Banana Moon

La Madrague, Zuid-Frankrijk. Op het strand zit een vrouw in een rood-wit-blauw-gestreepte bikini. Ik kan m’n ogen er niet van afhouden, van vrouw noch bikini. De merknaam staat in grote zwarte letters op de achterkant van het broekje zie ik als ze zich op haar buik wentelt. Dat van dat wentelen klinkt wel goed, maar het is niet waar.

Een van de onweerstaanbare dingen van die vrouw in bikini is de alertheid waarmee ze op haar badhanddoek zit, spiedend vanachter een grote hippe zonnebril. Ze heeft drie kinderen die ze in de gaten moet houden, ze spelen verstoppertje tussen de rotsen en de branding. ‘J’arrive!’ roepen ze om het hardst als ze hebben afgeteld.

De vrouw kijkt dan weer naar links en dan weer naar rechts en ik kijk met haar mee, zie de merkletters op de achterkant van het broekje. Alles is goed aan haar. Ik wil ook zo’n bikini, denk ik en buig me weer over m’n boek. Haar zorgen zijn niet meer de mijne.

Ik lees Julian Barnes, Alsof het voorbij is. Voor de tweede keer. Misschien komt het boek meer tot zijn recht als ik het tijdens mijn vakantie lees. Iedereen vindt het steeds maar zo goed en zo mooi, ik wil het ook zien. ‘J’arrive!’

In een vorig huis, een ander leven, werd er aangebeld door iemand die niet voor mij kwam, maar voor degene die net ervoor een paar vakantie­weken op de katten had gepast. Het was een warme zomerdag, ze was blond en vrolijk en had een strandtas bij zich. Ze lachte verrast haar tanden bloot toen ik de deur opendeed.

‘O!’ zei ze. ‘Is Jacqueline hier niet meer?’

‘Nee’, lachte ik terug. ‘Maar ik wil ook wel met je naar het strand! Ik wil ook wel lesbisch worden!’

Maar dat zei ik dan weer niet. De kinderen deden boven hun middagslaapje.

Een van mijn lievelingsscènes in een roman is die waarin een vrouw in een supermarkt achter een karretje loopt te sjokken, en wordt aan­geklampt door een wanhopige man. Of zij alsjeblieft even voor zijn geliefde wil spelen, want hij komt zijn ex tegen en wil niet zielig lijken. De vrouw hoeft niet lang na te denken, en vervult haar nieuwe rol met een verrassend naturel elan. Zo naturel dat het even lijkt alsof er écht iets moet opbloeien tussen de twee die elkaar vijf minuten eerder nog nooit hadden gezien. Het beklagenswaardige van de vrouw is vervolgens dat ze er net even te serieus in opgaat, en ’s nachts wakker ligt van de ontmoeting.

Terwijl ik Barnes lees kan ik de vrouw op het strand in gedachten uittekenen. Haar blonde dikke steile haar, niet natuurlijk blond maar in strepen geverfd, bot afgeknipt net boven de schouders. Haar rechte rug, de letters op haar bikinibroekje, haar buik waarvan het moeilijk voorstelbaar is dat die drie kinderen geborgen heeft. Misschien is een vriendje meegekomen.

Die ochtend had ik bij de Petit Casino in het dorp niet alleen een baguette gekocht, maar ook een Vogue. Al vanaf het moment dat ik de grens over was, had die me aangekeken vanaf de tijdschriftenschappen. Dat gezicht op de cover, ik kende het, was het nou…

Inderdaad, het was Marion Cotillard, de hoofdrolspeelster in een van de mooiste films die ik de laatste tijd had gezien, De rouilles et d’os. Zij is een orkatrainster in die film en krijgt een ongeluk waardoor ze haar benen verliest. Haar gezicht is een groot gedeelte van de film close-up in beeld, het is zo’n gezicht waarop je niet uitgekeken raakt. De mooiste scène is die waarin ze zich heeft laten verleiden door haar oud-collega’s om gewoon weer ’s mee te gaan naar de plaatselijke disco. Het ene moment zie je haar een beetje onwennig maar genietend om zich heen kijken, het volgende moment komt de man met wie ze een onduidelijke verhouding heeft – is het alleen seks of meer? – haar gedag zeggen omdat hij ervandoor gaat. Je ziet het gezicht waarmee ze hem nakijkt, hoe hij gehaast vertrekt met een kersverse verovering aan zijn zijde. Met benen. Alles gebeurt tegelijkertijd op haar gezicht, het hele spectrum van ongeloof tot ontgoocheling. Zo ziet het incasseren van verraad eruit.

Kinderlijk genoeg moet ik hebben gedacht dat Marion Cotillard ook in het echte leven deze vrouw was. In plaats daarvan trakteert Vogue op een interview met iemand die zich hysterisch liefhebber van allerlei modemerken verklaart, en op gladgestreken foto’s.

Barnes schrijft over misverstanden die zomaar door de jaren heen de gedaante van verraad kunnen aannemen. Mooi en diepzinnig, maar ik zie voortdurend rook opkringelen in precieuze wolkjes. Puf puf, daar gaan we weer. ‘Tijd… geef ons genoeg tijd en onze best doordachte beslissingen zullen wankel blijken, onze zekerheden grillig.’

En de schrijver, hij stopte zijn pijp.

Toch heeft hij me nu wel meer te pakken, hier op het strand. Zo vraagt de verteller zich af of karakter zich in de loop van de tijd ontwikkelt. Of dat dat voorbehouden is aan romans, omdat er anders weinig verhaal in zou zitten. En dat we in het echte leven – puf puf – vastzitten aan wat we hebben. Wanneer dat besef doordringt, daar heeft hij het dan weer niet over.