Essay Europa en de immigranten

Baklava boven Beethoven

Terwijl immigratie Europa de afgelopen decennia tot in de kern veranderde, had verdraagzaamheid jegens de nieuwkomers de hoogste prioriteit. Het gevaar dreigt nu dat de Europese tolerantiewetten in het voordeel werken van onverdraagzame (godsdienstige) minderheden.

EEN VAN DE VOORNAAMSTE problemen bij het verwelkomen van mensen uit arme landen is dat Europeanen geen vertrouwen meer hebben in die onderdelen van de beschaving waar migranten zich juist toe aangetrokken voelen. ‘Europeanen willen graag weg uit de geschiedenis, uit la grande histoire, uit de geschiedenis die geschreven is met letters van bloed’, schreef de politicoloog Raymond Aron in de jaren zeventig. ‘Anderen, honderden miljoenen mensen, willen er graag hun intrede in doen.’ Tegen nieuwkomers wordt soms gezegd dat ze ‘de regels van Europa moeten volgen’ en ‘de waarden van Europa moeten omhelzen’, maar dat is moeilijk uitvoerbaar als Europeanen die regels herschrijven en die waarden herzien.
Het Europa waar in de jaren vijftig immigranten naartoe begonnen te komen, was vervuld van afgrijzen over de Tweede Wereldoorlog en werd volledig in beslag genomen door de oprichting van instellingen die iedere mogelijke herhaling daarvan moesten voorkomen. De Navo was van die instellingen de belangrijkste. De toen nog embryonale Europese Unie was de meest ambitieuze. De oorlog verschafte Europese denkers een overvloed aan morele categorieën en maatstaven. Een nieuwe Europese explosie moest worden voorkomen door uitbanning van het nationalisme in alle Europese landen. Hierbij had men niet alleen alle sporen van racisme, militarisme en cultureel chauvinisme op het oog, maar ook patriottisme, eigendunk en ongepaste concurrentiedrang.
Geïnspireerd door de Verenigde Staten, die in die tijd hun eigen rassenprobleem te lijf gingen, en met een door de dreiging van het communisme sterk verscherpte aandacht, begonnen Europeanen een canon op te stellen van ‘Europese waarden’, zoals individualisme, democratie, vrijheid en mensenrechten. Deze waarden werden nooit bijzonder nauwkeurig omschreven. Toch leken ze de sociale cohesie te bevorderen; de aanvaarding van die waarden viel samen met zestig jaren van vrede.
Het ‘Europese project’ werd niet verzonnen met in het achterhoofd de gedachte aan immigranten, maar uiteindelijk bepaalde het wel de regels voor de manier waarop ze verwelkomd werden. Het naoorlogse Europa werd gegrondvest op intolerantie jegens intolerantie: een attitude die bejubeld is als antiracisme en antifascisme, en in het belachelijke getrokken als politieke correctheid.
Naoorlogse Europeanen gedroegen zich alsof niemands cultuur beter was dan die van enig ander. In 1996 stelde het Nederlandse kabinet dat ‘het debat over multiculturaliteit moet worden gevoerd vanuit het principe dat culturen’ – waarschijnlijk wordt bedoeld: alle culturen – ‘gelijkwaardig zijn’. Autochtone culturen zouden niet beter worden behandeld dan de culturen van allochtonen. De staat zou kwesties rond immigratie en etniciteit behandelen met een scrupuleuze neutraliteit, daarbij slechts bijgestaan door een stel ‘universele waarden’ die alle culturen, naar men aannam, gemeen hadden. Het leek ongepast immigranten over te halen, laat staan te dwingen, om zich de oude nationalistische loyaliteiten eigen te maken waar de Europeanen juist afstand van namen. ‘Je gaat Turkse kinderen toch niet lastigvallen met de jaren ’40-’45?’ merkte een Nederlandse ambtenaar op in een debat over multicultureel onderwijs.
Dat ze naar Europa migreerden wilde nog niet zeggen dat immigranten geneigd waren tot acceptatie van het Europese project om ‘de met letters van bloed geschreven geschiedenis’ los te laten. Integendeel, veel immigranten en veel van hun kinderen en kleinkinderen zagen het als hun plicht om van de daken te schreeuwen dat ze een Palestijnse staat of een Koerdisch thuisland of een islamistisch Algerije wensten. Ze hielden hun dromen van culturele, nationale en zelfs raciale glorie warm, en die vielen buiten het bereik van het Europese universalisme omdat ze het begrip van Europeanen te boven gingen.
