De wereld in 2030 - Na de millenniumdoelen nu de duurzaamheidsdoelen

Ban Ki-moon: houd het klein en krachtig!

De huidige volksverhuizingen zijn mede het gevolg van de ongelijke verdeling van welvaart over de wereld. De millenniumdoelen van 2000 hebben die ongelijkheid niet kunnen verhelpen. Eind september formuleren de VN nieuwe doelen.

Medium hh 17619175.jpg

Vijftien jaar nadat de Verenigde Naties acht ‘millennium ontwikkelingsdoelen’ vaststelden, is het nu tijd voor zeventien ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’. Afgelopen maanden werd de eindbalans opgemaakt van wat met de Millennium Development Goals (mdg’s) is bereikt. En volgende week besluit de wereldgemeenschap over de invoering van de sdg’s, de Sustainable Development Goals.

Het nieuwe pakket barst van de ambitie. Net als bij de millenniumdoelen is het hoofddoel opnieuw het uitbannen van extreme armoede. Tussen 2000 en 2015 ging het echter nog om het halveren van deze armoede, de duurzaamheidsdoelen voor de komende vijftien jaar spreken over het beëindigen van armoede, in al haar verschijningsvormen, overal ter wereld. Vermijdbare ziektes als aids, tbc en malaria die begin deze eeuw teruggedrongen moesten worden, dienen geheel te verdwijnen. In 2030 mag niet één kind eraan sterven.

Het blijft deze keer niet bij het bestrijden van armoede. Nu draait het behalve om mensen ook om het milieu. Het opheffen van de wereldwijde armoede moet nu hand in hand gaan met het oplossen van milieuproblemen en het terugdringen van de klimaatverandering. En meer nog. De sdg’s beperken zich niet langer tot het arme Zuiden. In de sdg’s gaat het ook om leefbare steden, om beter onderwijs en om meer veiligheid in het rijke Westen.

Wie de sdg’s voor het eerst leest, wrijft zijn ogen uit. In 2020 al, dus over vijf jaar, moet wereldwijd het aantal doden door verkeersongevallen zijn gehalveerd. Ook moet in 2030 iedereen gemakkelijk toegang hebben tot groene en veilige openbare ruimtes. En: alle scholieren moeten over kennis en vaardigheden gaan beschikken om duurzame ontwikkeling te promoten. Ja, wanneer het aan de nieuwe doelen ligt, heeft ieder mens in 2030, overal ter wereld, een fatsoenlijke ziektekostenverzekering. Niet alleen in de VS, maar ook in Malawi.

Geen wonder dat de nieuwe ontwikkelingsdoelen een forse discussie losmaken. Is het niet veel te ambitieus allemaal? Kun je de ontwikkeling van de hele wereld – om minder gaat het niet – wel top down plannen en sturen met een pakket doelen? En wat moet zo’n ambitieus programma wel niet kosten?

In een land als het Afrikaanse Malawi waar ik geregeld woon en werk, klinken de beloftes van de sdg’s als een stem uit het paradijs. Maar weinig landen zijn armer dan Malawi. Rond de tachtig procent van de Malawianen leeft van het weinige dat zij zelf verbouwen. Het merendeel woont in huisjes van leem en gras. Slechts negen procent van de Malawianen beschikt over elektriciteit. In de stinkende, overvolle zalen van de grote staatsziekenhuizen delen stervenden soms eenzelfde bed. De Wereldbank liet dit voorjaar weten dat de gemiddelde Malawiaan jaarlijks rond de 227 dollar aan waarde produceert. Zo weinig ‘bnp per capita’ wordt nergens anders ter wereld vervaardigd. Ter vergelijking: de gemiddelde Nederlander produceert voor zo’n 51.000 dollar aan waarde. Daarmee zijn Nederlanders 225 keer zo rijk als Malawianen.

Voor geen land ter wereld zouden de sdg’s belangrijker moeten zijn dan voor Malawi. ‘Haal je de armste en zwakste man voor de geest die je ooit hebt gezien’, schreef Mahatma Gandhi ooit. ‘Vraag je dan af of de volgende stap die je overweegt te zetten ook in zijn belang is.’ Om Gandhi te parafraseren: haal je de gemiddelde Malawiaan voor de geest, en vraag je dan af wat de nieuwe Sustainable Development Goals voor hem of haar kunnen betekenen. Het is een vraag die je kunt stellen in Malawi, maar ook op Haïti, in Pakistan of in Bolivia. In landen waar het leven voor miljoenen mensen dramatisch zwaar is. Het is geen gemakkelijke vraag, maar wel eentje die het waard is te worden beantwoord.

