TONEEL Reigen

Baltsende lichamen

Reigen (of Rondedans) is een serie van tien toneelscènes waarbij één persoon steeds van de ene naar de volgende scène meeverhuist, vandaar de titel. Het onderwerp is de geestelijke en fysieke acrobatiek die ‘liefdesspel’ wordt genoemd. In feite gaat Reigen over de weinig subtiele onderhandelingen die aan het neuken vooraf gaan en het hypocriete gedoe dat er direct op volgt. De tekst werd in 1896 geschreven door de Weense huisarts Arthur Schnitzler (1862-1931). Het stuk werd meteen verboden en kon pas een halve eeuw later worden gespeeld, eerst ver buiten Wenen, pas daarna in een hitsige relsfeer in de Praterstad zelf. Wat ook niet echt hielp was dat Schnitzler jood was. Hij zou de Anschluss van Oostenrijk met nazi-Duitsland stellig niet hebben overleefd. Goddank is Schnitzler op tijd úit de tijd gevallen. Reigen is tien jaar geleden gespeeld door De Paardenkathedraal in een opvallende regie van Dirk Tanghe. Er waren toen maar twee toneelspelers die zich op sensuele wijze door de teksten heen zwolgen, gezeten en gelegen op een paringsmachine die de ritmes van de geilheid verhevigde. Daarna verdween de tekst weer naar de kastplank en daar heeft Moniek Merkx van theatergroep Max hem nu vanaf gehaald en bewerkt voor middelbare scholieren.
Het betreden van de theaterzaal levert meteen een verrassing op: we nemen plaats aan een bar en kijken in een rechthoekige ondiepe ‘put’ met wendbare rode banken, acht toneelspelers in weelderige kostuums en een filmscherm met geprojecteerde scènetitels en opgewonden sms-teksten. In een prettig hoog tempo worden de baltsdansen afgewerkt, onderbroken door veel geflirt met de bar-‘klanten’ en enkele hoogst amusante petticoat-choreografieën met een hoog oh-la-la-gehalte. Merkx heeft haar ensemble met vaart geregisseerd, met als stralend middelpunt het dienstmeisje van Bianca van der Schoot, die niet alleen aan het eigen gerief probeert te geraken, maar ook druk doende is de liefdessappen van de overige personages met een duizenddingendoekje bekwaam weg te werken.
De openingsvoorstelling van het geheel vernieuwde gezelschap Oostpool in Arnhem, Wat het lichaam niet vergeet, draait ook om een verzameling opgewonden lichamen, maar hier wordt uit andere vaatjes getapt. Tussen spelers en publiek zit een plexiglazen wand. De intieme en uitdagende teksten komen tot ons via het hardmetalen geluid van een batterij speakers. Vooral de dames uit de twee kwartetten toneelspelers zoeken contact met de zaal via ofwel licht intimiderende, seksueel geladen vragen, ofwel observaties over haargroei, jukbeenderen en handlijnen van afzonderlijke toeschouwers – met als vaste toevoeging: ‘Is dat echt?’ – dan wel verzoeken tot zelfbevestiging (‘Doe ik het goed?’). De mannen gebruiken de lege en kil verlichte ruimte ondertussen als krachthonk zonder toestellen – ze zijn elkaars fitnessapparaat of boksbeugel. Eén man, de negende eenling, zwerft naakt met walkmanmuziek op dwars door iedereen heen. Als hij begint te praten (simpele monoloog die er fors inhakt) wordt duidelijk waarom.
Het geheel is losjes uit de pols gemonteerd door regisseur Marcus Azzini (die het maken van choreografieën trouwens voortaan beter aan iemand anders kan uitbesteden), aangenaam om naar te kijken met als plezierig bijverschijnsel dat een nieuw, jong toneelgezelschap zich uiteindelijk zonder pretenties, als een letterlijk tableau de la troupe, aan het potentieel publiek presenteert, ondertoon: u gaat nog van ons horen.

Reigen door Max, t/m 7 maart. www.tgmax.nl; Wat het lichaam niet vergeet door Oostpool, t/m 21 februari. www.toneelgroepoostpool.nl