In naam van het universalisme werden veel wetten en gewoonten die Europese samenlevingen bijeen hadden gehouden overboord gezet. Verdraagzaamheid kreeg de hoogste prioriteit, wat uiteindelijk ten koste ging van de traditionele preoccupaties van staat en maatschappij: orde, vrijheid, billijkheid en onderlinge verstaanbaarheid. Rond de eeuwwisseling bezweek de Europese ideologie van neutraliteit onder het gewicht van de massale immigratie en werd ze in plaats van een bron van kracht iets wat Alsana, de kribbige Bengaalse huisvrouw in Zadie Smith’s roman White Teeth, ‘onzinnige lariekoek’ noemde. Rondkijkend in haar gemêleerde en ruimdenkende Londense buurt denkt Alsana: ‘Niemand was hoe dan ook ruimdenkender dan wie dan ook, waar dan ook. Alleen waren er hier in Willesden gewoon niet genoeg van één club om een andere club aan te vallen, zodat die halsoverkop hun kelder in moesten duiken terwijl hun ruiten werden ingeslagen.’

IN DE LOOP VAN DE TIJD veranderde de ideologie van de tolerantie in twee opzichten. Ten eerste werd ze breder. Er kwamen steeds meer categorieën van mensen die recht hadden op bescherming tegen intolerantie, en wat een vergrijp tegen tolerantie vormde, werd nu arbitrair en ad hoc vastgesteld. In het in opdracht van het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken uitgevoerde Macpherson-onderzoek naar de gruwelijke, onopgeloste moord op de zwarte Londenaar Stephen Lawrence in 1993, werd een racistisch incident gedefinieerd als ‘ieder incident dat door het slachtoffer of willekeurige andere personen als racistisch wordt ervaren’. Deze definitie van racisme werd in veel Europese landen in de praktijk de feitelijke norm. Ten tweede verhardde de ideologie zich. Ze ontwikkelde een daadwerkelijk vermogen tot handhaving, deels doordat ze werd vastgelegd in de wet, en deels doordat non-gouvernementele organisaties optraden als ongebonden handhavers. Vergrijpen tegen de ideologie van tolerantie leverden nu niet alleen kritiek en ostracisme op, maar ze konden ook leiden tot banenverlies en confrontaties met publieke gezagsdragers.
Waar deze twee tendensen – de verbreding en de verharding – samenvielen, resulteerde dat in strenge straffen voor gedrag dat tot voor kort nog normaal werd gevonden. Homorechten vormen het meest extreme voorbeeld van deze ontwikkeling. In 2006 werd een Engels echtpaar dat zich bezighield met christelijke evangelisatie tachtig minuten door de politie verhoord op grond van de verdenking dat de door hen uitgedeelde brochures getuigden van ‘potentieel homofobe attitudes’. In Zweden werd een 63-jarige lutherse predikant veroordeeld tot een maand gevangenisstraf omdat hij had aangevoerd dat de Bijbel homoseksualiteit afkeurt. Christian Vanneste, een lid van de Franse Nationale Vergadering, die gezegd had dat hij ‘op het morele niveau heteroseksualiteit superieur aan homoseksualiteit’ achtte, was de eerste Fransman die werd veroordeeld wegens homofobie. Wat vanaf het aanbreken van de menselijke beschaving tot het laatste stukje van de twintigste eeuw een alom heersende opinie was geweest, was aan het begin van de 21ste eeuw plotseling een misdrijf geworden.
Op het gebied van ras en immigratie werden de regels bijna even snel herzien. In 1984 publiceerde Ray Honeyford, een populaire hoofdonderwijzer op een etnisch gemengde school in de Engelse stad Bradford, een artikel in The Salisbury Review, waarin hij felle kritiek uitoefende op bepaalde strategieën van de ‘lobby voor interraciale betrekkingen’, zoals hij het noemde. Hij betoogde dat activistische beleidsmaatregelen van de overheid schadelijk konden zijn voor de minderheden die er juist door geholpen moesten worden. Verwaarlozing, onverschilligheid en vijandigheid verklaarden niet alle mislukkingen van Pakistaanse en West-Indische leerlingen, schreef Honeyford. Omdat het nodig was dat de kinderen zich aanpasten aan de Britse leermethoden konden projecten die hun aanspoorden trots te zijn op hun eigen cultuur en op de Britse gettocultuur – wat wij vandaag de dag ‘multiculturalisme’ zouden noemen – hen hinderen in hun vorderingen op school en tevens bijdragen aan een verdergaande afscheiding van de rest van de samenleving. Honeyford bleek gelijk te hebben. Maar dat hij gelijk had, kon niet voorkomen dat hij werd ontslagen.