Over extreme armoede, in een land als Malawi, kun je twee verhalen vertellen. Het eerste verhaal stuitert van optimisme. Het wordt bijvoorbeeld verteld door de Bill en Melinda Gates Stichting. De belangrijkste filantropen ter wereld benadrukken dat armoede op zijn retour is. Extreme of absolute armoede, wat wil zeggen dat je zo arm bent dat elke tegenslag je dood kan betekenen, is een aflopende zaak. Met wat geluk is deze armoede over vijftig jaar de wereld uit. Nog maar vijftig jaar geleden was bijna de helft van de wereldbevolking extreem arm. Vandaag is dat aantal gedaald tot rond de elf procent. Althans volgens de officiële norm dat extreem armen leven van minder dan 1,25 dollar per dag. Wanneer de ontwikkeling van de afgelopen jaren zich doorzet, zo becijferde Gates, zal de kindersterfte de komende vijftien jaar halveren. De landbouw zal zich zo doorontwikkelen dat Afrika zich met gemak zelf kan voeden. En de twee miljard mensen die nu nog niet over een bankrekening beschikken, zullen dat tegen 2030 wel doen, al was het maar via hun mobieltje.

Het tweede verhaal druipt van pessimisme. Dit verhaal neemt het eerste voor kennisgeving aan en vestigt vervolgens de aandacht op het feit dat elf procent van de wereldbevolking nog steeds uit één miljard mensen bestaat. Daarmee is het absolute aantal armen ten opzichte van vijftig jaar geleden maar met een derde gedaald. En dat na decennia van onvoorstelbare economische groei. Wanneer we geen extra inspanningen leveren in de strijd tegen de armoede, zullen tot 2030 niet minder dan 68 miljoen kinderen onder de vijf jaar sterven aan vermijdbare ziektes. Bijna 120 miljoen kinderen zullen dan nog steeds ondervoed zijn en een half miljard mensen beschikken nog niet over een toilet. Dit verhaal wordt verteld door de Duits-Amerikaanse filosoof Thomas Pogge, hoogleraar aan Yale en de tegenhanger van Bill en Melinda Gates. Pogge heeft niets met de optimistische geluiden over dalende honger en kindersterfte. Steevast vergelijkt hij het aanhoudende lijden van honderden miljoenen in het Zuiden met het lijden van even zovelen in het Noorden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In zijn geheel kostte de zes jaar durende oorlog rond de zestig miljoen doden, Auschwitz en de Goelag inbegrepen. Dat waren er tien miljoen per jaar. Daarentegen stierven bijvoorbeeld tussen 1990 en 2010 rond de 360 miljoen mensen aan honger en vermijdbare ziektes. Dat waren er achttien miljoen per jaar. Wat heb je dan aan een oplopend percentage hier, of neergaande epidemie daar, wanneer het aantal mensen dat jaarlijks sterft van armoede nog hoger is dan het aantal slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog?

Vanzelfsprekend werpt men Pogge voor de voeten dat er nogal een verschil is tussen het actief doden van mensen in Auschwitz en het niet redden van mensen uit hun extreme armoede in Afghanistan. Zijn antwoord is dat het Westen, met al zijn schimmige belangen in het Zuiden, veel meer schuld draagt aan het lijden van de armsten dan het wil toegeven. Multinationals sluizen miljarden aan belastinggeld weg uit ontwikkelingslanden. Doortrapte westerse banken, fiscalisten en advocatenkantoren zijn dag in, dag uit in de weer om de armen nog armer te maken.

Des te beschamender is het dat wij ons in de bestrijding van de armoede zo laks opstellen. Neem bijvoorbeeld het eerste millenniumdoel uit 2000, zegt Pogge, het doel waarin de wereldgemeenschap plechtig beloofde om binnen vijftien jaar het aandeel hongerigen met de helft te verminderen. En vergelijk dat eens met de belofte in 1942 van de Amerikaanse president Roosevelt om zo snel mogelijk een einde te maken aan de wreedheden van de nazi’s. Stel je voor dat Roosevelt in ’42 zou hebben gemeld dat de VS plechtig beloven de wreedheden van de nazi’s in 1957 met de helft terug te dringen.

