Bush contra de intellectuelen

Back to the Future

Hij heeft een academische opleiding, maar moet niets hebben van intellectuele vermogens. Eerder laat George Bush zich leiden door zijn instincten. Als hij al ergens naar streeft, dan is het naar het Amerika van zijn vader en moeder.

In de Verenigde Staten staat de doodstraf weer ter discussie nadat tientallen terdoodveroordeelden zijn vrijgesproken op basis van nieuw bewijsmateriaal. Omdat DNA-tests de onschuld van de veroordeelden aantoonden, of omdat na een kritische evaluatie van de juridische procedure bleek dat er grove fouten waren gemaakt. Het is wel zeker dat in het verleden onschuldigen zijn geëxecuteerd, en dat nu een onbekend aantal veroordeelden ten onrechte in de dodencel zit. In de staat Texas zijn onder het gezag van ex-gouverneur George W. Bush meer dan honderdvijftig executies uitgevoerd. Toen hem onlangs werd gevraagd of het misschien mogelijk was dat daartussen een onschuldige heeft gezeten, antwoordde de nieuwe Amerikaanse president met een simpel «nee». Dat was niet mogelijk. Alle veroordeelden in Texas hadden de hele juridische procedure doorlopen en die procedure is uitstekend. Maar er waren in andere staten toch gevallen die… Niet bij ons. Was niet gebleken dat pro deo-advocaten tijdens rechtszaken letterlijk hadden zitten slapen? Hier niet. Of dat ze uit pure luiheid belangrijke getuigen niet hadden opger… Hoe komt u erbij?
Als George Bush al twijfel kent, laat hij het niet merken. Bush is de verpersoonlijking van Texas, de staat van JR Ewing en de vrije oliejongens. De staat in de staat, waar van tijd tot afscheidingssentimenten de kop opsteken. De staat van de cowboyhoed en de stierenhoorns op de motorkap. De staat waar een conflict uitbrak over het gebed voorafgaand aan sportevenementen op openbare scholen; het Hooggerechtshof achtte het een schending van de scheiding tussen kerk en staat, maar Bush stond aan de kant van de gewone man. Zonder twijfel. Digitaler dan Bush krijg je het niet: nul le tjes en eentjes, niks ertussen.
De komende jaren kan hij de gebedsliefhebbers in Texas blij maken door de samenstelling van het gerechtshof in conservatieve zin bij te stellen. En hij zal het land willen helpen met een geestelijk reveil. Een van zijn spirituele gesprekspartners is de vroegere politicus en huidige nationale zedenmeester William Bennett, die in boeken, bladen en op televisie waarschuwt voor zedelijk verval en wijst op het belang van het heteroseksuele twee-oudergezin als hoeksteen van de samenleving en remedie tegen alle kwaad. «Voor Republikeinen is het een bijzonder geruststellende tijd», schreef de New York Times. «Een terugkeer naar orde, naar stabiliteit, naar hoe het was en hoe het had moeten blijven.»
Over vernieuwing, creativiteit en geestelijk avontuur zal het onder Bush niet gaan. De intellectueel die kritische vragen stelt en rammelt aan de status quo was tot voor kort welkom in het Witte Huis omdat er een twijfelende president zat die graag werd uitgedaagd. Bush ziet het nut niet van onzekerheid. Bush is een kind van een anti-intellectualisme dat teruggaat tot de wortels van de Verenigde Staten, een onderwerp waarover de historicus Richard Hofstadter bijna veertig jaar geleden het prachtige boek Anti-intellectualism in American Life heeft geschreven. De studie, waarvoor hij de Pulitzerprijs heeft gekregen, is nog steeds verkrijgbaar in boekhandels die doorgaans gefixeerd zijn op «the new new thing».


