Bach hoort ook bij mijn voorouders

De essays van Teju Cole zijn een indrukwekkende weerspiegeling van een beweeglijke en kritische geest. Het werk van een geboren reiziger en een geboren rommelaar; van iemand met een grote gave voor bewondering.

Vanaf de eerste regel van het voorwoord van Known and Strange Things is duidelijk met hoeveel genoegen Teju Cole zijn eigen pretenties cultiveert. Hij schrijft: ‘Telkens als ik in een winkel sta om een nieuwe pen uit te proberen, schrijf ik de eerste woorden van Beowulf in de vertaling van Seamus Heaney.’ Een ware drietrapsraket: het beeld van de serieuze schrijver die voelt hoe een pen hem in de hand ligt én Beowulf én famous Seamus. Alsof hij zich geen moment heeft kunnen inhouden om een paar treden boven de lezer te gaan staan. Dat zoiets op je zenuwen werkt mag vanzelfsprekend zijn, maar ergens heeft de ongegeneerde intellectualistische ambitie die ervan afstraalt ook wel iets fris.

De rest van het voorwoord besteedt Cole grotendeels aan het navertellen van een grap. Aan het half navertellen daarvan, beter gezegd, want uiteindelijk laat hij de lezer bungelen in het luchtledige, hunkerend naar een verlossende punchline die, je moet jezelf er even van vergewissen, toch echt niet komt. Wat het geheel echter onbedoeld weer buitengewoon grappig maakt is dat Cole in zijn gespeeld nonchalante ernstigheid de mop toeschrijft aan de Britse schilder Lucian Freud, terwijl het in werkelijkheid om een beroemde grap van diens broer gaat, de tv-maker, politicus, schrijver (en postuum van seksueel misbruik beschuldigde) Clement Freud. Maar het effect, ongetwijfeld door Cole beoogd, is er niet minder om: de hunkering naar die punchline levert behalve het knagende gevoel slachtoffer te zijn van literair machtsmisbruik ook precies het soort honger naar meer op waarmee je een boek graag begint. En dat meer biedt Cole hoe dan ook, in overvloed.

Large gettyimages 450488854
Teju Cole – ‘Of je nu een kind bent dat over straat loopt, of een professor die zijn sleutels is kwijtgeraakt: je bent altijd in de eerste plaats een zwart lichaam’ © Rob Stothard / Getty Images

Cole, geboren in Kalamazoo, Michigan, als kind van twee internationale studenten, maar al na vijf maanden met zijn moeder teruggegaan naar haar geboorteland, groeide op in Lagos. De enige halve Amerikaan in een verder volledig Nigeriaans gezin. Het sprak voor zich dat hij na zijn middelbareschooltijd in Amerika zou gaan studeren, en wat anders dan medicijnen? Maar eenmaal terug in zijn geboorteland hield hij die studie al gauw voor gezien. Economische perspectieven be damned: hij ging kunstgeschiedenis studeren. In 2011 vergaarde hij internationaal bekendheid met zijn roman Open City. (Het succes zorgde ervoor dat zijn in Nigeria verschenen debuut uit 2007, Everyday Is for the Thief, in 2014 opnieuw werd uitgegeven.) Open City volgt een wat zelfingenomen en ironieloze Nigeriaanse arts in opleiding, Julius, die een verbroken relatie verwerkt en door New York en Brussel struint en hier en daar een praatje aanknoopt. Cole’s sebaldiaanse stadswandelingproza – zijn relatie tot de Duitser bevindt zich ergens op het raakvlak van bewondering, eerbetoon en imitatie – werd met open armen ontvangen.

De basis van Known and Strange Things, in vertaling uitgekomen als Vertrouwde en vreemde dingen, zou oorspronkelijk worden gevormd door de stukken die Cole als fotografiecriticus voor het magazine van The New York Times schreef. De opname van de overvloed aan bijdragen die Cole de afgelopen jaren aan andere media leverde, over sterk uiteenlopende onderwerpen, maakt dat die kern nog maar een bescheiden rol speelt. In de bundeling gaat het nu ogenschijnlijk over zo ongeveer alles wat hem de afgelopen tien jaar heeft beziggehouden, onderverdeeld in ‘lezen’, ‘kijken’ en ‘zijn’. Er zijn de beschouwingen die in de eerste plaats over visuele cultuur, fotografie of beeldende kunst gaan, essays en besprekingen van leven en werk van schrijvers en dichters, en ten slotte dat wat daarbuiten valt: in de meeste gevallen essayistische reportages en reflecties.

Al lezende wordt duidelijk hoe gekunsteld zulke categoriseringen dikwijls zijn. Fotografie komt terug in de stukken over literatuur en andersom, Cole vertelt over reiservaringen in beschouwingen over fotografie en laat zelden een gelegenheid onbenut om dat waarover hij schrijft in een maatschappelijke of politieke context in te bedden. Alles is politiek, en de genres en fascinaties bloeden voortdurend in elkaar over.

Cole eist het recht op zich op zijn eigen voorwaarden tot de wereld te verhouden

De omvang en complexiteit van Cole’s gaven – alsook zijn grootste zwakte, de manier waarop hijzelf zijn grootste vijand lijkt te zijn – blijken al uit de eerste twee essays, over James Baldwin en V.S. Naipaul. In het openingsstuk, ‘Het zwarte lichaam’, schrijft Cole vanuit Leukerbad over de Amerikaan die een halve eeuw eerder in hetzelfde Zwitserse bergdorp belandde, omdat de familie van zijn geliefde er een chalet bezat. Baldwin bleef er tot zijn eigen verbazing met enige regelmaat terugkomen en hij voltooide er zijn roman Go Tell It on the Mountain. In het beroemde essay Stranger in the Village schreef Baldwin over zijn ervaringen in het dorp, waar de meeste mensen nog nooit een zwarte man hadden gezien, en het is dit verhaal dat Cole naar Leukerbad heeft gebracht.