In 1990 overschreed de Franse Nationale Vergadering een nieuwe grens. Met het oogmerk ‘alle racistische, antisemitische of xenofobe handelingen’ te beteugelen, keurde men een door de communistische afgevaardigde Jean-Claude Gayssot ingediend wetsvoorstel goed, waardoor bepaalde waarborgen van de 109 jaar oude Wet op de persvrijheid werden teruggedraaid. De wet van Gayssot stelde niet alleen een handeling, maar ook een attitude of overtuiging strafbaar, met name de ontkenning (of het bagatelliseren van de ernst) van de holocaust. Andere landen volgden dit voorbeeld. Nadat de wet van Gayssot was aangenomen, werd het erg moeilijk je te verweren tegen die ongelimiteerde criminalisering van opinies. De episodes die groepen bezwaarden van een officiële waarheid poogden te voorzien – het bloedbad onder de Armeniërs, de gruwelen van het kolonialisme, de slavenhandel – waren stuk voor stuk even reëel als de holocaust.
De door Gayssot voorgestelde wettelijke maatregelen fungeerden in een windmolengevecht. Ze waren gericht tegen tendensen uit de jaren dertig die aan het begin van de 21ste eeuw al lang in onbruik waren geraakt en alleen nog maar werden aangehangen door enkele geïsoleerde zonderlingen. De problemen van de 21ste eeuw (immigratie, islamisme, bankroet van verzorgingsstaten, financiële paniek en het ieder-voor-zich-gevoel dat mensen krijgen door het leven in een consumptiemaatschappij) waren heel anders. Er bestond een nieuwe kaste van extremisten en velen van hen waren bijzonder bedreven in het ten eigen bate manipuleren van een rechtsstelsel dat sterk gericht was op de kwalijke toestanden van 75 jaar eerder. Er konden zich ernstige bedreigingen van de vrijheid voordoen, terwijl Europa een wakend oog hield op een verzameling ouder wordende ‘fascistische’ hansworsten.

IN DE DRIE DECENNIA die voorafgingen aan de financiële crisis van 2008 hebben private belangengroepen steeds meer aan invloed gewonnen, ten koste van het gezag van de overheid. Deze verschuiving paste bij de tijdgeest. Ze heeft plaatsgevonden onder regeringen van iedere ideologische kleur, in domeinen die variëren van diplomatie (denk aan de invloed die de zanger Bono uitoefent op ontwikkelingshulp aan Afrika), tot en met ruimtelijke ordening (denk aan het oprukken van ‘gated communities’, met gedetailleerde privaatrechtelijke reglementen, in alle westerse landen). Ook in de sector van tolerantie en interraciale betrekkingen zijn belangrijke functies van de staat overgenomen door non-gouvernementele organisaties, die zich zo snel hebben vermenigvuldigd dat ze in het Frans zonder meer les associations worden genoemd.
De communistisch geïnspireerde Mouvement contre le Racisme et pour l’Amitié entre les Peuples (MRAP), die in 1949 in Frankrijk was opgericht om racisme en antisemitisme te bestrijden, ging enkele decennia later een andere rol spelen. In 2002 schreef de journaliste Oriana Fallaci in reactie op de aanslagen op het World Trade Center een reeks felle artikelen in het Italiaanse dagblad Corriere della Sera. Uitgegeven in boekvorm, onder de titel La rabbia e l’orgoglio (De woede en de trots) werd dit een van de best verkochte non-fictieboeken van het naoorlogse Europa. De MRAP deed Fallaci een proces aan wegens het aanzetten tot rassenhaat, en probeerde publicatie van haar boek te verhinderen.
