Hoofdcommentaar

Balkenende moet stoppen met herkerstenen

Hij blijft de moeite van het lezen en herlezen waard: de wereldvreemde brief van 8 november 2002 waarin Jan Peter Balkenende de Wetenschappelijke Raad voor het Regerings beleid verzoekt een rapport uit te brengen over normen en waarden. Om ons allen het juiste normbesef in te scherpen, volgt de premier drie sporen, schrijft hij. In de eerste plaats «zal bij de burgers worden nagegaan wat hun grootste ergernissen zijn in de omgang met elkaar en hoe zij denken dat die ergernissen zouden kunnen worden weggenomen».

Wie deze volzin letterlijk neemt, kan alleen maar lachen om de ongehoorde pretentie die ervan uitgaat. Ergernis hoort onlosmakelijk bij het leven. Is het geen gotspe voor een politicus te denken dat hij het menselijk onvermogen zou kunnen verhelpen? Dat hij persoonlijke, maatschappelijke of ideële twisten zou kunnen beslechten en een einde maken aan het eeuwig streven en tegenstreven dat de mens eigen is? Toch is dat precies wat Balken ende voor ogen staat. Overeenkomstig de leer van zijn favoriete auteur Amitai Etzioni wil hij de «uitingen en gedragingen in de omgang tussen burgers» beïnvloeden door middel van «praktische» initiatieven op het gebied van «onderwijs, media, inburgering en integratie, etcetera». Anders gezegd: door gemeenschapsdwang en overheidscontrole.

Gelukkig kreeg hij van de WRR nul op het rekest. Volgens het rapport, dat maandag uitkwam, is er geen enkele reden om in onderwijs, media of integratie beleid aparte initiatieven te nemen voor de bevordering van normen en waarden. Zoals onderzoeker Kees Schuyt bij de presentatie zei, schuilt er in de opvattingen van Etzioni cum suis over gemeenschapsdwang bovendien een groot risico van repressie. De premier zou naast het verzamelde werk van Etzioni ook eens La pureté dangereuse (1994) van Bernard-Henri Lévy op zijn nachtkastje moeten leggen. Daarin maakt de Franse filosoof de balans op van alle pogingen om van hogerhand orde, duidelijkheid en zuiverheid in de menselijke betrekkingen te scheppen. Dat was gedurende de hele twintigste eeuw een obsessie van totalitaire regimes en paranoïde leiders aan wier onzalige nagedachtenis de premier, als hij dan toch niet kan slapen, zijn hart kan ophalen op Discovery Channel.

Het is trouwens nog steeds een obsessie voor religieuze fundamentalisten in de hele wereld. Misschien ligt daar ook wel de verklaring voor Balkenendes beschavingsoffensief. Voor een beter begrip van zijn bedoelingen moeten we ons wenden tot de theologie. Zowel de katholieke canon als de protestantse kerkleer gebruikt het begrip «ergernis» voor gedragingen die aanstoot gevend zijn voor de gelovigen en de samenhang en hiërarchie van hun gemeenschap in gevaar brengen. Daarom verbiedt de canon alle geestelijken het celibaat te verbreken of door te innige omgang met vrouwen de schijn daarvan te wekken. Daarom ontfermen dominees en ouderlingen zich over gevallen waarin «de ene broeder een andere broeder tot aanstoot is geweest» door dronkenschap, overspel, diefstal of ander gedrag dat de kerk in opspraak brengt en de samenhang van de gemeente bedreigt.

Welbeschouwd is het hele «debat» over normen en waarden van confessionele oorsprong. Het begon als een uit de hand gelopen hobby van A.A.M. («Andries») van Agt, minister van Justitie en drievoudig premier in de jaren 1973-82. Hij was de aanstichter van het «ethisch réveil», een confessioneel achterhoedegevecht in de nu bijna vergeten veldslagen van de jaren zeventig rond legalisering van drugs, euthanasie, abortus, hulpverlening aan minderjarigen en «open en bloot» op televisie. Dit ethisch réveil was niet meer dan een leuze, een vergeefse poging een brug te slaan tussen Van Agts natuurlijke achterban, aangevoerd door de zwartrokkenbrigade van pater Van Kilsdonk die regelmatig het Binnenhof onveilig maakte met «abortus = moord»-spandoeken, en een groter confessioneel publiek dat hij aan het CDA trachtte te binden. Zoals we achteraf uit de statistieken over deconfessionalisering kunnen afleiden, bestond dat grotere publiek al niet meer. PvdA-woordvoerder Hein Roethof wees daar destijds al op. Hij vergeleek het ethisch réveil met de post die na de invasie van 6 juni 1944 in het Normandische stadje Caen nog altijd werd bezorgd in de losstaande brievenbussen van verwoeste huizen. Dit zou een les voor Balken ende moeten zijn. De WRR trekt namelijk in keurige, maar niet mis te verstane bewoordingen dezelfde conclusie. Het debat is achterhaald voordat het goed en wel begonnen is. Het normbesef van de gemiddelde Nederlander, autochtoon of allochtoon, is uitstekend ontwikkeld, dank u zeer. En voorzover onze normen uiteenlopen, komen die verschillen vanzelf aan de orde in parlementaire debatten, om de eenvoudige reden dat «bijna elk wetsontwerp een morele component heeft», aldus de WRR.

Het schort nog wel eens aan de handhaving, maar dat komt doordat we de uitvoering van overheidsbeleid en de waarborging van gemeenschappelijke belangen met medewerking van Balkenendes eigen partij tegenwoordig out-sourcen of regelrecht op de vrije markt gooien. Misschien kan onze minister-president zich op dat punt eens bezinnen. Aan een herkersteningsoffensief, in wat voor verkapte vorm dan ook, is geen enkele behoefte. Balkenende doet er verstandig aan het te staken voordat hij — net als Van Agt — bij een meerderheid van het Nederlandse volk de grootste ergernis begint te wekken.