Een Malawiaan produceert jaarlijks gemiddeld 227 dollar aan waarde, een Nederlander 51.000 dollar

Wat het allemaal nog pijnlijker maakt, is dat het vele malen goedkoper is om een einde te maken aan de wereldwijde armoede, vergeleken met de prijs die we betaalden om een einde te maken aan het fascisme. De oorlog van de geallieerden tegen Duitsland, Italië en Japan was niet alleen peperduur maar ging ook gepaard met onvoorstelbaar bloedvergieten. Daarentegen zijn we vandaag in staat om een einde aan de armoede te maken zonder ook maar een schot te lossen. En dat kunnen we dan ook nog eens doen voor een bedrag dat door de burgers van rijke landen amper zal worden gevoeld.

De millenniumdoelen waren het eerste mondiale ontwikkelingsprogramma dat direct inzette op de grootste problemen van de allerarmsten. Het eerste doel was het halveren van het aandeel mensen met honger en in extreme armoede. Andere waren: basisonderwijs voor iedereen, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, afname van kindersterfte, gezondheid van moeders, bestrijden van hiv/aids, malaria en andere ziektes en bevorderen van een duurzaam milieu. Stuk voor stuk richtten de meeste doelstellingen zich op het gezonder, geletterder en daarmee weerbaarder maken van de 1,2 miljard armsten ter wereld. Zij richtten zich direct op de boer die niet hoefde te sterven aan aids of malaria; op het kind dat erop moest kunnen rekenen volwassen te worden; op de vader die leerde lezen en schrijven; op de moeder die erop zou mogen vertrouwen haar kraambed te overleven: de mdg’s wilden concrete mensen sterker maken.

Dat de millenniumdoelen in 2000 werden vastgesteld, mag achteraf gezien een mirakel heten. Ze kwamen tot stand op een moment dat de officiële ontwikkelingshulp leek te zijn afgeschreven. Ontwikkelingssamenwerking tussen rijke en arme landen was tijdens de Koude Oorlog op de eerste plaats een geopolitiek instrument. Met ontwikkelingsgeld probeerde zowel de ‘Eerste Wereld’, het kapitalistische Westen, als de ‘Tweede Wereld’, het communistische Oosten, landen in de ‘Derde Wereld’ voor zich te winnen of in hun invloedssfeer te houden. In die Derde Wereld kozen de meeste landen voor een van beide kampen. Sommige, zoals het Tanzania van de charismatische Julius Nyerere, wisten handig uit beide geldstromen te putten. Het was de tijd waarin ontwikkelingshulp haar slechte naam verwierf als middel om noordelijke belangen te dienen door zuidelijke dictators in het zadel te houden.

Na de val van de Muur in 1989 stopte de Sovjet-Unie als eerste met deze op het eigenbelang gerichte ontwikkelingshulp. Voor het Westen verviel daarmee de noodzaak om geld, kennis en goederen naar het Zuiden te sturen. Onder president Bill Clinton halveerde het toch al magere Amerikaanse hulpbudget. Gaf de wereld in 1990 nog meer dan honderd miljard dollar aan hulp, in 1996 zakte het tot onder de tachtig miljard. Ontwikkelingssamenwerking leek ten dode opgeschreven.

In dezelfde jaren negentig organiseerden de Verenigde Naties echter ook zeven topconferenties over grote mondiale uitdagingen. Het was een serie die in 1990 startte met de Education for All-conferentie in het Thaise Jomtien en die in 1995 werd afgesloten met de World Conference on Women in Beijing. De meeste aandacht kreeg de beroemde Earth Summit van 1992 in Rio de Janeiro. Al deze conferenties werden beklonken met hooggestemde slotdocumenten. Maar ze slaagden er maar amper in om de wereldleiders, laat staan het grote publiek tot actie aan te zetten. Het was, naar verluidt, de toenmalige Nederlandse minister Jan Pronk die samen met zijn Amerikaanse collega Colin Bradford het initiatief nam om de uitkomsten van al die topconferenties nu eens samen te vegen en door te vertalen in concrete ontwikkelingsdoelen.

