Ilja Leonard Pfeijffer, Het grote baggerboek

Baggerhymne wordt familiedrama

Ilja Leonard Pfeijffer

Het grote baggerboek

De Arbeiderspers, 204 blz., €17,95

Met de eerste zin zet Ilja Leonard Pfeijffer direct, zoals het hoort, de toon in deze roman. «Waar het nou helemaal in wezen om draait bij het baggerwezen, kan deze jongen haarfijn uit de doeken winden.» Aan het woord is een bemanningslid van een baggerschip dat ergens in «Kamelistan» een haven uitbaggert, en hij is in ernstige problemen geraakt. Hij wordt ervan beschuldigd een inheems jongetje, Abdullah, te hebben ontvoerd en er ontucht mee te hebben gepleegd. Met zijn kleurrijke, in ferme-jongens-stoere-knapen-taal ingekleed verslag van de gebeurtenissen probeert hij zijn visie op het geheel te geven. Pfeijffer heeft zich met merkbaar genoegen ingeleefd in de uit de hand gierende spreektaal van deze fictieve baggeraar. Een woekering van ingenieuze, vrolijke, grammaticaal foute, politiek incorrecte, seksueel gestoorde en vaak half verontwaardigde grote-jongenstaal waarmee sprekers zich een plaats binnen de eigen groep proberen te verwerven. Pfeijffer laat merken dat hij er niet alleen van houdt maar dit jargon ook prima beheerst, al is het duidelijk dat je het in zijn uitgekiende, uitvergrote en zeer geserreerde vorm op straat niet aantreft. Maar dat is geen bezwaar, in literatuur is iedere taal altijd een kunsttaal.

Neem de volgende ontboezeming: «Maar waar de neuk was die gloeiende kankerhaven met touwen? Van lopenstein met die baggerpoten van je, waar de sloep ook wezen moge, in elk geval niet hiero en hiero is in elk geval een plek om te maken dat je wegweest en wel prontibo wat mijn betreft.» Dit moge dan nog acceptabel en min of meer grappig klinken, bij Pfeijffer moet je toch ook op razende uitbarstingen als deze rekenen: «Harige hoeren met meurende sleuven vol etter die met d’r aarzen vol smegma het peeshol uit druipen en als een hond door d’r eigenste holsnotstank kruipen, dat je zodra je ze prakt een goor stinkend gespetter recht in je smoel krijgt van ’s anderenmans z’n verzetje dat ie daarvoor uit z’n zwerende snikkel gemorst heb waaraan lulschurft nog plakt als een ranzende korst.»

Hier tegenover zet de schrijver in aparte hoofdstukken de taal in van een psychiater die een rapport opstelt over onze baggerende kletsmajoor. Deze koele kikker is er in hoofdzaak op uit zijn eigen dubieuze belangen te verdedigen, hij wil bijvoorbeeld een artikel over zijn «observant» in The Pasadena Review schrijven en is er ook op uit de vrouw van de ongelukkige held, de bloedmooie Babette, ook wel Bapseflaps genaamd, in zijn netten te verstrikken, wat hem nog lukt ook. Deze psychiater mengt zijn verslag met Latijnse spreuken, praat in termen van «de standaardprocedures», «intern onderzoek», «de ernst van de juridische aanklacht» en meer van dit type formeel institutioneel gezwatel. Het contrast tussen de baggeraar en de schurkachtige psychiater is door Pfeijffer wel erg zwaar aangezet, de roman krijgt naar het einde toe meer en meer een karikaturaal karakter. De karakters botsen steeds heftiger, het verhaal krijgt steeds onwaarschijn lijker trekken. De tocht door de woestijn van de held met het jongetje Abdullah is bijvoorbeeld niet meer dan een flauw jongensboekavonturenverhaal, compleet met kamelen, schietpartijen en fata morgana’s, dat in alles sterk aan Kuifje in Afrika doet denken. Het gegeven dat de held het jongetje Abdullah uit de klauwen van orgaansmokkelaars redt, lijkt er met de haren bijgesleept. Ik begon de weg kwijt te raken, terwijl ik in het begin beslist veel plezier beleefde aan de taalerupties van de ongelukkige, maar wel met veel bravoure opererende held.

Helemaal raakte ik van de weg toen hij tegen het einde van het boek niet die brandschone held bleek te zijn waar het eerst zo sterk op leek. Pfeijffer geeft een merkwaardige draai aan het geheel. Blijkbaar wilde hij voorkomen dat we het zouden lezen als een burlesk, soms flauw, soms geestig, verhaal over twee botsende werelden: die van een baggeraar en een psychiater. Hij wilde er ten koste van alles voor zorgen dat het allemaal in bloed en tranen eindigde. En dus krijgen we op het einde moord en doodslag voorgeschoteld, plus een onwaarschijnlijk maar vooral ongeloofwaardig verhaal over de jeugd van de baggeraar, die ooit bloedig wraak nam op zijn ouders: zij hielden hem ten onrechte verantwoordelijk voor de dood van zijn broertje. Ineens bleek ik het verhaal over een conflict tussen twee werelden in te moeten ruilen tegen een jammerlijk drama dat in schrille kleuren is neergezet. Ik had daar niet op gerekend en ik kreeg het niet voor elkaar belangstelling ervoor op te brengen. Pfeijffer probeerde twee aparte verhalen in elkaar te schuiven: een baggerhymne en een familiedrama. Alleen het eerste hield me bij de les.