100 jaar De Stijl, Theo van Doesburg

Baldadig minimaal

Schrijver/dichter K. Schippers haalt herinneringen op aan architecten en kunstenaars rond Theo van Doesburg, oprichter van De Stijl.

Medium fig. 3 colour composition ii for ground floor  theo van doesburg  1921.  museum dr8888
Theo van Doesburg, Kleurencompositie II voor de begane grond, 1921. Drachten © Museum Drachten

In de loop der jaren sprak ik vier architecten over Theo van Doesburg. Drie van hen hebben met hem samengewerkt, C.R. de Boer, A. Elzas en C. van Eesteren. Aldo van Eyck kende hem niet, maar hij heeft Van Doesburgs erfenis wel toegankelijk gemaakt.

In Drachten leerde Van Doesburg (1883-1931) door toedoen van de schrijver-schoenmaker Evert Rinsema, met wie hij in militaire dienst zat, de architect C.R. de Boer kennen. Zij werkten samen aan zestien middenstandswoningen in de Torenstraat, aan de daartegenover gelegen Landbouwwinterschool en aan enkele andere huizen en gebouwen. Van Doesburg ontwierp in Weimar de kleurvlakken voor de gevels en interieurs.

In 1964 ging ik met Reinold Kuipers van uitgeverij Querido naar Drachten om De Boer te bezoeken. De glas-in-loodramen zaten nog in de Landbouwwinterschool, maar de kleurvlakken die Van Doesburg ook hier had aangebracht, waren in 1921 al weer van de muren gekrabd. De inwoners van Drachten spraken niet voor niets over de papegaaienbuurt.

Waarom was Van Doesburg met architect De Boer in zee gegaan? De Torenstraat zag er nogal gemiddeld uit. De Boer vertelde ons dat hij ook niet wist of Van Doesburg zijn huizen wel zo mooi vond. Het klonk of hij zijn kleurmedewerker nooit helemaal had vertrouwd.

Terwijl zijn huishoudster de thee boven op een paar uitgaven van Kurt Schwitters serveerde, zei De Boer dat er in Drachten haast een oproer was toen de kleuren eenmaal op de huizen zaten. Hij zei niet dat Van Doesburg elke kans had aangegrepen om kleur en architectuur te verenigen, desnoods op een huis uit de zeventiende eeuw. Hij kon zo goed als nergens aan de slag en daarom vond hij Drachten niet te min.

In 1988 werden de kleuren weer op de huizen aangebracht. Als je ze nu bekijkt, bewonder je de overmoed van Van Doesburg. Je schiet in de lach, iets onmogelijks is gelukt. Enkele huizen hebben ook binnen hun oorspronkelijke kleur teruggekregen.

Acht jaar na Drachten, in het voorjaar van 1929, gaan twee Nederlandse mannen de kantine van de universiteit tegenover Parc Montsouris te Parijs binnen. De oudste is 45, de jongste twintig. Ze weten dat ze hier een goedkope maaltijd kunnen krijgen. Ze pakken een bord, gaan in de rij staan, nemen iets, krijgen aan het eind van de toonbank een bon en gaan aan een tafeltje zitten. Pas later moeten ze bij de uitgang afrekenen.

Onder het eten vragen ze zich af of het nog goedkoper kan. De oudste krijgt een idee. Als ze nu straks nog eens voor een kleinigheid in de rij gaan staan, dan krijgen ze weer een bon. Met die bon loop je naar de kassa en zo blijft de hoofdmaaltijd buiten schot.

De toen 87-jarige architect A. Elzas vertelde mij dit in het voorjaar van 1995. Hij was de jongste van de twee, een beginnend architect die zijn praktische leerjaar in Parijs wilde doen. De schilder Otto B. de Kat zei dat hij het eens bij Van Doesburg moest proberen. Die kende bijna iedereen in Parijs. ‘U kunt bij mij meteen als tekenaar beginnen’, had Van Doesburg gezegd. Elzas zou in de jaren dertig de synagoge in de Amsterdamse Lekstraat bouwen. Na de oorlog was hij betrokken bij de bouw van Breuers Bijenkorf in Rotterdam.

