Balsem

Zou ik nu stoppen met werken en de rest van mijn leven (statistisch negentien jaar) nog slechts lezen, dan hoefde ik naar bibliotheek noch winkel. Wat thuis staat voldoet, ook als ik in Methusalems sporen zou treden. De eerste jaren het deel dat nog ongelezen is; daarna het adagium van de oude man: ‘Op mijn leeftijd leest men niet: men herleest.’

Hoewel ik me op die tweede periode het meest verheug, gedraag ik me daar geenszins naar. Ik stop niet met werken omdat dat materieel niet kan en omdat ik werk leuk vind en nodig heb maar bovenal, ik blijf kopen.
Waarom? Uit gewoonte; uit verzamelwoede; uit nieuwsgierigheid; om ‘bij te blijven’; uit prestigeoverwegingen; omdat aftershave, hengel noch drilboor ooit een verlanglijstje vulden; omdat het naast sigaren en pils mijn enige luxe is; maar vooral, denk ik toch, om de minst bewuste reden: het verdringen van de eindigheid. Zou ik vanaf vandaag geen nieuwverschenen boek meer inzien dan zou ik in wat rest aan tijd een enkel meesterwerk missen. Maar dat zou niet in verhouding staan tot al die meesterwerken die ik nog niet las en waarvan een deel mijn kasten vult. Soms schaf ik me, naast wat vers geschreven is, een klassieker aan en ik betrap me erop dat ik, terwijl ik de nieuwe De Moor of Mulisch binnen korte tijd tot me heb genomen, bij de Olympiers denk: dat is voor de Vut. Met alle respect voor Margriet en Harry, die ik de Elysische velden gun (ik genoot van hun Virtuoos en Ontdekking van de hemel),verstandig is dat niet. Die Vut wijkt voor me uit als de worst voor de hondekar en om me heen maait de zeis als niet eerder.
Dit inzicht en dit stukje zijn gevoed door ziekte. Niets ernstigs maar genoeg om de routine te doorbreken en koortsig te grijpen naar mijn laatst verworven Onsterfelijke: Publius Ovidius Naso. Tijd- en rijksgenoot van Jezus van Nazareth (die was 17 toen de Romein stierf) maar van een ander wereld- en hemelbeeld vervuld. Te lezen in de nieuwe vertaling van M. d'Hane-Scheltema en balsem voor de ziel, althans de mijne. Ooit moet ik er op school wel uitgelezen hebben, na Caesar en voor Livius, Tacitus en Vergilius. Maar wat was dat meer dan eindeloos geworstel met gerondium, gerondivum en ablativusabsolutus?
Nee, liefde voor de inhoud was destijds niet in het gymnasiumpakket inbegrepen te vreemder omdat de meesten der grammaticadompteurs die liefde wel in het hart droegen. Maar zeggen dat een goede vertaling en daardoor mogelijk gemaakte reflectie op de tekst wellicht meer zouden bijdragen tot 'klassiekevorming’ dan jaren gebrekebeen dat uitzicht op die tekst volstrekt ontnam dat was vloeken in de kerk. Toen zag ik dat trouwens niet zo: de wereld was zoals je hem aantrof en daarbinnen was ik uitverkoren hoger dan gymnasium viel niet te stijgen. Bovendien acht ik niet uitgesloten dat dat getob met Grieks en Latijn het gevoel voor taal, constructies en zinnen lang geen kwaad heeft gedaan. Zeker is dat Spaans leren ooit kinderspel leek dank zij kennis van de taal die Romeinse cohorten, een tweehonderd jaar voor Ovidius, aan die gewesten opdrongen. Daar gaan de Metamorphosen niet over. Wel stroomt het bloed, wordt er verkracht, geplunderd en gebrandsticht. Ook bemind, maar meerbenijd nog en gehaat. Toch balsem? Jawel. Daarover wellicht later.