Na een vrij ondoorgrondelijk proces besloot de wereldgemeenschap in het millenniumjaar 2000 tot acht millenniumdoelen, onderverdeeld in achttien subdoelen, die in 2015 zouden moeten worden gehaald. De wervende kracht van de mdg’s bleek enorm. Geen enkel VN-programma kreeg in de geschiedenis van de organisatie zoveel aandacht als de millenniumdoelen. Ze waren overzichtelijk, want het waren er maar acht die met logo en al op één A4’tje pasten. Bij zeven van die acht kon iedereen zich iets voorstellen. Alleen mdg 8, het ontwerpen van een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling, was van een andere orde. Meer dan een kwart van alle Europeanen en bijna 65 procent van alle Nederlanders weet vandaag wat de millenniumdoelen zijn. En meer dan dat, een ruime meerderheid van alle Europeanen steunt de doelen ook. Voor een VN-maatregel is dat buitensporig veel. Zo krachtig en direct was het lot van de allerarmsten dan ook nog nooit op de mondiale agenda gezet.

Op dit moment wordt de eindrekening opgemaakt. Wat hebben de mdg’s de wereld nu opgeleverd? Het simpelste antwoord is teleurstellend. Waarschijnlijk zijn niet meer dan drie van de acht doelen gehaald. Het aantal mensen in extreme armoede is vrijwel gehalveerd, en zowel kinder- als kraammoedersterfte is met meer dan de helft teruggedrongen. De overige vijf doelen zijn niet bereikt.

Je kunt het ook anders zien. Sinds in 2000 de millenniumdoelen werden gelanceerd, is het aantal mensen in extreme armoede met zevenhonderd miljoen gedaald, terwijl er in diezelfde periode een miljard wereldbewoners bij kwamen. Naar schatting is de dood van 3,3 miljoen mensen door malaria verhinderd. De kans dat een kind voor zijn vijfde verjaardag sterft is gehalveerd, wat betekent dat dagelijks rond zeventienduizend kinderen niet hoeven te sterven. Ongeveer 6,6 miljoen mensen met hiv/aids overleven nu op aidsremmers. Inspanningen om tuberculose terug te dringen, zorgden ervoor dat zo’n 22 miljoen mensen niet voortijdig naar het mortuarium hoefden te worden gebracht.

Terwijl Brazilië, in 1990 nog een derdewereldland, vrijwel alle doelen haalde, wist het Afrikaanse Benin er niet één te halen. Alle andere landen zitten daar ergens tussenin. Grosso modo luidt het oordeel dat Sub-Sahara Afrika het ’t slechtst deed en Azië ’t best. Wat ook niet zo verrassend is, omdat Afrika het verst achterop lag toen de millenniumdoelen werden opgesteld.

In Malawi is waarschijnlijk maar de helft van de doelen gehaald. Toch zijn ook in het dramatisch arme landje wonderen verricht. Ook al lukte het niet om het aantal hongerigen te halveren, toch daalde hun aandeel van 54 naar 30 procent. In harde cijfers betekent het dat bijna vier miljoen Malawianen niet meer met een lege maag naar bed gaan. Het halveren van de kindersterfte lukte wel. Rond 1990 stierven in Malawi 25 op de honderd kleine kinderen. Dankzij massale vaccinatiecampagnes, betaald met ontwikkelingshulp, zijn dat er vandaag zeven op de honderd. Dat is een afname van 72 procent.

Ook de aidsepidemie is sterk teruggedrongen. In 2004, op het hoogtepunt van de epidemie, overleden meer dan honderdduizend Malawiaanse mannen, vrouwen en kinderen. Ik verloor in die jaren vijf vrienden en kennissen aan de ziekte. Vandaag telt Malawi veertigduizend aidsdoden per jaar. Ook al is dat nog steeds onvoorstelbaar veel, tegelijkertijd is het wel een afname van zestig procent. Het aantal hiv-besmettingen daalde nog sneller: met bijna tachtig procent. De epidemie lijkt dan ook een aflopende zaak. Met dank aan vrijwel gratis testfaciliteiten, condooms en aidsremmers, gefinancierd met ontwikkelingsgeld dat werd vrijgemaakt dankzij de mdg’s.

