uit het Babylonische visioen een tweede boek los. Werd het verhaal tot dusver namens 'het meisje dat vrouw werd’ verteld - een naam krijgt ze niet -, als 'kindvrouw’ ontstijgt zij de levenslustige vertelling. De Engelse nicht wordt opgehemeld in het hoofdstuk 'De stad des vlezes’: 'Ster van de rosse Cynthia, hemellichaam van zwavel en liefde, daarginds, heel ver weg, verder en hoger dan de horizon, boort de vrijheid een onontkoombaar tochtgat in de universele leugen.’
De onschuldige kindvrouw gaat verder dan haar idool; en als zij ten slotte vrouw wordt, gaat ook de stijl in de overtreffende trap over: 'Kindvrouw, je zult voortgaan tot de uiterste schaduw en de uiterste zon (…) Negatief en immaterieel zul je worden, uitsluitend om te zien en te oordelen, zonder te zijn, zelf gezien noch beoordeeld.’ Onverschillige triomf heet haar hoofdstuk: de kindvrouw overwint de onverschilligheid, dat wil zeggen 'een triomf van de pantheïstische eenheid’ waarbinnen verschillen er niet meer toe doen. De kindvrouw ontstijgt het aardse tranendal, de stad des vlezes inbegrepen.
Een merkwaardige wending: terwijl Crevel tot dan een vrolijk verhaal vertelde met sprookjesachtige zinnen en verrassende vergelijkingen, krijgt hij eenmaal in ijlere sferen ook stilistisch de hoogte.
Niet iedere lezer zal hem dan nog kunnen volgen. Op de laatste pagina’s, waar de kindvrouw boven tijd en ruimte, zelfs boven alle zinnelijke aanvechtingen verheven wordt, geeft Crevel zich voluit over aan de vrije associaties die het literaire surrealisme later zo ongenietbaar zouden maken. Op het eind, zo zou je het ook kunnen formuleren, wint het pretentieuze surrealisme het van het anarchistische dada.