Cole is een kalme verteller, hij wisselt zijn eigen observaties af met die van Baldwin en precies zoals de grote afstand Baldwin in staat stelde zijn van racisme doordrenkte thuisland scherper in beeld te krijgen, zo verlegt ook Cole zijn blik hier en daar naar zijn geboorteland. Hij behandelt Baldwin ondertussen met eerbied, maar laat zich daarbij niet leiden door ontzag. Hij verzet zich bijvoorbeeld tegen Baldwins pijnlijke conclusie dat zelfs de meest ongeletterde Zwitser of Amerikaan met Dante, Shakespeare, Bach is verbonden op een manier die voor hem niet is weggelegd. ‘Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’ Cole’s verzet is absoluut: ‘Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.’ Het is de zelfverzekerde kunsthistoricus die hier spreekt. Cole ziet niet in waarom de geschiedenis van zijn voorvaderen zijn relatie tot de kunst waarvan hij houdt zou moeten bepalen. Hij eist het recht op zich op zijn eigen voorwaarden tot de wereld te verhouden.

De blauwe luchten en de glinsterende, oogverblindende bergkammen vormen een landschap waar je je, zoals Cole schrijft, doorheen beweegt als door een droom. Je kunt je niets voorstellen dat verder verwijderd is van de harde, eindeloos nare en gewelddadige werkelijkheid van het racisme dat in Amerika woekert, en tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat in navolging van Baldwin ook Cole tussen de regels door dat racisme helder en scherp in beeld krijgt. Of je nu een kind bent dat over straat loopt, of een professor die zijn sleutels is kwijtgeraakt: je bent altijd in de eerste plaats een zwart lichaam. ‘Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk.’

In Inboorlingen op de boot, het tweede essay, haalt Cole herinneringen op aan een eerdere ontmoeting met V.S. Naipaul. Waar hij Baldwin nog onomwonden kon bewonderen, is zijn relatie met Naipaul en diens werk ingewikkelder en, als gevolg daarvan, zijn pen vileiner. Zoals vaker verwerkt hij de omstandigheden waaronder hij schrijft vakkundig in het verhaal. In dit geval bevindt hij zich aan boord van de Roi des Belges, een kunstinstallatie in de vorm van een boot, herzogiaans gestrand boven op het dak van de Queen Elizabeth Hall in Londen en vernoemd naar de boot waarmee Joseph Conrad over de Congo voer – hij fileert en passant diens Heart of Darkness. Daarbovenop weet Cole in een paar pagina’s een gelaagd beeld van Naipaul te schilderen, inclusief de mengeling van bewondering en afkeer die hijzelf voelt. Dat het desalniettemin een buitengewoon vervelend essay is, is louter en alleen het gevolg van Cole’s neiging tot schoolvosserij. Elders in het boek rommelt dat pedante doorgaans hooguit wat onder de oppervlakte, maar hier ligt het open en bloot te borrelen als uitgespuwd door de Vesuvius.

Cole vertelt al vroeg hoe Naipaul hem, voor aanvang van een intiem diner, zegt: ‘Call me Vidia’. Maar vervolgens gaat hij daar tegen de lezer het hele essay mee door: Vidia zus, Vidia zo. Ieder complimentje dat Naipaul hem maakt, ieder wit voetje dat hij haalt, het mag allemaal niet onvermeld blijven. Tijdens het lezen hoop je dat het allemaal ironie is, Vidia stond tenslotte ook niet bekend als het toonbeeld van bescheidenheid, en hier en daar wil je geloven dat Cole ook zichzelf op de hak neemt, maar uiteindelijk is wat blijft hangen een vervelende nasmaak van zelfgenoegzaamheid.

Cole schrijft in zijn bundel met toewijding over het werk van ondergewaardeerde fotografen als Saul Leiter, Richard Renaldi en Roy DeCarava, over dichters als Tranströmer en Walcott en natuurlijk over W.G. Sebald. Hij schrijft over de moderne beeldcultuur in het algemeen en over Instagram-fotografie en de eindeloze hoeveelheid doden die in de tabbladen van zijn webbrowser blijven staan in het bijzonder. Over een poging om in São Paulo een foto van René Burri na te maken en over de dodelijke grens tussen Mexico en de VS, over Palestina, Rome en Rio. Hij schrijft beklemmend over mob justice in Nigeria, over de Ghanese dichter Kofi Awoonor die om het leven kwam bij een terreuraanslag in Nairobi, over Obama die hoop belichaamt en over het contrast van diens oprechte liefde voor literatuur en de lange lijst van onschuldige drone-doden die op zijn naam staan. Het genadeloze De blanke verlossingsindustrie, over de westerse drang een imaginair ‘Afrika’ te redden, heeft nog niets aan kracht ingeboet.

Vertrouwde en vreemde dingen is een rijke bundeling, zij het iets omvangrijker dan gerechtvaardigd, en hier en daar in al zijn ernst wat ouwelijk, maar uiteindelijk vooral een indrukwekkende weerspiegeling van een beweeglijke, idiosyncratische en kritische geest. Het werk van een geboren reiziger en een geboren rommelaar; van iemand met een grote gave voor bewondering en de wens die bewondering met de wereld te delen.