‘Een groeiende groep mensen roept: we hebben een monster gebaard. Dit kan niet werken, we hebben te veel targets’

Als we één les kunnen trekken uit deze eerste ronde ontwikkelingsdoelen, dan is het wel dat we helder en selectief moeten zijn. Niet alleen vang je daarmee de aandacht van het algemene publiek en mobiliseer je wereldwijde steun. Ook kun je op een beperkt aantal terreinen werkelijk verschil maken. Beter nog dan acht millenniumdoelen zouden we het bij vijf of zelfs drie doelen moeten houden.

Maar deze les is niet getrokken. Integendeel. Zo wordt volgende week niet gesproken over vijf, acht of tien nieuwe ontwikkelingsdoelen, maar over maar liefst zeventien. En deze zijn voor een groot deel zo algemeen geformuleerd dat we de werkelijke doelen moeten zoeken in niet minder dan 169 subdoelen, ‘targets’. De tekst van deze doelen en hun subdoelen is 4811 woorden, ongeveer de lengte van dit artikel.

Neem sdg 3. Het officiële doel is: het zeker stellen van gezondheid en bevorderen van welzijn voor iedereen op iedere leeftijd. Pas in de negen targets bij dit doel wordt concreet wat er staat te gebeuren. En dat is veel. Een greep: target 3.1: terugdringen van wereldwijde kraamvrouwensterfte tot minder dan zeventig op honderdduizend geboortes. Target 3.5: versterken van preventie en behandeling van misbruik van drugs en alcohol. Target 3.8: wereldwijd invoeren van ziektekostenverzekeringen. Target 3.9: substantieel reduceren van het aantal doden en zieken door gevaarlijke chemicaliën en door de verontreiniging en besmetting van lucht, water en bodem.

Anders dan eind jaren negentig, toen de millenniumdoelen werden gebraden in een onnavolgbaar bestuurlijk proces, besloten de VN om er deze keer een zo open mogelijke procedure van te maken. Dat voornemen was niet aan dovemansoren gericht. Landen, en op de achtergrond ngo’s en VN-organisaties, schoven tal van doelen naar voren die volgens hen absoluut in het nieuwe pakket terecht moesten komen. Ongetwijfeld ligt een deel van de verantwoordelijkheid voor deze wildgroei bij de ontwikkelingslanden zelf. Waarschijnlijk denken zij dat meer ontwikkelingsdoelen ook gepaard gaat met meer geld. Dat zou hun nog wel eens tegen kunnen vallen.

De afgelopen acht millenniumdoelen kostten miljarden dollars. De 169 duurzame doelen zullen biljoenen gaan kosten. Op dit moment geven de rijkste landen ter wereld een slordige 135 miljard dollar uit aan ontwikkelingshulp. Maar zelfs het tienvoudige daarvan zal niet genoeg zijn om de sdg’s mee te financieren.

De meest zuinige schattingen vermoeden dat het voorgestelde pakket aan sdg’s zo’n twee à drie biljoen dollar per jaar zal gaan kosten. Dat zou zo’n vier procent zijn van het wereldwijde bnp. En dat terwijl de rijkste landen van de wereld op dit moment niet bereid zijn om gemiddeld meer dan 0,3 procent van hun bnp aan ontwikkelingssamenwerking uit te geven. De Wereldbank en het imf schatten zelfs in dat het hele programma tussen de negen en elf biljoen per jaar zal kosten. Dit bedrag is zo onvoorstelbaar hoog dat de twee organisaties spreken over ‘een paradigmawisseling in het denken over ontwikkelingssamenwerking’. De vraag is nu wie dit enorme bedrag moet ophoesten.

Volgens de VN moeten rijke landen veel meer geld vrij gaan maken voor hun arme collega’s. Op de tweede plaats wordt gekeken naar grote filantropen als Warren Buffett, Bill Gates en Li Ka-shing. Ten derde wordt gerekend op mondiale kapitaalmarkten, institutionele investeerders en grote bedrijven. En ten slotte zijn het de arme landen zelf die over de brug moeten komen. In een discussiestuk van het imf en de Wereldbank, From Billions to Trillions: Transforming Development Finance, hameren beide instellingen over het veel effectiever aanpakken van belastingvlucht uit ontwikkelingslanden, het effectiever heffen van belastingen in ontwikkelingslanden en zelfs over het invoeren van een mondiale solidariteitsbelasting.