In Fallaci’s boek stonden inderdaad racistische uitspraken. ‘Godzijdank’, schreef ze in een beruchte voetnoot, ‘heb ik nog nooit iets te maken gehad met een Arabische man. Naar mijn mening hebben Arabische mannen voor vrouwen met een goede smaak iets afstotelijks.’ Maar Fallaci werd geattaqueerd voor veel meer dan louter racisme. Zo luidde een van haar opvattingen waar de MRAP aanstoot aan nam: ‘Iedere theoloog kan je vertellen dat de Koran leugens, laster en hypocrisie autoriseert, ter verdediging van het geloof.’ Een andere opinie was dat radicale moslims ‘overal aanwezig zijn, en de meest geharden leven onder ons’. Dit waren discutabele, maar niettemin alleszins verdedigbare beweringen.
De MRAP deed Fallaci een proces aan als onderdeel van een campagne tegen ‘islamofobie’, een neologisme dat je vaak kon horen in de maanden na de aanslagen van 11 september 2001. Deze nieuwe uitdrukking dreigde het onderscheid uit te wissen tussen de kritiek op minderheden op intolerante gronden en de kritiek op iedere willekeurige minderheid op wat voor gronden dan ook. Ook dreigde het gevaar dat de censuur ten aanzien van zaken die met ras te maken hadden, die in de praktijk al bestond, nu zou worden uitgebreid tot zaken die met godsdienst te maken hadden, en nog veel verder – tot politieke daden die gesteld werden in naam van een religie. De Europese tolerantiewetten begonnen te werken in het voordeel van de intoleranten.
De ‘affaire-Finkielkraut’, die Frankrijk in de dagen na de landelijke gettorellen van 2005 in zijn greep hield, was een andere mijlpaal. Die bewees dat je óók de wrevel van het ‘antiracistische’ establishment kon wekken zonder ook maar een vleugje racisme tentoon te spreiden. De filosoof Alain Finkielkraut gaf een interview aan de Israëlische krant Ha’aretz, waarin hij afweek van de heersende opvatting dat de rellen een ‘opstand’ tegen sociale omstandigheden waren geweest. Finkielkraut stelde vast dat de relschoppers daar zelf duidelijk anders over dachten. In hun tegen Frankrijk en het Frans-zijn gerichte rapteksten en slogans hadden velen hun rebelse daden verpakt in etnisch-religieuze bewoordingen. ‘Stel je een ogenblik voor dat het blanken waren geweest, zoals in Rostock, in Duitsland’, voegde hij eraan toe. ‘Dan zou iedereen onmiddellijk “fascisme wordt hier niet getolereerd” hebben gezegd.’
Finkielkraut is mild en gematigd en heeft zich gedurende een groot deel van zijn loopbaan beziggehouden met het ontwarren van de ethische en metafysische problemen die voortvloeien uit totalitair geweld. Maar nadat in Le Monde een verslag van het bovengenoemde interview was verschenen, kreeg Finkielkraut een lastercampagne over zich heen. Het weekblad Le Nouvel Observateur noemde hem een ‘neo-reactionair’. In een ingezonden brief in Libération vergeleek iemand hem met een functionaris van Jean-Marie Le Pens fascistische Front National. Dat is allemaal een normaal, zij het vulgair onderdeel van het Franse publieke debat. Wat de affaire zo sinister maakte, was het juridische aspect ervan. De MRAP maakte bekend dat ze van plan was Finkielkraut een proces aan te doen wegens het aanzetten tot rassenhaat.
Dat de MRAP dit dreigement al enkele dagen later liet varen, is een schrale troost. Niemand geloofde dat hiermee een eind zou komen aan het stelselmatig bestoken met gerechtelijke vervolging van iedere intellectueel (of gewone burger) die het waagde met afwijkende verklaringen te komen voor het ernstigste maatschappelijke probleem van Frankrijk.
DE HANDHAVING VAN TOLERANTIE had geen ingebouwde grenzen en geen duidelijke logica. Waarom was ‘etnische trots’ een verdienste en ‘nationalisme’ iets ziekelijks? Waarom was een identiteit als ‘Sinti/Roma’ legitiem, maar een identiteit als ‘blanke’ volstrekt taboe? Erudiete denkers over tolerantie, zoals Jürgen Habermas, hadden zulke kwesties vermoedelijk wel kunnen ontwarren en het juiste onderscheid kunnen maken. De politieke elite kon het onderling op een akkoordje gooien. Maar de burger met een doorsnee verstand en sociale status werd door deze vragen alleen maar opgezadeld met een gevoel van verwarring en machteloosheid. Een democratie kan niet lang een systeem dulden waarin je afgestudeerd socioloog of hooggeplaatst overheidsdienaar moet zijn vooraleer je uiting kunt geven aan enige ongerustheid over de gang van zaken in je land.