Theo en Nelly van Doesburg woonden dat jaar in een atelier van de Villa Corot aan de rue d’Arcueil. Elzas kwam er dagelijks aan het nieuwe huis in Meudon werken. Het was gemeubileerd door Van Doesburg gehuurd. Er stonden barokkasten in en stoelen die aan een kruising tussen Byzantijns en Queen Anne deden denken. Aan het plafond hing een geelkoperen luchter met vele armen. In niets voldeed het aan de eisen die Van Doesburg aan een werkruimte stelde: ‘Uw atelier moet de koude atmosfeer hebben van de bergen op drieduizend meter hoogte: de eeuwige sneeuw moet er liggen.’

Van Doesburg moest zijn mooiste huis in Meudon-Val-Fleury nog gaan bouwen. Hij kwam met dubbele bonnen door het leven en werkte, praktisch als hij was, in een met zijn ideeën strijdige omgeving. Uit het niets vond hij steeds weer een oplossing om een fantastisch werk te maken.

Voor de Holland Dada-veldtocht in 1923, met Theo en Nelly van Doesburg, Kurt Schwitters en Vilmos Huszár, probeerde Van Doesburg ook de in Parijs wonende Roemeen Tristan Tzara te strikken. Een gunstig percentage van de recette, goede slaapplaatsen, niets hielp.

Ten slotte begon hij over eventuele bezoekjes aan Kloos en Van Deyssel, dichters in wie Van Doesburg niets zag, en opende hij het perspectief van een reisje naar Volendam en Marken. ‘Neem een boot recht tegenover het Centraal Station.’ Je ziet het voor je, Tzara op het dek naar Marken, waar hij op klompen en in de klederdracht van het eiland, z’n monocle in een oog geklemd, voor de fotograaf poseert.

Wat zou de architect C. van Eesteren van Tzara’s trip hebben gevonden? Toen ik hem begin jaren tachtig sprak was hij adviseur bij de aanleg van de Markerwaard. Die was in studie, de nieuwe polder zou er, compleet met vliegveld, volgens Van Eesteren zeker komen. De kritiek van milieuactivisten wuifde hij weg. Er bleef genoeg water over.

Van Eesteren had in de jaren twintig met Van Doesburg gewerkt. Hij was er al gauw stedenbouwkundige bij geworden en werkte tussen 1924 en 1964 bij de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam. In 1934 voltooide Van Eesteren het ontwerp voor het Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam, waarvan Bos en Lommer in West een onderdeel is. Voor de eigenlijke bouw waren de door hem uitgenodigde architecten verantwoordelijk. Later was Van Eesteren ook betrokken bij de totstandkoming van de Amsterdamse randsteden Geuzenveld, Slotermeer, Osdorp en de Bijlmer.

‘Uw atelier moet de koude atmosfeer hebben van de bergen op drieduizend meter hoogte’

Ik verweet Van Eesteren dat hij, de ontwerper van de sombere buurt uit mijn jeugd, de ideeën van De Stijl had verloochend. We kregen het al gauw over Theo van Doesburg. Die benaderde de bouw, volgens Van Eesteren, te veel vanuit de kunst. Zo zou er nooit iets van de grond komen.

Van Eesteren wilde geen l’art pour l’art-architectuur. Je moest de status-quo nemen en die dan proberen te veranderen. Ik moest maar bedenken dat hij nooit iets had kunnen bouwen als hij was blijven steken in De Stijl.

Hij had nog het meest geleerd van Kurt Schwitters. Die werkte met kant-en-klare voorwerpen en papiertjes, met wat hij zomaar ergens aantrof. Dat deed Van Eesteren ook. Toen we het weer over Van Doesburg kregen, keek hij, meer dan vijftig jaar na Theo’s dood, pijnlijk getroffen, alsof z’n vroegere collega hem nog steeds de voet dwars zette.

De laatste architect is Aldo van Eyck. Hij raakte vlak na de Tweede Wereldoorlog bevriend met Nelly van Doesburg. Theo was toen al gestorven.

Van Eyck woonde met de architecte Hannie van Roojen in Zürich. Hij leerde er Carola Giedion-Welcker kennen, de grote voorvechtster van James Joyce, Mondriaan, Hans Arp en Kurt Schwitters, met wie zij ook correspondeerde.

Carola Giedion vertaalde enkele gedichten van Van Doesburg in het Duits en die kwamen in 1946 in haar bloemlezing Poètes à l’écart: Anthologie der Abseitigen samen met werk van onder anderen Jarry, Picabia en De Chirico. Gerrit Kouwenaar vertelde mij eens dat hij juist aan deze bloemlezing ontzettend veel heeft gehad.