Anti-intellectualisme is «the old old thing». Een van de eerste vragen die in de Verenigde Staten worden gesteld over intellect en intellectuelen geldt het praktisch nut. Nut was het enige wat destijds telde voor de immigranten, schrijft Hofstadter. Ze keken vooruit en moesten niets meer hebben van Europese monarchistische en aristocratische structuren. Ze hadden een egalitaire samenleving voor ogen en om die op te bouwen in de vaak barre omstandigheden van toen hadden ze praktische vaardigheden nodig en technische hulpmiddelen.
In het oude land deden ze aan ideologieën, in het nieuwe land deden ze aan praktisch overleg. Met hard werken en gezond verstand kwam je verder dan met abstracties, die de mensen maar uiteendreven. «Amerikanen feliciteerden zichzelf met hun vermogen verder te gaan zonder de zogeheten ‹buitenlandse ismen›, zoals ze zich ook altijd hadden gelukgewenst met het vermogen Europese ‹corruptie› en ‹decadentie› op afstand te houden.»
Toen Jefferson in 1796 kans maakte op het presidentschap probeerde het congreslid William Smith dat te voorkomen door hem een filosoof te noemen, en filosofen waren watjes die de rede verkozen boven «het werkelijke karakter van de mens». Was Washington ook een filosoof geweest, dan had hij zijn militaire successen wel kunnen vergeten. Filosofen moesten zich opsluiten in een studeerkamer, zodat hun zieke opvattingen het openbare leven niet konden vergiftigen. Jefferson werd ervan beschuldigd een atheïst te zijn, een overtuiging die alleen kan postvatten als men studeert en vragen stelt. Hij had nota bene in Frankrijk gewoond, het thuisland van filosofen, en was er vervreemd geraakt van de gewone man, die simpelweg handelt «op basis van feiten» en «het gezonde verstand». Smith en de zijnen, schrijft Hofstadter, zetten de toon voor latere aanvallen op intellectuelen in de politiek.
Het land werd gedomineerd door het zakenleven. De deelnemers hadden weinig opleiding nodig om succes en aanzien te genieten, zodat academisch onderwijs als overbodig werd gezien. Scholing was er niet om de geest te ontwikkelen maar om maatschappelijk vooruit te komen. Tocqueville signaleerde dat een leven van voortdurende beweging en daden een premie zette op snelle beslissingen en het onmiddellijk benutten van kansen — een instelling die weinig ruimte liet voor reflectie, uitweiding en zorgvuldig denken. Bovendien gaf ondernemen een kick. Het ging niet in de eerste plaats om winst, maar om jongensachtige verbeelding. In de wereld van de pioniers appelleerde het «aan de bouwer, de speler en de beslisser; er zat meer sport in dan in jagen en het bood meer macht dan politiek», aldus Hofstadter. Ondernemen zette zozeer de toon in het land dat juristen, artsen, docenten en gees telijk leiders hun beroep zagen als een onderneming. «Dit is in wezen een zakenland», zei Warren Harding voordat hij president werd. Zijn opvolger Calvin Coolidge voegde eraan toe: «The business of America is business.»