De deugden van het multiculturele tijdperk waren deugden van een elite. De Britse politicoloog Geoff Dench had niet voor niets het sterke vermoeden dat multiculturalisme vooral de belangen van een elite diende. Volgens hem kunnen in een competitieve meritocratie, een samenleving waarin sociale status wordt bepaald door prestaties en capaciteiten, conflicten waarschijnlijk veel gemakkelijker worden bedwongen wanneer er groeperingen zijn waarvan niet duidelijk is of ze tot de natie behoren, die sterk afhankelijk zijn van ondersteuning door een elite en wier aanwezigheid bij het grote publiek een stortvloed van etnocentrische reacties oproept, die vervolgens tegen datzelfde publiek kunnen worden gebruikt. Daarom zal vooral een samenleving die vasthoudt aan de notie van een meritocratie behoefte hebben aan minderheden.
Zo werd immigratie de spil waarom niet slechts de immigratiepolitiek maar de hele Europese politiek draaide. Dat was het grote verschil tussen de uitdagingen waarmee Europa te maken kreeg en de soortgelijke uitdagingen waar de Verenigde Staten mee werden geconfronteerd. In de Verenigde Staten had je een ‘rassenprobleem’ en een ‘immigratieprobleem’, en die twee stonden veelal los van elkaar. In Europa wás het immigratieprobleem het rassenprobleem. Daardoor werd de notie dat immigratie een succes en een ‘verrijking’ was de enige acceptabele opinie die je erop na kon houden. Als je staande hield dat immigratie een mislukking was, liet je je kennen als racist. De filosoof Pierre-André Taguieff bedacht de uitdrukking ‘immigrationisme’ voor de heersende ideologie dat immigratie altijd ‘zowel goed als onvermijdelijk’ is. Echte discussies – over de toenemende ‘diversiteit’ van de Europese samenleving en de vraag of dat iets goeds of iets slechts was – werden nagenoeg geblokkeerd.

DIVERSITEIT WAS DE NOEMER voor een sociologische realiteit (je zag meer uitheems ogende mensen om je heen) én een ideologie (je hoorde meer uitheems ogende mensen om je heen te zien). Deze ideologie stemde volmaakt overeen met de neutraliteit die omhelsd werd door de architecten van het Europese ideaal. Maar in werkelijkheid kon diversiteit nooit een stabiel of neutraal ideaal zijn, omdat Europeanen niet genoeg van andere culturen wisten om dat ervan te maken. Terwijl Europeanen gemakkelijk hun eigen vooroordelen opzij konden schuiven, bleven de vooroordelen van andere etnische groeperingen voor hen uiteraard verborgen. De kern van het Europese universalisme werd gevormd door het Europese provincialisme.
Europeanen die kerken als broedplaatsen van stupiditeit, seksisme en bijgeloof zagen, wisten niet genoeg van moskeeën of ashrams om zich een oordeel te kunnen vormen, en lieten ze ongemoeid. Ze maakten een eind aan de reeds alom bespotte lessen vaderlandse geschiedenis over de verdiensten van onze primitieve voorvaderen, maar de nieuwe lessen over de verdiensten van andere culturen en de gerechtvaardigdheid en verhevenheid van uitheemse politieke doelen namen ze tot zich met een kinderlijke goedgelovigheid. In feite betekende diversiteit dat de vaste rangordes van voorheen op hun kop werden gezet.
De relatie tussen diversiteit en immigratie werd gekenmerkt door een duidelijke ongerijmdheid. Als diversiteit naties dermate ‘verrijkte’ en ‘sterker maakte’ als iedereen beweerde, waarom zou een natie dan ooit de wens koesteren dat immigranten in de bredere samenleving integreerden? Dat zou juist een verarming betekenen voor de waardevolle rijkdom aan diversiteit van een natie. Immers, Ethiopiërs zijn er voor het opdienen van Ethiopisch eten en niet om banen te krijgen als marketingmanager en mondhygiëniste. Of was het de bedoeling dat het diversiteitsaanbod permanent op voorraad zou blijven door middel van immigratie? Dat wilde geen enkel Europees publiek. Daarom maakten Europese leiders zich sterk voor grootschalige immigratie door te zeggen dat deze hun land anders zou maken (door diversiteit), en er in één adem aan toe te voegen dat hun land met immigratie hetzelfde zou blijven (door integratie).