Dat het daadwerkelijk zal lukken om tussen de negen en elf biljoen dollar binnen te halen, is moeilijk voorstelbaar. Om te beginnen is het weinig aannemelijk dat de rijkste landen ter wereld hun ontwikkelingshulp plots met een factor tien of twintig zullen gaan verhogen. En zelfs wanneer de grootste filantropen ter wereld al hun geld beschikbaar stellen om de sdg’s mee te verwezenlijken, zal dat nog maar een fractie zijn van wat nodig is. Institutionele investeerders plus de mondiale kapitaalmarkten laten zich tot niets verplichten. Blijven over meer en vooral strengere belastingheffing, hier en in de Derde Wereld. Als ergens geld kan worden gevonden, zou het hier moeten zijn. Maar ook dat zal zo gemakkelijk nog niet gaan. Anders zou het op dit moment allang gebeuren.

Medium hh 47249522

Wanneer ik ’s ochtends mijn huis verlaat in Blantyre, de tweede stad van Malawi, loop ik langs houtskoolsjouwers, minibuswassers en verkopers van geroosterde maïs. Vaak probeer ik me voor te stellen hoe het is om veroordeeld te zijn tot een ‘eenzaam, arm, gewelddadig en kort bestaan’ zoals Thomas Hobbes het ooit uitdrukte. Dan probeer ik me te verbeelden dat ik, met een hongerig kind aan de hand, mensen in restaurants zie zitten. Dat ik al voor mijn twintigste ouders, broers en zussen heb verloren. Dat de corrupte politieman in mijn wijk even bedreigend is als de overvaller tegen wie hij me zou moeten beschermen. Dat ik nooit geld uit een geldautomaat zal kunnen halen. Dat ik met mijn vrouw, tollend van malaria, niet tot een fatsoenlijk ziekenhuis zal worden toegelaten. Dat ik alleen maar kan hopen en bidden dat zij de nacht zal overleven. Dat ik geen enkele ingang vind in de wereld van mensen die rijk en veilig zijn.

Om aan deze misstanden een einde te maken, hadden de VN iets moeten doen waar ze notoir slecht in zijn. Dat is het stellen van duidelijke prioriteiten en het rekenen op veel minder geld. Net als tijdens de totstandkoming van de mdg’s, hadden de VN moeten kiezen voor een bescheiden pakket aan doelen. Eerder voor vijf dan voor tien, om dat beperkte aantal voor 2030 dan ook werkelijk te verwezenlijken. Leidraad had de vraag van Gandhi kunnen zijn: wat zijn de doelen waar de ‘armste en zwakste man die je ooit hebt gezien’ nu werkelijk iets aan heeft?

‘Zelfs Mozes had niet meer dan tien beknopte geboden bij zich toen hij van de berg Sinaï afdaalde’

In antwoord op die vraag hadden de VN zich kunnen afvragen waarom de ontwikkelingsdoelen überhaupt ‘duurzame’ doelen zijn gaan heten. Waarom gaat het behalve ‘people’ nu ook over ‘planet’, zoals het in het duurzaamheidsjargon heet? Waarom wordt niet meer exclusief, net als bij de millenniumdoelen, ingezet op de één miljard ‘people’ die het op dit moment aan alles ontbreekt wat een leven waardigheid verschaft? Waarom moet het terugdringen van hiv/aids zo nodig hand in hand gaan met bijvoorbeeld sdg 6.6: het herstellen van natte ecosystemen, inclusief bergen, bossen, moerrassen, rivieren, grondwaterstromen en delta’s? Of met sdg 12.8: dat we moeten gaan beschikken over een levensstijl die in harmonie is met de natuur?

Waarom zetten we niet simpelweg al onze kaarten op dat éne grote sdg 1: beëindig armoede overal en in al zijn vormen? Zo vanzelfsprekend is het immers niet dat armoedebestrijding hand in hand gaat met de bescherming van het milieu. Op de eerste plaats zijn honger en extreme armoede problemen die zich afspelen in het hier en nu. Binnen het tijdsbestek waarin dit artikel wordt gelezen, sterven tientallen kinderen aan de beet van een malariamug, overlijden jonge moeders op hun kraambed en worden vrouwen verkracht wanneer zij in het open veld gaan plassen omdat ze niet over een eigen toilet beschikken.

