Babylonische spraakverwarringen

Nog tot en met 16 juni (wo t/m za 20.30, zo 14.30 uur) in Autosloperij Jan Smit, Westzaan. Inl.: 075-6310231.
Als alles bijna voorbij is, zien de witte putten tussen ons en de acteurs er opeens uit als graven vol ongebluste kalk, waar de slachtoffers van de tragedie bijna achteloos in zijn gegooid. Het koor van de Fenicische vrouwen joelt. De stemmen van de overlevenden klonken die laatste minuten nog uitsluitend via elektronische versterkers. Het leed leek groter dan de menselijke stem kon bevatten. De kleine Antigone - een kind nog, onschuldig, wijs - voorspelt de dood van haar vader Oedipus in een ver ballingsoord. Op de gezichten van de protagonisten ligt een glimlach bestorven. Sterven lijkt voor hen de verlossing uit een gruwelijk, eindeloos lijden.

Eerder, veel eerder in de voorstelling Fenicische vrouwen, was de burgeroorlog van Thebe nog op haar hoogtepunt. Tegenover elkaar stonden de twee zonen van Oedipus. Eteokles heerst over de stad, Polyneikes komt zijn recht opeisen.
Eteokles: ‘Wij laten ons geen eisen stellen, ik blijf wonen in mijn huis.’
Polyneikes: 'En je houdt het grootste deel?’
Eteokles: 'Je hoort het. Dus verdwijn uit het land.’
Polyneikes: 'O altaren der vaderlijke goden.’
Eteokles: 'Die jij verwoesten komt!’
Het is een dialoog tussen doven. Iokaste, de moeder, hoort haar zonen wanhopig aan. Ze ziet ze hun politiek recht bevechten vanuit hys terisch eigenbelang. Ze voelt de grond van haar staat onder de voeten van haar eigen kinderen wegzakken. En ze kan niets meer doen.
Fenicische vrouwen is een overrompelend moderne tekst, over de zwarte achterkant van 'ik heb het juiste met de mensen voor’. De hoofdrolspelers in deze tragedie van Euripides, een lang voor onspeelbaar gehouden stuk, zijn dronken en hysterisch uit op hun gelijk. Ze hoeven maar om zich heen te kijken om te zien hoe dwaas dat Grote Gelijk is geworden. Maar die vaardigheid hebben ze niet meer.
De Fenicische vrouwen - vreemdelingen, allochtonen, zo u wilt - zijn op doorreis en laten zich ophouden om menselijk onvermogen te observeren. Wij kijken met hen mee. Twee vechtende jongens, een vredestichtende moeder, de dochter die het lot van haar stad boven haar eigen toekomst stelt, de nieuwe heerser die almaar harder wordt, zijn zoon die zich opoffert, de ex- vorst die geen leed meer kan zien omdat hij zichzelf de ogen heeft uitgestoken. De Fenicische vrouwen kijken en geven commentaar.
In de voorstelling is het koor opgesplitst in twee groepen: zes zangeressen, acht acteurs en actrices uit een smeltkroes van culturen. Ze zingen en spreken de commentaren in opzwepende ritmes naar een Babylonische spraakverwarring toe. Tussen hen in staan de hopeloze protagonisten. Tijdens de ruzie tussen de zonen probeert moeder Io kaste een verzoenende grimas vast te houden. De verbannen zoon Polyneikes oreert met zijn handen in de zij, met zijn in legerkistjes gestoken voeten vast op de grond. Zijn broer, de heerser Eteokles, neemt precies dezelfde pose in. Maar eerder koket, de handen nonchalant op de heupen geplaatst. Hij wil nog wel luisteren, maar de argumenten maken hem niet zoveel meer uit.
Het is een hopeloze, schrijnende, prachtig gespeelde scene, vol tegenstrijdigheden. Ze doet pijn aan de ogen. Die mensen houden van elkaar, ze willen iets. In hun geest brandt moordlust, in hun ziel leeft het verlangen om hun staat, hun samenleving op de een of andere manier in stand te houden. En je weet dat het allemaal niet gaat lukken.
Fenicische vrouwen is geregisseerd door Johan Simons en Paul Koek - beter gezegd: georkestreerd. Hier staat een orkest, niet zozeer individuele prestaties van acteurs. Natuurlijk is Piet Arfeuille prachtig in de rol van Kreon. Maar als hij in de slotsce
ne twist met Antigone - over het wel of niet begraven van Polyneikes, Sophocles’ tragedie Antigone in een notedop -, dan wordt een wereldbeeld geschapen, geen theateranekdote.