Diversiteit kreeg de meest hartgrondige bijval in de sfeer van het consumentisme, met name op het gebied van de keuken en de mode. In de jaren vijftig en zestig, nog voordat immigranten de Europese cultuur ook maar enigszins merkbaar hadden veranderd, waren de Europeanen ontzettend dankbaar voor de nouveautés die immigranten meebrachten, van samba en hasjiesj tot baba ghanoush. Maar vanaf de jaren zestig kreeg immigratie steeds minder te maken met de curiositeiten die het winkelende publiek naar believen kon oppikken of laten liggen en steeds meer met de structurele fundamenten van de samenleving: sociale zekerheid, het floreren van belangrijke industrieën, de inbreng van diverse Europese economieën in de wereldhandel en de rechtsbeginselen voor de regulering van transacties tussen individuen. Maar terwijl Europa door immigratie tot in de kern veranderde, bleef het politieke vocabulaire vreemd genoeg hetzelfde als toen immigratie nog een randverschijnsel was. De mensen bleven over leuke restaurantjes praten.
Niet-Europese immigranten waren sociaal-economisch gezien misschien niet te benijden, maar existentieel gezien beslist wél. Ze waren cooler. Ze waren de aristocraten van de (etnische) identiteit. Dit was de boodschap van Gringo, een fascinerend nieuwsblad dat werd opgericht in de door veel immigranten bewoonde voorsteden van Stockholm. De in een getto opgesloten ‘svartkalle’ – Zweeds jargon voor ‘zwartkop’ – werd op stereotiepe wijze vertrapt en buitengesloten. Maar op de pagina’s van Gringo werden autochtone Zweden neerbuigend ‘svennar’ genoemd, net zoals blanken in het Amerikaanse gettoslang allemaal ‘chuck’ heten. Autochtone Zweden waren absoluut niet cool en konden waarschijnlijk niet dansen. Ieder nummer droeg het opschrift ‘Sveriges svenskaste tidning’ (‘Zwedens meest Zweedse krant’). De uitgever van het blad, Zanyar Adami, zei soms dat Gringo streefde naar het creëren van een nieuwe Zweedse nationale identiteit. Je mag aannemen dat dit neerkwam op verwijdering van de drukkende last van de oude identiteit.
De massale immigratie en de demografische revolutie waarmee ze gepaard ging, werd lange tijd verdedigd als middel om dit deel van de wereld aan een broodnodige verjongingskuur te helpen. Maar hoeveel jongeren had Europa nodig? En waarvoor had Europa die nodig? Was het voor een meetbaar rendement? Of was het louter om een toevloed van nieuwe dynamiek te verschaffen aan een samenleving die te oud en te moe was om zelf in dat soort dingen te voorzien? Corinne Hofmanns erotische autobiografie Die Weiße Massai (‘De blanke Masai’) – waarin ze vertelt hoe ze tijdens een trip naar Kenia haar oog liet vallen op het met juwelen getooide lichaam van een jeugdig stamlid, geheel in de ban van hem raakte en daarop besloot haar leven in Zwitserland op te geven – weerspiegelde niet alleen Hofmanns smaak maar die van de hele Duitstalige wereld. Van het boek werden vier miljoen exemplaren verkocht en het stond jarenlang op Duitstalige bestsellerlijsten.
Europeanen begonnen het gevoel te krijgen dat ze verachtelijk en klein, lelijk en aseksueel waren. Van de schitterende romans van Michel Houellebecq, waarin dit soort zorgen minutieus wordt ontleed, werden miljoenen exemplaren verkocht in heel Europa. De held van Elementaire deeltjes (1998), bijvoorbeeld, beschrijft de culturele gekweldheid en seksuele onzekerheid die hij ondergaat terwijl hij Proust en de Franse klassieken doceert aan zijn voornamelijk van immigranten afstammende leerlingen op een middelbare school aan de rand van Parijs. Niemand heeft belangstelling voor Proust, en het meisje waar hij smoorverliefd op is, kruipt voor een Afrikaanse scholier, een echte macho (‘die baviaan’, zoals de verteller hem noemt), die alleen maar minachting voor hem koestert. Houellebecqs docent krijgt geleidelijk het vermoeden dat de hoge Europese cultuur die hij probeert te slijten misschien wel waardeloos is: ‘Wat was een bankier, een minister, een topmanager, in vergelijking met een popster? Financieel, seksueel, en eigenlijk in alle opzichten, een loser. De door Proust zo subtiel beschreven strategieën voor distinctie sloegen nergens meer op.’

