Backfire

Zwemspullen en zoon zijn nog maar net op de achterbank geplaatst als ineens mijn inlaatspruitstuk uit elkaar klapt. Ik wist niet eens dat ik er een had. De knal is zo hard dat vijf deuren verderop een buurman naar buiten komt. Wat ook vreemd is: het ding explodeert meteen bij het omdraaien van het contactsleuteltje. Zonder dat de motor maar een druppel verbrand heeft. De stoïcijn in mij houdt nog even stug vol dat er niets aan de hand is, maar als na een poging of acht de motor nog altijd niet start, moet ik het slechte nieuws aan de achterbank overbrengen.

‘Is auto kapot?’ vraagt mijn zoon (2½) met grote ogen. En dan, met een blijkbaar overgeërfd stoïcisme: ‘Kan gebeuren…’

Voor de vorm kijk ik nog even onder de motorkap. Alsof ik daar werkelijk iets zou kunnen zien.

De ANWB is er een uur later, en vist twee grote stukken kunststof op tussen de ingewanden. ‘Tsja, je inlaatspruitstuk is uit elkaar geklapt.’

‘Is dat heel erg?’

‘Dat kan ik zo niet maken. En bij een garage hebben ze die ook niet op voorraad.’

‘En hoe kan zo’n ding kapot gaan?’

‘Tsja, da’s een goeie vraag’, complimen­teert de wegenwachter, en overhandigt mij de brokstukken. Ik vraag hem de naam van het onderdeel nog eens langzaam te herhalen. In. Laat. Spruit. Stuk.

Pas als het mechaniek hapert of ontploft weet je dat het bestaat. Ook in de literatuur werkt het zo. Je leest je eigen werk terug (want dat betekent schrijven het merendeel van de dag), voelt dat de motor niet wil lopen en moet dus de ‘diagnose stellen’ (een klusje waar het garagebedrijf een royaal uurloon voor rekent, ontdek ik later). Krijgt dit personage wel voldoende tegenkracht? Moet deze scène niet wat meer van binnenuit geschreven worden? Of moet de verteller hier juist wat meer afstand nemen, om de lezersverbeelding vrij spel te geven? Dit komt wel erg uit de lucht vallen, dat moeten we aankondigen. Een druppeltje olie op deze overgang. Een scheutje koelvloeistof in die seksscène.

Ik hou erg van zo’n technische benadering: de open laptop als opgeklapte motorkap. Maar ik heb ook ontdekt dat je alleen in tweede instantie op die manier naar je eigen werk kunt kijken. Eerst moet je gewoon schrijven (wat gemakkelijker klinkt dan het lijkt), in het wilde weg iets opbouwen, je een weg banen door hoge begroeiing, met alleen een vaag plan, een duister vermoeden. Daarna pas komt de analyse, de diagnose. Daarna pas gaat de kap open. Daarna ontdek je pas dat er zoiets bestaat als perspectief, vrije indirecte rede, dialoog, vooruitwijzing, flashback. Zolang het verhaal domweg start en rijdt, bekommer je je niet om het bestaan van al die narratieve mechanica.

Pas als het huis af is, zie je wat je had moeten weten toen je aan de bouw ervan begon, schrijft Nietzsche. Achteraf is alles duidelijk. Achteraf zijn half opgemerkte gedra­gingen en semi-gebeurtenissen de bakstenen van een verhaal. Pas als het voorbij is zie je wat je had moeten weten toen het begon. Pas als het voorbij is zie je wat je had kunnen weten toen het gaande was. Zelf weet ik vaak pas op driekwart van een verhaal of boek waar het over gaat. Laatst ontdekte ik het pas bij het aanleveren van een tekst voor de aanbiedingsfolder van de uit­geverij. Natuurlijk! Dáár gaat dat boek over. Het vreemde is dat je het daarna overal ziet, in alle details. Hoe had het ooit onopgemerkt kunnen blijven? Ik denk dat dit het stadium is waarin veel romans door hun makers verziekt worden. De verleiding is heel groot om alles met terugwerkende kracht nog wat duidelijker te maken in het verhaal. Het ontdekte thema wat vetter aanzetten.

Bij de voltooiing van een kunstwerk raak je toch al heen en weer geslingerd tussen kinderlijke verrukking en dierlijke paniek, en dan is een rare sprong snel gemaakt. Temperantia is het devies. Zelfbeheersing, matigheid. De grove penseelstreek durven laten staan. Het vlees rood laten, de pasta al dente. Niet schmieren.

Anders gebeurt er precies wat er met mijn auto gebeurde: de ontsteking vindt te vroeg plaats, reeds in het inlaatspruitstuk, met als gevolg: backfire. (Ja, ik heb me goed geïnformeerd; pas als het mechanisme hapert leer je het kennen.) Alles explodeert voortijdig, een buurman stapt naar buiten en de wegenwacht staat machteloos.

Mijn uitgever vertelde eens hoe ze bij een beroemde Amerikaanse auteur op bezoek was, die een verhaal voorlas dat in zijn ogen ‘the perfect story’ was. Na de lezing reageerde zijn echtgenote: ‘But it’s dead, Paul.’

‘Ze verveelde hem, zoals het paradijs hem zou vervelen’, schrijft Slauerhoff in een verhaal. Slauerhoff bracht zelfs bewust achteraf slordigheden aan in verhalen en gedichten, om ze te behoeden voor het gevaar van verstikkende perfectie.