Daarentegen spelen de problemen die kunnen volgen uit de klimaatverandering zich af over vijftig, zestig jaar. Deze schadelijke effecten van de klimaatverandering zijn bovendien nog met veel onzekerheid omgeven. Honger en extreme armoede vormen daarentegen hier en nu een ‘clear and present danger’ voor één op de zeven wereldburgers. En hoewel door de opwarming van de aarde droogte, overstromingen, hittegolven en stormen toenemen, weten we ons steeds beter tegen de rampen te beschermen. Naar schatting vallen door ‘klimaat gerelateerde oorzaken’ zo’n dertigduizend doden per jaar. Dat is 1/250ste van de naar schatting 7,5 miljoen ‘armoede gerelateerde doden’ die er jaarlijks vallen. De vraag is dan ook of we in de nieuwe ontwikkelingsdoelen ‘people’ niet simpelweg voorrang hadden moeten geven boven ‘planet’.

Dat is in elk geval het standpunt van 7,8 miljoen mensen in 88 landen. Via de website myworld2015.org kregen zij van de VN zestien ontwikkelingsdoelen voorgelegd. Vervolgens mochten zij aangeven welke zes doelen volgens hen de belangrijkste waren. Met stip kozen zij voor goed onderwijs, gevolgd door betere gezondheidszorg, een eerlijke en betrokken overheid, meer kans op werk, toegang tot schoon water, betaalbaar en gezond voedsel en bescherming tegen geweld en misdaad. Helemaal onderaan plaatsten zij de bescherming van bossen, rivieren en oceanen en actie tegen de klimaatverandering.

Zijn er niet veel te veel Sustainable Development Goals? Verliest het project niet aan kracht wanneer de hele wereld op de schop moet? ‘De nieuwe sdg’s zijn waanzinnig’, stelt bijvoorbeeld de econoom Jan Vandemoortele in het Vlaamse tijdschrift MO*. Vandemoortele was in 2000 betrokken bij het opstellen van de millenniumdoelen. ‘Dat gaat niets opleveren, zo’n menu’, zegt hij nu. ‘Je hebt natuurlijk heel wat mensen die blij zijn dat hun ding erin zit: lidstaten, ngo’s en denktanks. Een groeiende groep roept echter: we hebben een monster gebaard. Dit gaat niet. Dit kan niet werken, want we hebben gewoon te veel targets. Ook zwaarwichtige stemmen uit het Zuiden, zoals Graça Machel en Desmund Tutu, zijn dat oordeel toegedaan.’

‘Zelfs Mozes had niet meer dan tien beknopte geboden bij zich toen hij van de berg Sinaï afdaalde’, schrijft The Economist in een pittig commentaar op de sdg’s. ‘De nieuwe doelen zijn zo veelomvattend dat de hele onderneming gedoemd is te mislukken. En dat zou niet alleen een gemiste kans zijn, maar bovenal een verraad van de armste mensen in de wereld.’

Naast de lange officiële lijst van duurzaamheidsdoelen groeit inmiddels het aantal alternatieve lijstjes. Een daarvan werd ontworpen door de filosoof Thomas Pogge. In Pogge’s analyse is het vooral het westerse zakenleven dat het Zuiden arm houdt. Met zijn eigen, mondiale denktank Academics Stand Against Poverty, Asap, richt hij zich vooral op multinationals en op overheden die deze internationale bedrijven niet voldoende onder controle houden. Pogge formuleerde tien doelen. Een ervan is de verplichting voor multinationals om openheid van zaken te geven over de winsten die ze maken in arme landen. Belastingvlucht van deze bedrijven moet veel krachtiger worden aangepakt. Juristen, accountants, bankiers en verzekeraars dienen veel zwaarder te worden bestraft, tot aan gevangenisstraf toe, wanneer zij meewerken aan het witwassen of wegsluizen van geld uit ontwikkelingslanden. Omgekeerd moeten opsporingsambtenaren in die landen beter worden getraind in het onderzoeken van financiële malversaties door internationale bedrijven. Pogge’s doelen zijn relatief goedkoop. Want voor het grootste deel bestaan ze uit hervormingen van nationale en internationale wetgeving, gevolgd door het naleven ervan. Pogge’s voorstellen zijn alleen al zo belangrijk omdat ze laten zien hoe weinig aandacht voor deze thema’s bestaat in het mainstream denken over armoedebestrijding. Maar in het debat over de sdg’s neemt Pogge vooralsnog een marginale positie in.