VOOR WESTERLINGEN is het intussen al bijna een tweede natuur geworden om ervan uit te gaan dat je je moet verzetten tegen alles wat vertrouwd, traditioneel en westers is, en dat alles wat verwarrend en uitheems is, beschermd dient te worden. Europeanen begonnen hun eigen cultuur te minachten, net zoals hun bekrompen voorouders de culturen van andere volkeren hadden geminacht.
De Duitse jurist Udo Di Fabio waarschuwde in 2005 dat de taal van multiculturalisme en diversiteit ‘wellicht de poorten openzet voor nieuwe middeleeuwse tijden, waarin het menselijk individu niet toonaangevend is, maar het geheel van harmonieus ingedeelde groepen’. En de manier waarop groepen werden ingedeeld gaf autochtonen vaak het gevoel dat ze tweederangsburgers waren in hun eigen land. Een rapport uit 2008 van een Britse overheidsinstelling meldt: ‘Blanke mensen hebben minder vaak het idee dat ze beslissingen op lokaal niveau kunnen beïnvloeden dan mensen uit etnische minderheidsgroepen (37 tegen 45 procent). Blanke mensen hebben ook minder het idee dat ze invloed kunnen uitoefenen op besluiten met betrekking tot Groot-Brittannië (19 tegen 31 procent).’ We horen het pessimisme van blanken over de uitoefening van hun rechten raadselachtig of verbazend te vinden, maar dat is het natuurlijk niet. Het weerspiegelt een overtuiging dat hun aspiraties niet het werkelijke onderwerp zijn van de Britse politiek.
De boodschap dat meerderheden óók behoeften hebben, is vaak niet welkom. Bassam Tibi, een uit Syrië afkomstige socioloog in Duitsland, opperde dat de Duitse cultuur diende te worden gezien als de voornaamste of leidende cultuur (Leitkultur) in de multiculturele samenleving van Duitsland. Tibi werd aan de schandpaal genageld vanwege zijn suggestie dat Beethoven en Thomas Mann eigenlijk een belangrijker rol verdienden bij de vorming van een nationaal bewustzijn dan uitheemse geluiden.
De waarden die de Europeanen vrij hadden moeten maken, hadden op hen een verlammend effect, tot aan het punt waarop zelfs het vasthouden van Europeanen aan de eis dat immigranten zich aanpasten aan de Europese levenswijze onder vuur kwam te liggen. ‘Wij achten een willekeurige menselijke handeling niet langer legitiem, of ook maar begrijpelijk’, schreef de filosoof Pierre Manent, ‘als niet kan worden aangetoond dat deze onderworpen is aan een bepaalde universele rechtsregel, of aan een bepaald universeel ethisch beginsel.’
In de jaren voordat Gordon Brown premier van Groot-Brittannië werd, suggereerde hij dat zijn landgenoten duidelijker uitdrukking moesten geven aan de waarden en gewoonten die ieder lid van de samenleving, ongeacht diens achtergrond, behoorde te respecteren. Het was mosterd na de maaltijd. De oude, op religie gegrondveste culturen van Europa hadden precies de functie waarvan Brown had gerept, totdat men in de jaren zestig en zeventig, met het groeiende streven naar persoonlijke vrijheid en individuele autonomie, hun bestaansreden in twijfel begon te trekken, waarna ze in de jaren tachtig en negentig werden afgedankt, om Europa aldus toegankelijker te maken voor minderheden. Hoe kon Brown dan verwachten dat immigranten en hun kinderen zouden bijdragen aan de heropleving van een cultuur waar autochtonen en hun kinderen eigenlijk alleen maar om moesten lachen?


Christopher Caldwell is columnist van The Financial Times en schrijft voor The New York Times en Weekly Standard. Dit is een ingekort hoofdstuk uit zijn boek De Europese revolutie: Hoe de islam ons voorgoed veranderde (Ambo, € 29,95) dat volgende week verschijnt.
Vertaling: Peter Diderich