Menno Hurenkamp

Balkenende in de Bosmeester

Balkenende vindt dat hij best mag zeggen dat Wouter Bos een leugenaar is. De premier stelde dit in een radio-interview en vroeg zich vervolgens hardop af waarom Bos zich daar zo druk om maakte. Want het is een speldenprikje om te zeggen dat iemand liegt en volgens de premier is het in dit geval nog een feit ook. Wat is er aan de hand? Met deze uitspraak hebben de negatieve Amerikaanse campagnes in ieder geval niet hun definitieve intrede in Nederland gedaan. Hoewel het zeker niet ‘fatsoen moet je doen’ is, is het geen ruige term om te zeggen dat iemand liegt. De termen liegen en leugenaar maken wel degelijk deel uit van het parlementaire vocabulaire, al worden ze meestal in ontkennende zin – ‘ik ben geen leugenaar’ – gebruikt en durft in het parlement slechts een enkele keer iemand het verwijt rechtstreeks te uiten.

Midden in een discussie uitroepen: ‘Pas op Bosje, ik weet waar je huis woont!’, dat zou pas spelverruwing zijn. Overigens hebben zijn voormalige coalitiegenoten van de LPF dat soort bedreigingen reeds geïntroduceerd in regeringskringen, dus ook daar zal Balkenende wel bekend mee zijn. Bovendien – en dat slaat op de tweede verklaring die de premier aanvoerde – mag je inderdaad best iemand voor de voeten werpen dat-ie wat anders beweert dan een paar jaar geleden. Voorspelbaarheid in de politiek is een zwaar overschatte eigenschap. Elke goede politicus hanteert twee basisprincipes: hij zorgt ervoor dat hij zeker niet voorspelbaar – lees: saai – is en legt zijn eigen beweeglijkheid uit als voortschrijdend inzicht. Het leuke van het derde argument dat de premier aanvoert om op de man te spelen is dat hij zich geweldig in zijn kaarten laat kijken. Balkenende meent dat er zoveel op hem is gescholden dat hij nu eens wat terug mag zeggen.

Als het leed van de afgelopen jaren maatstaf wordt voor zijn publieke optredens moet Balkenende snel van de softe plaagmans Maxime Verhagen af. Voor zo’n therapeutische oefening heeft hij een Bushmaster nodig – zo’n gepantserde P.C. Hooft-tractor van één miljoen euro, waarmee onze jongens in Uruzgan rondkarren. En met die ‘Bosmeester’ eens grondig over zijn tegenstander heen rijden, langzaam, hard, vooruit, achteruit, voor de zekerheid ook een paar keer diagonaal. Vervolgens losgaan op het overschot met het boordkanon en met de optionele vlammenwerper ook eventuele restjes Bos-DNA wegpoetsen. En dan nog zal Balkenende maar de helft van het aantal spotternijen hebben goedgemaakt dat hij zelf te verduren kreeg. Wie terugdenkt aan een aantal vrolijke scènes ten tijde van de jaartjes warmlopen van de premier – neem een Margarita, een Herman Heijnsbroek, kan, als vriend of als vijand, toch niet anders concluderen dan: he had it coming. Nederland kende aan het begin van de 21ste eeuw geen gewapende interventie uit België, maar aan Den Haag heeft het niet gelegen. Dat roept een verstandig mens toch niet zelf in herinnering?

Politici klagen al eeuwenlang dat de tegenstander op de man speelt. Maar het is een deel van het vak. Het maakt ook menselijk, en mogelijk begint Balkenende dat langzaam door te krijgen. Echt trots zijn op je overtredingen – zoals voetballers als Van Hanegem of Koeman dat zijn – is niet verstandig voor politici, want dat maakt cynisch. D’r een beetje aardigheid in hebben helpt wel.