Bambi op het ijs popmuziek

Op de cd Clean van Caesar zingt Roald van Oosten, terwijl hij op zijn gitaar een slepend akkoord aanslaat, een regel die begint met: ‘I wanna talk about…’ Dan schreeuwt hij met dichtgeknepen keel zijn lied. Dat is fantastisch. Daar gebeurt wat. Dit is de essentie. Waarom? Omdat ik dat vind.

Bambi op het ijs. Daar helpt geen theorie bij. Dat is gewoon heel hard huilen. Over popmuziek worden vreselijke dingen geschreven. Er is het jolige toontje van de muziekbladen. En er zijn de verlichte geesten van het ‘Ik meng gewoon hoge en lage cultuur’-kaliber. Nu meer en meer volwassenen gewoon van popmuziek blijven houden, zijn ook verstandige kranten om. Sociologisch gespiegel dus. Ideeën van denkers. Over 'fenomenen’ en waarom andere mensen - het cd’s kopende en concerten bezoekende volk - de 'fenomenen’ tot 'ikonen’ verheffen - clichés, generalisaties en etiketten. En de recensies? Normen en waarden - bèèèh. Niemand vertelt wat er gebeurt wanneer je de nummers hoort. Wat je allemaal in de combinatie van tekst en muziek kan horen. Waaraan ze doen denken. De laatste cd van De Raggende Manne is fantastisch. Bob Fosko brult rijen stevige woorden tegen de muziek in. 'Een tikkie poëtischer’ dan voorheen, vond muziekblad Oor, 'een stuk serieuzer en dat is nu net wat we níet willen.’ We? In de nieuwe Payola legt dichter Ingmar Heytze uit waarom De Raggende Manne hem wél raken. Zijn gedicht heet niet 'Jonge Sla’ maar 'Warme Stront’: 'Ik kan een hoop hebbe:/ modder op me pijpe/ kots op straat, een portiek/ met naalde stamp ik met droge oge/ doorheen, daar ben ik/ werkelijk hard in./ Maar hondenstront in oktober,/ net gelegd, warm nog,/ onder me zole, nee!’ Ik heb Payola helemaal gelezen en eindelijk: geen joligheid, geen sukkelige ironie en weinig sociologisch gebabbel. Maar een verzameling teksten van liefhebbers die beroerd raken, enthousiast of verward. Ze voelen. Ze hebben geluisterd en de nummers beleefd. Wat ze hebben ontdekt, vertellen ze driftig na. In de eerste regels van zijn artikel over Cubaanse muziek formuleert Joost Niemöller een credo dat voortaan regel 1 is voor iedereen die nog over popmuziek schrijft. Zijn stuk begint: 'De muziek van Cuba. Sommige muziek van Cuba. Voor je het weet zit je daar dingen over uit te leggen. Dat is niet de bedoeling. Ik hou niet van uitleggen. Want ik houd er al helemaal niet van om iets uitgelegd te krijgen.’ Bambi op ’t ijs, dat lég je niet uit. Bijzonder mooi is de bijdrage van Atte Jongstra. Hij vertelt van een bezoek aan IJsland. Luistert een alinea en denkt over Björk, dan over IJsland. Hij onderbreekt voor een eigen theorietje en vervolgt met wat hij in de krant las. Het ritme van zijn tekst - wispelturig, vreemd - voelt als door Björk gemaakt. Wel wat minder retro graag. Want enkele verhalen gaan over vroeger, toen we nog jongens waren, maar… Gaap! Jong-zijn en de verheerlijking daarvan is meer iets voor spijkerbroekenfabrikanten en reclamebureaus. Voor de massa die de H&M volgt of voor de PvdA - daar is je leeftijd zelfs een politiek argument. Eigenlijk is het een beetje gênant om 'jong’ te zijn. Dus Payola: ook nieuwe dingen leuk vinden hè? En dan zelf. De beste bijdragen zijn die van mensen die gewoon aangeven waarom zij op dit moment iets mooi vinden. Dat hoeft echt niet in een danstempel met een pilletje op. Air mag best op zondagmiddag bij een glaasje thee. + Dead Man Ray - Berchem. Album van een jaar geleden. Genoemd omdat deze chroniqueur er met zijn stomme hoofd nog niet over heeft geschreven. Briljante Belgische lo-fi die eindeloos precies in elkaar steekt. Complexe en steeds veranderende nummers die tegelijk simpele liedjes blijven.