Het land was een dorp, «verpakt in de zekerheden van continentale isolatie, protestante denominaties en een welvarend industrieel kapitalisme». De bewoners hadden weinig te maken met de grote buitenwereld en wilden dat graag zo houden. Maar in de loop van de vorige eeuw werd men steeds verder meegezogen in de moderniteit. Enge ideeën van Marx, Darwin en Freud drongen door tot de binnenlanden. In een ver buitenland grepen communisten de macht en hun rumoer was hoorbaar in het dorp. Religie en beeldende kunst waren niet meer wat ze geweest waren. De stad met al haar vunzigheid dreigde de toon te zetten.
Zuidelijke staten trachtten de evolutieleer te verbannen. Tijdens het Scopes-proces uit 1925 werden intellectuelen voor het eerst in de twintigste eeuw door een groot publiek neergezet als vijanden, schrijft Hofstadter. De militante woordvoerders vormden een minderheid, maar achter hen ging een zwij gende meerderheid schuil die zich be dreigd voelde door een kosmopolitische mentaliteit, door kritische intelligentie, door experimenten op het gebied van moraal en literatuur. William Bryan, voormalig minister en drievoudig kandidaat voor het presidentschap, zei: «Alle ziekten waaraan Amerika lijdt, zijn te herleiden tot het onderwijzen van de evolutie. Het zou beter zijn alle boeken te verbranden en slechts de eerste drie verzen van Genesis te bewaren.»
De Ku Klux Klan, naar eigen zeggen de vertegenwoordiger van «de massa Amerikanen van de oude zuivere pioniersmentaliteit», kwam in het geweer tegen «de intellectuele ‹liberale› bastaards». Het ging om een beweging van gewone mensen, schreef voorman Hiram Evans, en die beweging eiste dat de macht weer terugkwam in de hand van «de gewone man, cultureel en intellectueel niet al te zeer ontwikkeld, maar geheel onvervuild». De intellectuelen hadden «het Amerikanisme verraden». Evans voerde een pleidooi voor het handelen op basis van emoties en instinct, zoals de mensheid al duizenden jaren had gedaan, «veel langer dan de rede een plek heeft gehad in het menselijk brein». Emoties en instinct «zijn de fundamenten van onze Amerikaanse samenleving».
Het traditionele kapitalisme werd «vervuild» door bemoeienis van de centrale overheid. Vakbonden maakten sterke groei door. Roosevelt kwam met zijn New Deal en zorgde voor een uitbreiding van het overheidsapparaat, zodat academici bezit namen van Washington, en de creatieve geest gevaarlijk dicht in de buurt kwam van de praktische politiek — het leek wel of Jefferson terug was. De Tweede Wereldoorlog bleek onontkoombaar, evenals de Koreaanse Oorlog en de Koude Oorlog. Het traditionele Amerika, be woond door economisch conservatieve, religieuze fundamentalisten met vooroordelen en een isolationistische kijk op de wereld, dreigde ten onder te gaan. Senator Joseph McCarthy had het over jaren van «verraad», dat volgens de conservatieve Frank Chodorov al in 1913 was begonnen met de invoering van de inkomstenbelasting.
Geen wonder dat in de jaren vijftig de aanval werd geopend op de intellectuelen. Het heette een strijd tegen het communisme te zijn, maar het was een aanval op het denken. De (onderwijs)filosoof John Dewey schreef ooit: «Als we beginnen te denken, kan niemand de uitkomst garanderen.» Denken leidt tot vragen en, schrijft Hofstadter, «het intellect komt altijd in het geweer tegen iets: voortdurend wordt een vorm van onder drukking, fraude, illusie, dogma of een ge vestigd belang door de intellectuele klasse kritisch bekeken».


De anti-intellectueel koestert verdenkingen tegen «het leven van de geest en tegen hen die worden verondersteld dat te vertegenwoordigen». Hij heeft de neiging de waarde van dat leven voortdurend te kleineren. Niet dat de anti-intellectueel vijandig tegenover opvattingen staat, integendeel. De smaakmakers zijn vaak diep begaan met ideeën en kunnen obsessief tekeergaan over hun versleten of afgewezen opvattingen, schrijft Hofstadter. De stroming dient te beschikken over competente woordvoerders, vaak intellectuelen in de marge, verbitterd wellicht, de geletterde leiders van de minder geletterden, die hoog opgeven over de kwesties waarvoor ze aandacht krijgen. Had Hofstadter nu geleefd, dan had hij ongetwijfeld de rechtse radiopopulist Rush Limbaugh als voorbeeld gezien.
Anti-intellectuelen worden gedreven door een fundamentalistische instelling die de wereld ziet als een arena waar zich het gevecht afspeelt tussen het absolute goed en het absolute kwaad — niemand wil een compromis met de duivel sluiten. Destijds konden ze de Koude Oorlog niet zien als een gewone politieke kwestie, als een conflict tussen twee politieke machtsstructuren die op enigerlei wijze een modus vivendi moesten zien te vinden; ze zagen het uitsluitend als een botsing van geloofsovertuigingen. Politiek gaat niet over politiek maar over morele overtuigingen. Vraag maar aan John Ashcroft, de nieuwe minister van Justitie, die abortus onder alle omstandigheden afkeurt, de lieveling van oud-rechts.
Heeft Bush veel te vrezen van intellectuelen, los van het feit dat hij niet naar ze luistert? Het land telt genoeg academici die kritisch nadenken over de samenleving, maar zoals de ondernemingscultuur in de jaren twintig zo overheersend was dat juristen, artsen, docenten en geestelijk leiders hun beroep als een onderneming zagen, zo heeft ook de verstandige intellectueel zich ontwikkeld tot een bedrijfje op zich. In zijn boek The End of Utopia: Politics and Culture in an Age of Apathy citeert de dwarse historicus Russell Jacoby zijn collega-denker Edward Said. Deze had opgemerkt dat intellectuelen in het openbaar pijnlijke vragen moeten stellen om orthodoxie en dogma aan de kaak te stellen, maar dat ze aan zulk gedrag geen hooggeplaatste vrienden overhouden. «Het is een eenzame bezigheid», meende Said.
Mooi gezegd, vindt Jacoby, maar het klopt niet. Said en collega’s leiden allerminst een eenzaam bestaan, integendeel, ze hebben belangrijke posities bij belangrijke instituten, en worden daarbuiten op hun wenken bediend. Een beetje intellectueel heeft nu een agent die de publiciteit verzorgt en riante bedragen regelt voor spreekbeurten. Het florerende conferentiecircuit genereert extra inkomsten, biedt mogelijkheden tot binnen- en buitenlandse reizen, podia waar men zijn talenten kan laten zien, aandacht, applaus en beroemdheid.
Het zijn pseudo-intellectuelen, schreef de cultuursocioloog Todd Gitlin onlangs in een essay, vlotte opiniemakers die in politieke praat programma’s hun hapklare brokken debiteren en die mogen meepraten als politici worden ondervraagd door journalisten, die het niet nodig vinden iets uit te leggen of uitlatingen van politici te controleren, maar alleen met een leuk citaat willen scoren in de maandagkranten.


