H.J.A. Hofland

Balans van Balkenende

Jan Peter Balkenende verscheen op het nationale toneel in een tijd van crisis, na de eerste politieke moord sinds 320 jaar. Het was in de zomer van 2002, de dagen van de eerste zelfvernietigende ruzies in de LPF en van de eerste kogelbrieven die vooral door anonymi van de vernieuwing aan leden van de linkse kerk werden verstuurd. Het leek waarachtig wel alsof het vrije woord werd bedreigd. Een van de weinigen die dat toen heeft geschreven, was Bart Tromp, in Het Parool. Het werd tijd dat het kabinet een kalmerende kanttekening plaatste. Na enig nadenken verklaarde een minister dat het niet zo mocht zijn dat… Daarna werd de nationale discussie volgens de inmiddels gevestigde nieuwe toonzetting verder gevoerd. Dat is nu twee jaar geleden.

Tot dusver hebben de kabinetten-Balkenende I en II niets onvergetelijks tot stand gebracht. Er is wel ontzettend veel gebeurd, het land verkeert al meer dan drie jaar in een revolutionaire roes, maar op een of andere manier lijken de bewindslieden er niet ontvankelijk voor te zijn. We hebben grote stakingen gehad, twee opgepompte schandalen waarbij leden van het Koninklijk Huis waren betrokken, rellen waardoor mensen hun huis uit zijn getreiterd. Balken ende II is verder naar rechts geschoven. Maar als je zou worden gevraagd naar de grote daad of het historische woord waarmee de minister-president zich in het tumult onvergetelijk heeft gemaakt, voor nu en later, dan zou je het niet weten.

Is dat ernstig? Het hoeft niet. Je kunt een crisis ook tactisch bedwingen, zonder grote daden of historische toespraken. «De boel bij elkaar houden», noemt burgemeester Cohen dat. Iedere crisis heeft zijn eigen energie. Geef je de aanstichters niet hun zin maar wel een zekere ruimte, en doe je intussen genoeg aan het bestrijden van de oorzaken, dan worden ze moe, het publiek wil zijn normale leven terug en zo verliest de opstand langzamerhand haar bestaansrecht. Het zal een paar jaar kosten, maar het kan lukken.

Die tijd werd de premier niet gegund, want toen kwam de tweede moord en daarmee het vervolg van de nationale zelfontmaskering. In het kabinet en tussen de minister van Binnenlandse Zaken en diens partij laaide een geweldige ruzie op. De AIVD bleek minder goed te werken dan het volk gedacht had. Minister Donner wilde het vloeken nu serieus gaan verbieden. Hirsi Ali verdween uit het zicht, om redenen die iedereen wel zou begrijpen. Na deze moord leek het kabinet een club generaals van een leger op de vlucht.

Intussen werden verderop in het land moskeeën, kerken en scholen in brand gestoken. De radicaalste zuiveraars troffen voorbereidingen tot een pogrom. Opnieuw werd de toon van het publieke debat gezet door minachting en haat. In zo’n klassieke situatie van verwarring schreeuwt het volk om leiding. Hier en daar werd door vooraanstaande, radeloos geworden columnisten al geroepen om interventie van de koningin.

Maar dat hoefde niet, want wij hebben een minister-president die via de democratische procedure op die plaats terecht is gekomen. Hij had een grote rede moeten houden, waarin hij gezegd zou hebben dat hier een nationale ramp niet meer denkbeeldig is. Dat je «in dit land niet met elkaar omgaat door elkaar te vermoorden», ja, dat zal waar wezen. Hij had lang en met klem van argumenten moeten uitleggen dat zestien miljoen mensen die op een klein oppervlak wonen, maar voor één optie kunnen kiezen: zich volgens de wet gedragen, zakelijk met elkaar verkeren, of weggaan als ze niet willen worden opgesloten. Dat geldt voor iedereen, ongeacht geloof, afkomst, bijzondere zeden en gewoonten. Wie zich daaraan houdt zal ontdekken dat hij in een land leeft dat zijn verdraagzaamheid nog niet volstrekt heeft verloren.

Balkenende heeft twee prijzenswaardige eigenschappen. Hij is niet bang en hij wil het goede. Fatsoen moet je doen, zegt hij. Maar dit goede, volgens zijn formulering, is in deze tijd een onverkoopbaar artikel. Iedereen, jong en oud, arm en rijk, agnost, christen, moslim, allemaal zijn we in theorie voor normen en waarden. Lege blikjes niet op straat, opstaan voor oude mensen, geen scheidsrechters of leraren uitschelden, niet je middelvinger opsteken tegen wie of wat dan ook. Het hele paleis van fatsoen dat we al een halve eeuw met versneld succes aan het afbreken zijn, niet alleen in Nederland maar overal in het Westen (hoewel ik het gevoel heb dat het hier sneller gaat).

Balkenende heeft twee tekortkomingen. Hij drukt zich uit in politiek Haags, en doet dit zo snel dat je hem vaak niet kunt verstaan. Politiek Haags is het Nederlands dat je gebruikt om niet te laten merken wat je bedoelt, behalve dat je het over «samen in dit land hebt». Politiek Haags is op zijn best het tegendeel van duidelijkheid, omdat je er alle kanten mee op kunt, en op zijn slechtst niet te verstaan. Onze minister-president verenigt zijn moed en ouderwetse goede bedoelingen met het politiek Haags op zijn onverstaanbaarst.

Je durft het bijna niet meer op te schrijven, zo’n uitgekauwde gemeenplaats is het. Maar het is nu eenmaal zo. We leven in de televisiedemocratie. Wil je je daarin als politicus handhaven, dan moet je in de allereerste plaats duidelijk en oorspronkelijk kunnen praten. Dit zal de minister-president talloze keren gezegd zijn. Hij kan het geen van beide. Hij praat niet, hij frommelt. En in tijden van grote verwarring gaat het niet zonder een stevige visie die het publiek meteen kan begrijpen. Die heeft hij niet. Daardoor komt het dat hij zijn moed vergeefs betoont, en dat geen mens serieus naar hem luistert.