In het hart van dat debat staat daarentegen de Deense statisticus en politiek activist Bjørn Lomborg. Anders dan Pogge neemt de steevast in zwart T-shirt gehulde Lomborg de lange lijst met sdg’s als uitgangspunt en stelt vervolgens de simpele vraag: welke van de 169 subdoelen levert nu het meeste waar voor zijn geld?

Stel bijvoorbeeld, zegt Lomborg, dat je voor een bepaald bedrag met doel A drie miljoen levens zou kunnen redden, en voor hetzelfde bedrag met doel B niet meer dan driehonderdduizend. Waarom zouden we doel A dan geen prioriteit geven boven doel B? Of wanneer een arm land met maatregel A veel meer geld kan verdienen dan met maatregel B, waarom dan niet kiezen voor A? Lomborg pakt het thema voortvarend aan. In de zomer van 2014 legde hij zijn vraag voor aan zestig vooraanstaande economen. Het rekenwerk van de economen werd getoetst in meer dan honderd peer reviewed wetenschappelijke tijdschriften. Afgelopen voorjaar kwam Lomborg met de resultaten. Van de 169 doelen brengen er negentien werkelijk ‘big bang for bucks’. De VN zouden er volgens hem goed aan doen om deze prioriteit te geven.

De sdg die Lomborg met stip bovenaan zet, is sdg 2.2: het opheffen van ondervoeding van kinderen. Wanneer het lukt om ervoor te zorgen dat jonge mensen goed en voldoende te eten krijgen, bevorder je niet alleen hun geluk, maar zorg je er ook voor dat ze levenslang gezonder, intelligenter en rijker zijn. Op een flink bord schoolpap per dag groeit niet alleen het lichaam, maar groeien ook de hersens. Kinderen met een gevulde maag gaan vaker naar school en kunnen zich daar ook beter concentreren. Hoog op Lomborgs lijstje scoort ook het verder terugdringen van kindersterfte en ziektes als malaria, tuberculose en hiv/aids.

Een duurzaamheidsdoel dat arme landen direct harde dollars oplevert, is sdg 17.10: het wereldwijd afschaffen van handelsbarrières. Lomborgs team berekende dat elke dollar die aan dit doel wordt besteed, de armste landen niet minder dan 3500 dollar oplevert. Veel milieuwinst kan worden geboekt door het afschaffen van subsidies op fossiele energie. Zonder de vijfhonderd miljard dollar subsidie per jaar op olie, kolen en gas wordt niet alleen hernieuwbare energie een stuk concurrerender, er wordt ook meteen vijfhonderd miljard dollar bespaard.

De heldere uitkomsten van het myworld2015-onderzoek, de tien van Pogge of de negentien van Lomborg, zijn een belangrijke aanzet om prioriteiten aan te brengen in het majestueuze project van de sdg’s. Dat er nu maar liefst 169 duurzame ontwikkelingsdoelen liggen, is hoe dan ook een zwaktebod. Dankzij de mdg’s was de wereld zo duidelijk op weg om aan het schandaal van de extreme armoede een einde te maken. Dit ultieme doel wordt door de talloze en onbetaalbare hoeveelheid subdoelen zo versnipperd dat de hele onderneming wel eens op niets uit zou kunnen lopen.

De vraag is nu wie de geest weer in de fles kan krijgen. De lobbymachines van staten, ngo’s en VN-organen zullen er alles aan doen om hún sdg binnen het pakket te houden. Waarschijnlijk is er maar één man die de doelen kan redden. En dat is Ban Ki-moon, de VN-chef die de sdg-top van 25 tot 27 september heeft geïnitieerd. Alleen hij heeft het gezag én de macht om komende week een flink aantal doelen te schrappen en de wereldleiders een even klein als krachtig pakket voor te leggen. Doet hij dat niet, dan ziet het er slecht uit voor de meer dan een miljard extreem arme mensen.


Beeld: (1) Een lagere school in de provincie Salima, Malawi. Foto Agence Vu / HH; (2) Verloskundige en verpleegster Annie Khyuza Kasaka op huisbezoek bij Mary, die lijdt aan tbc. Malawi. Foto Kieran Dodd s / Panos Pictures / HH