Hoofdcommentaar: Balkenende-blues

Balkenende-blues

In de wandelgangen worden ze al «de hobbykippen van Balkenende» genoemd, de tien vrouwen (vijf ministers en vijf staatssecretaresses) die de euvele moed hebben opgebracht om plaats te nemen in het (vermoedelijk) laatste politieke experiment van het gereformeerde orakel uit Kapelle (Zeeland). Een ongeëvenaard getal, maar de vraag is gerechtvaardigd of de feministische zaak er op langere termijn wel mee is gediend. Was het uiteindelijk niet de bedoeling dat met het uitkristalliseren van het vrouwelijke element in de politiek «de zachte krachten zouden overwinnen», om die grote pionierster voor de rechten van de vrouw Henriëtte Roland Holst te citeren? Daar is nu weinig van te bespeuren. Als de grote feministische doorbraak alleen maar kon worden bereikt door middel van een faustiaans pact met de allerconservatiefste rekenmeesters uit de Haagse herenclubs, die heden het jachtseizoen op de bijstandsmoeders hebben geopend, zou dat uiteindelijk wel eens averechts kunnen werken. «Het vrouwelijke in de politiek» dreigt zo voor jaren in een slechte reuk te komen staan, en voor je het weet zit je qua vrouwelijke deelname in het kabinet weer op het niveau van Marga Klompé.

Toegegeven: de tien vrouwen zitten — uitgezonderd dan de voormalige gevangenisdirectrice Rita Verdonk, die namens de VVD Hilbrand Nawijn opvolgt op Vreemdelingenzaken en Integratie — niet in de hoek waar de eerste mokerslagen van de sociale kaalslag van Balkenende II zullen vallen. Maar zij hebben wel allemaal hun handtekening moeten zetten onder het regeerakkoord. En daarmee stemmen zij toch in met het meest vrouwonvriendelijke kabinet sinds Lubbers I. Want het zijn vooral vrouwen over wier ruggen al die vele miljarden euro’s uit de overeengekomen bezuinigingsquota zullen worden opgebracht.

De «versobering» die op gebieden als bijstand, zorg en kinderen door Balkenende II wordt verordonneerd, zal natuurlijk niet alleen door vrouwen, maar wel door onevenredig veel van hen worden gevoeld. De vele bijstandsmoeders voor wie die tweehonderd euro eigen risico van het ziekenfonds inderdaad de genadeklap is, zullen dan ook weinig interfeminiene trots hebben gevoeld bij de aanblik van al die breed glimlachende zusters op de paleistrappen bij de koningin. Net zo min als al die vrouwen onder de 45 die geestelijk of fysiek geknakt in de WAO zijn beland en die straks en masse richting minimumuitkering van de soos zullen worden gedirigeerd door zogeheten herkeuringsartsen.

Vrouwen zijn in crisistijd van oudsher loslopend wild (het eerst ontslagen, het laatst aangenomen), maar juist door de accenten die Balkenende II heeft gelegd bij het hanteren van de financiële kaasschaaf zijn ze nu helemaal het kind van de rekening. Balkenende II staat voor de liquidatie van de sociale infrastructuur waar juist vele vrouwen van afhankelijk zijn, van de bijstand tot de kinder opvang, peuterspeelzalen, hulpverleningsinstanties, buurtcentra, kortom datgene wat vroeger wel eens als de «zachte sector» werd aangeduid maar al lang is komen te behoren tot het harde fundament van het leven van talloze vrouwen. In de ogen van die vrouwen zullen de dames van JP toch vooral «excuustruus» zijn, achter wier bordkartonnen façade van moederlijke warmte en vrouwelijke innovatie toch weer het oude spel der mannenbroeders wordt gespeeld.

In eenzelfde, zo mogelijk nog moeilijkere positie bevindt zich D66. De partij staat op het punt zich op dramatische wijze van haar natuurlijke achterban te vervreemden. De hoge tol die Jan Terlouw indertijd betaalde voor zijn desertie uit het Den Uyl-kamp zal wellicht nog een lachertje blijken. Hoezeer Boris Dittrich zijn partij er ook van heeft verzekerd dat zijn zes zetels in de Kamer «goud waard» zijn (in de zin dat hij veel van CDA en VVD gedaan zou hebben gekregen), op de iets langere termijn zijn de Democraten toch gedoemd roemloos onder te gaan in het bezuinigingsgeweld tussen Balkenende en Zalm. Voor veteraan Laurens-Jan Brinkhorst (minister van Economische Zaken) is dat geen ramp. Hij had in gedachten toch al afscheid genomen van het politieke bedrijf, en sinds de boerenoorlogen op de Veluwe die hij op Landbouw moest doorstaan, is hij alles gewend.

Veel erger ziet het eruit voor minister Thom de Graaf, die is begonnen aan de grootste farce van zijn bestuurlijke carrière. Als dakloos spookminister moet hij zich midden in crisistijd gaan zetten aan de bestuurlijke vernieuwing van Nederland, en dat met twee partners die daar in werkelijkheid helemaal niets voor voelen en D66 alleen maar uit wanhoop in hun midden hebben opgenomen. Het getuigt van enige moed, maar van weinig intelligentie — zoals nu eenmaal hoort bij een pyrrusoverwinning. Hoeveel grensverleggende nota’s stilletjes moeten verdwijnen in de kabbelende golfjes van een onwillige Tweede Kamer voordat De Graaf er achter komt dat hij bij de neus is genomen, valt nu nog niet te voorspellen, maar wel dat dat moment vroeger of later komt. De Democraten kunnen dan de laatste restjes van hun partij bijeenvegen en proberen met een spectaculaire wisseling van de wacht (Lousewies van der Laan!) nog iets van de winkel te redden. Hun plaats in het kabinet zal dan ongetwijfeld worden ingenomen door de «wild bunch» van de LPF, die de natuurlijke bondgenoten van Balkenende zijn maar die erkenning maar niet willen krijgen.

De gewezen staatssecretaris van Cultuur Cees van Leeuwen — ex-lid van de symfonische-rockgroep Kayak — schreef er al een licht verbitterd afscheidslied over, de Balkenende Blues. Het is geen nummer met hitpotentie, maar dat Nederland anno 2003 toe is aan de blues — van oudsher het lied van de slaven en de verdrukten —, dat had de ex-bewindsman toch goed gezien.