Hoofdcommentaar

Balkenende heeft zichzelf klem gezet

Blijven of gaan? Dat is de vraag. Irak is echt belangrijker dan de vraag of Johan Friso en Mabel Wisse Smit naïef zijn geweest, om maar eens een nationale kwestie te noemen waarvoor zeventien procent van de Nederlanders maandag thuis bij de buis is gebleven.

Het draait in Irak om meer dan alleen de verhouding van Nederland tot het plan van de Verenigde Staten en Groot- Brittannië om het Midden-Oosten rijp te maken voor een waarachtige democratische markteconomie. Het gaat uiteindelijk om de vraag of ook Nederland in oorlog wil zijn.

Sinds 1 april is het immers mis in Irak. De Amerikaanse regering doet haar best de indruk te wekken dat het geen ramp is. Daarvoor is iets te zeggen. Wederopbouw en democratisering kosten tijd. In Duitsland, om maar eens een voorbeeld te noemen, duurde het na de capitulatie van mei 1945 twee jaar voordat de eerste regionale verkiezingen werden gehouden en vier jaar totdat het landelijk zo ver was. Op 30 juni zullen de Verenigde Staten de macht dus overdragen aan de Irakezen. Aan wie en hoe is vooralsnog van later zorg. Maar intussen verkruimelt de Amerikaanse coalitie. Menige bondgenoot gunt zichzelf niet de tijd die Washington eist. Spanje trekt zijn troepen terug. Honduras volgt.

Het woord is over een paar weken ook aan Nederland. Het kabinet talmt. Op bezoek bij president Bush heeft premier Balkenende deze maand het achterste van zijn tong niet durven laten zien. «We moeten schouder aan schouder staan», aldus Balkenende. Wat hij daarmee bedoelde, bleef onduidelijk. «De premier heeft thuis nog wat kwesties af te handelen», begreep Bush. De president had volgens Balkenende niet eens gevraagd naar de naderende beslissing van het kabinet.

In de boezem van de regering worden de messen niettemin geslepen. Minister Bot van Buitenlandse Zaken heeft zijn kaarten nog niet uitgespeeld. Als Nederland weg zou gaan, zou het «toegeven aan terreur». Volgens hem wordt «juist nu in Irak enige vastberadenheid gevergd». Let op het woordje «enige». Het liefst zou Bot de Verenigde Naties op de regiestoel in Irak willen laten plaatsnemen, al heeft hij weinig hoop dat de grootmachten buiten de coalitie (China, Rusland, Frankrijk en Duitsland) zich daartoe zullen laten verleiden. Minister Kamp van Defensie daarentegen heeft zijn keuze bepaald. De «toon van morele superioriteit» van de oppositie komt hem «de keel uit». De tegenstanders van de missie in Irak kunnen beter zelf een «bezoek aan de keelarts» brengen dan hem op zijn vestje spugen. De Nederlandse militairen mogen niet weg. «Wat blijft er dan over van alles wat we hebben opgebouwd?» was de retorische vraag van Kamp.

Deze hartenkreet is binnen de zone waarin de 1175 Nederlanders opereren geen totale onzin. Afgaande op de berichten onderscheidt de provincie al-Muthanna zich van de rest van Irak. De chaos blijft er beperkt tot wat schietpartijen her en der. Maar daar gaat het niet meer om. Irak mag, sinds het is bevrijd van Saddam Hoessein, dan niet meer bestaan als eenheidsstaat. Het huidige hybride complex van regio’s, godsdiensten en clans, die elkaar nu eens bestrijden en dan weer steunen, oogt als een onbegaanbaar moeras. Daarin kan ook Nederland verzuipen. Vertrekken leidt vermoedelijk tot bloedvergieten onder Irakezen, blijven mogelijk tot body bags voor Nederlanders. Het kabinet-Balkenende staat daarom oog in oog met een duivels dilemma.

Maar medelijden is niet nodig. De regering heeft zichzelf in deze valkuil gemanoeuvreerd. De formule «wel politieke steun, geen militaire» aan de vooravond van de oorlog in 2003 was toen een typische truc met de kool en de geit. Nederland zou pas zijn beste beentje voor zetten als het vuile afbraakwerk was opgeknapt en het dankbare opbouwwerk kon beginnen. Dat moment leek aangebroken toen Bush op 1 mei 2003 de oorlog affloot. De Nederlandse mariniers die vervolgens naar al-Muthanna vertrokken, hadden dus een politieke taak.

Dachten we. Want bijna twaalf maanden later is de toestand toch anders dan Bush op 1 mei 2003 voorspiegelde. Formeel is er al een jaar geen oorlog aan de gang waarbij militaire steun nodig is. Maar dat is een té formalistisch argument. Oorlogen worden al lang niet meer per diplomatieke post verklaard. Ze beginnen gewoon. Oorlogen worden daarom vaak ook niet meer met de ondertekening van een vredesverdrag, ergens in een buitenverblijf nabij Parijs of Berlijn, beëindigd. Ze smeulen. Oorlog en vrede zijn processen, zoals dat eufemistische «peace process» al jaren illustreert. Eén ding is zeker in Irak. Van formele vrede noch formele oorlog is sprake. Waarvan dan wel? Laten we het een gewapend conflict zonder frontlijnen noemen.

In deze arena worden de bevrijders steeds meer als bezetters bejegend. Dus ook de Nederlanders. Of de soldaten in Irak volgens de regering nog steeds een politieke (en geen militaire) bijdrage leveren, is helaas niet meer aan de orde.

Conclusie. Als de Amerikaanse coalitie niet in staat is voor 1 juli de Verenigde Naties te bewegen tot een multilaterale en duurzame interventie in Irak, met blauwhelmen en al, dan vervalt de basis onder het standpunt van het kabinet-Balkenende om wel politieke maar geen militaire steun te verlenen aan de coalitie. Dat is inderdaad dramatisch. Het kabinet kan dat noodlot afwenden door zijn positie van een jaar geleden te wijzigen en de bakens te verzetten richting volledige militaire betrokkenheid. Zo’n wending zal de dekking van de soldaten in eigen land gevaarlijk ondermijnen. Want een dergelijke beslissing kan hooguit rekenen op een broze meerderheid in de Tweede Kamer. Maar het kan natuurlijk wel.

Durft het kabinet die tournure niet aan, dan zit er niets anders op dan: wegwezen.