Bush is de nieuwe versie van de oude dorps-Amerikaan. Hij heeft weliswaar een academische opleiding, maar daar merk je zo weinig van dat hij zich ervoor lijkt te schamen. Hij heeft niks met het intellectuele noord oosten van het land, wat nog eens bleek toen hij per ongeluk in de buurt van een open microfoon een journalist van de New York Times een klootzak noemde. Het buitenland — waar ligt dat? Zij hart ligt bij ondernemend Amerika. Hij is door en door religieus en laat dat ook voortdurend merken; daar is niks op tegen, zij het dat hij de indruk wekt de natie te willen onderdompelen in een God-met-ons-bad. Tachtig jaar geleden vonden anti-intellectuele voormannen dat emoties en instinct de fundamenten van het land vormden; Bush wordt geregeld door emoties overmand, en zijn instinct zegt dat er met de doodstraf niks aan de hand is. ’s Anderendaags doet hij een uitspraak als: «In het gezin vindt het land hoop, daar worden dromen vleugels.»
Tijdens de debatten ontweek hij onderwerpen waarover hij geen tekst had ingestudeerd, en afgezien van de kreet «meelevend conservatisme» presenteerde hij geen origineel geluid over wat dan ook. Bush vindt het onzin om zijn beslissingen te moeten rechtvaardigen, want de dingen zijn zoals ze zijn; goed is goed en kwaad is kwaad. Als hij al een streven heeft, dan is dat «back to the future», terug naar de wereld van paps en mams, toen geluk nog zo gewoon was, naar de tijd waarin je nog kon zien wie de heer was en wie de knecht, zoals Ton van Duinhovens oude Hagenaar ooit zei. Daartoe omringt hij zich met mannen uit de tijd van paps; de een is voorstander van een raketafweersysteem tegen het kwaad, de ander vindt abortus des duivels, ook als het om een verkrachte tiener gaat, en de derde zei ooit over het Irakese leger: «We snijden het eerst de pas af en dan maken we het af.» Dat is taal die ze in Texas verstaan. Als je een koe gaat slachten, vraag je niet wat ze ervan vindt, dat is tjakka!
«Ik denk niet dat je van een president kunt verwachten dat hij alles over alles weet», zei de man die vorig jaar liet merken de namen van diverse regeringshoofden niet te kennen en die inwoners van Griekenland betitelde als Griekenezen. Maar hij deed wel badinerend over de detailkennis van zijn tegenstander Al Gore. «Als hij het budget uit zijn hoofd kent, vraag ik me af hoe hij zijn tijd spendeert.» Misschien leest Al weleens een boek.