Als Giedions ambassadeur bracht Van Eyck levensmiddelen, brieven en andere zaken naar haar vrienden, onder wie Brancusi, Tzara, Giacometti en ook Nelly van Doesburg.

Ik ontmoette Van Eyck in het voorjaar van 1995. Hij sprak anders over Theo van Doesburg dan de aarzelende De Boer en de zenuwachtige Van Eesteren. Vooral het terras pal onder het atelier van het huis in Meudon had bij zijn eerste bezoek in 1944 grote indruk op hem gemaakt. De open ruimte van acht bij zes had hem beïnvloed, zeker bij de bouw van het burgerweeshuis in Amsterdam. Het lijkt volgens Van Eyck een terras, maar het is een kamer waar de ramen aan ontbreken. Het is een ruimte die zich zowel binnen als buiten bevindt, dat eeuwige verschil is opgeheven.

Invloed van Le Corbusier? ‘Wat doet het ertoe’, zei Van Eyck. ‘Wie niet openstaat voor invloeden, zal nooit iets bouwen. Hoe vaak heb ik als ik iets maakte niet aan Duiker of Sophie Taeuber gedacht.’ Met Van Eyck kreeg ik het over Hans Arp. Hij had de vriend van Van Doesburg al in Zwitserland leren kennen, het contact werd, mede door Nelly, in Meudon voortgezet. Arp woonde iets hoger dan Nelly op de heuvel.

Toen Aldo en Hannie van Eyck eind 1946 naar Nederland terugkeerden, zat er werk van Tanguy, Miró en Theo van Doesburg in hun bagage. Voor Aldo vormden het surrealisme en De Stijl geen tegenstelling. Ze hoorden beiden tot ‘the great gang’. Van Eyck herinnerde zich dat Lucebert bij hem thuis, terwijl hij op de grond lag, de gedichten van Arp overschreef. Aldo had de boekjes van Arp uit Zürich meegenomen.

Ook bij de inrichting van de grote Amsterdamse Cobra-tentoonstelling in 1949 speelde Van Doesburg een rol. Van Eyck hing de schilderijen van Constant en de anderen aan de wand of het onderdelen van een Stijl-compositie waren, hoog, heel laag of in het midden. Zo maakte Cobra deel uit van ‘the great gang’ en sloop De Stijl, nog voor het late overzicht in 1951, het Stedelijk Museum binnen.

De Boer en Van Eesteren dachten met de nodige reserve aan Van Doesburg terug. Voor Elzas was zijn leermeester een dierbare herinnering. Van Eyck verwerkte zijn invloed en nam hem samen met Arp mee naar Nederland. En toch bleef Van Doesburg lang onzichtbaar.

Het heeft zeker iets te maken met zijn vroege dood in 1931, hij was nog maar 47, al heeft Nelly er van alles aan gedaan om zijn ideeën in Amerika te verspreiden.

In dit Stijl-jaar is er nu wel veel van Van Doesburg te zien en toch weet ik niet of de relatieve onbekendheid van zijn werk een nadeel is. Zijn gedichten, schilderijen, huizen en grafische ontwerpen houden bij elkaar iets agressiefs en baldadigs, eerder een mentaliteit dan een deftig kunstwerk. Hoe moet je die benoemen?

In de ruim veertig jaar na zijn dood uitgegeven dichtbundel Nieuwe woordbeeldingen bestaan de ‘Letterklankbeelden’ alleen nog uit typografie, ritme en klank. Letters, meer niet. Dat bewust gekozen minimum vind je ook in zijn schilderijen. Pure kleur, geen verhalende voorstelling.

Wie wel eens in een huis of gebouw van Van Doesburg heeft gelopen, weet dat hij een eerbetoon aan de ruimte wilde brengen. Hij wijkt voor de ruimte terug, wil haar niet beschadigen. De letters, de kleur en de ruimte krijgen bij hem iets anoniems. Het doet er niet toe door wie ze zijn aangeraakt. Dat moeten ook De Boer, Elzas, Van Eesteren en Van Eyck hebben gevoeld, met al hun persoonlijke reacties van dien.

De onbekendheid van het werk van Theo van Doesburg hoort bij het anonieme in elke omgeving. Een berm, een leeg weiland, een stapel stenen, ongebruikt, bij plekken die onbesproken blijven.