Ik ben verhuisd, van de noord- naar de zuidkant van het huis. Zodra schrijvers kinderen krijgen, merkt Geerten Meijsing ergens op, wordt de schrijverij verbannen naar een zoldertje. Nu is gezinsuitbreiding inderdaad de directe aanleiding voor mijn verhuizing, en hoewel het geen ‘zoldertje’ is, heeft dit nieuwe vertrek wel altijd die functie vervuld. Het is een aanbouw, op wat ooit een tweede dakterras was. Het bood onderdak aan een racefiets, beige tapijt, een grote klerenkast met zweefdeuren, wasmachine, droger en een aantal spinnenfamilies.
Met een klusjesman ben ik bezig geweest om dat allemaal te veranderen. Omdat ik inmiddels ervaring heb met timmerlui, tegelzetters en schilders, hield ik mijn hart vast. Maar deze klusjesman is de eerste over wie ik echt tevreden ben.
Rob heet hij. Weliswaar begint ook Rob bij de eerste kennismaking al te klagen over de moordende concurrentie van de Polen en de Bulgaren ('moet ik dan onder m'n kostprijs gaan zitten?’), en weliswaar belooft ook hij dan dat hij 'een mooi prijsje’ voor me 'gaat maken’ - weliswaar heb je, kortom, ook bij hem het gevoel dat je één handdruk verwijderd bent van het criminele circuit, maar daar staat tegenover dat hij zijn werkdagen niet begint met uitgebreid een 'bakkie doen’, en dat hij evenmin zo'n in rubberen frame verpakte bouwvakradio uit z'n busje trekt. Rob werkt in stilte.
Daar komt nog bij dat eerdere klussers louter problemen leken te willen zien ('Ja, halló, dus jij wil dat ik dat stukkie vloer ook betegel? Nou, veel succes. Want je zit daar toch met je parket?’), terwijl Rob juist meedenkt. Natuurlijk, ook hij doet observaties als: 'Ik zou die hele boel weg kunnen breken, maar je weet niet wat je dan daaronder tegenkomt. Je zit met je tegels. En met je leidingen.’ Maar direct daarop volgt dan altijd het juiste, achteloze zinnetje: 'Maar ja, daar bedenk ik wel wat op…’
Rob heeft op zoveel obstakels zoveel bedacht dat ik deze kamer - en dit zijn de eerste woorden van enig belang die ik er schrijf - nu de beste van het hele huis vind. (Wees gerust, zoveel zijn er ook weer niet, schrijven is nog altijd bittere armoede.) Nooit geweten dat deze een vierkante meter groter is dan mijn vorige kamer. En er zit een balkon bij, dat ruim genoeg is voor zo'n truttig bistrosetje van de Gamma.
De enige twee met wie ik de kamer deel zijn de wasmachine en de droger. Die kunnen natuurlijk prima werken als ik dat niet doe (al schreef Vestdijk bij voorkeur bij het geluid van een stofzuiger), en bovendien heeft Rob er iets op bedacht: een kast eromheen. Zelf gegrond en afgelakt, zoals ik al het schilderwerk hier eigenhandig heb verricht.
Schrijvers en hun werkkamers. NRC Handelsblad wijdde er een tijdlang een mooie fotoserie aan. Grofweg heb ik drie hoofdstromen ontdekt.
Je hebt schrijvers die ’t beste gedijen in tuinhuisjes, kippenhokken en keldertjes - de kampeerders zullen we maar zeggen. Het kan ze niet klein en rommelig volgepakt genoeg zijn. Liefst ook zonder elektriciteit.
Lijnrecht daartegenover hebben we de kantoren en klinische laboratoria: drie, vier stalen bureaus, archiefladen, tl-buizen, airco. Je zoekt er onwillekeurig de brandblusser en verwacht de schrijver elk moment in een lange witte jas aan te treffen. Tegenover die twee is er dan ten slotte het derde uiterste binnen dit assenstelsel, dat is de stijlkamer: kersenhouten bureau met ingelegd leder, notarislamp, Chesterfield, pijpenrek, op maat gemaakte boekenkasten, noem maar op.
In die schematische driehoek bevindt mijn werkkamer zich ergens op de lijn kampeerders - stijl, en ik twijfel er geen moment aan dat dit regelrecht in mijn werk is te herkennen. Natuurlijk zijn werk en kamer innig verbonden. Probeert u zich eens de werkkamer van Haruki Murakami voor te stellen (u weet wel, dat wonder van Kyoto, dat inmiddels is uitgegroeid tot de Jamie Oliver van de literatuur). Kan niet missen, die zit op het been van de driehoek pal tegenover het mijne, die zit op de lijn kantoor - stijl. (Minimalistisch maar peperduur design, mondaine ascese.)
Dan rest er nog één mengvorm, namelijk die op de lijn kantoor - kampeerder. Dat zijn de schrijvers die bij voorkeur buitenshuis bivakkeren, in collectief gehuurde kantoorruimtes, overgebleven kamertjes op uitgeverijen, hotelkamers niet te vergeten, kloostercellen en aaneengeregen writer in residence-schappen, het compromis tussen reisdrift en stabilitas loci (Nooteboom, Grunberg, enfin, u kent uw klassiekers).
Eén aspect van mijn nieuwe werkkamer ben ik nog vergeten: ze is alleen via de badkamer bereikbaar, alsof de weg erheen mij maant om me eerst ritueel te wassen. Het doet me ook denken aan een andere schrijverswerkkamer, die van Vladimir Nabokov in zijn Berlijnse jaren. Gedwongen door krappe behuizing schreef hij ín het ligbad, in het midden plaatste hij een stuk hout om aan te kunnen werken. De badplank: zoiets onttrekt zich aan alle categorieën.