Geboortedorp van Gabriel García Márquez wordt bedevaartsoord

Bananen, palmolie en Márquez

Dankzij de United Fruit Company had vrijwel iedereen werk in Aracataca, het geboortedorp van schrijver Gabriel García Márquez. Sinds 1960, toen de bananenmarkt instortte, gaat het bergafwaarts. Om het tij te keren zet het dorp nu zijn beroemdste inwoner in de etalage.

ARACATACA – Wie vanuit de Colombiaanse havenstad Santa Marta twee uur naar het zuiden rijdt, komt vanzelf in Aracataca, een van de beroemdste dorpen uit de wereldliteratuur. «Toen ik na jaren weer eens terugkeerde in Aracataca, vond ik tussen de realiteit en de nostalgie het basismateriaal voor mijn boeken», zei García Márquez ooit.

Het klinkt mooi, maar het lijntje dat Gabriel García Márquez bindt met zijn geboortedorp is dun. Hij woonde er slechts acht jaar: bij zijn grootvader, een van de stichters van Aracataca. Tegenwoordig woont de 77-jarige schrijver afwisselend in Mexico en Cuba. Hij heeft zich niet meer in Aracataca vertoond sinds hij er in 1983 werd gelauwerd wegens zijn Nobelprijs voor de Literatuur. Volgens zijn volgelingen in Aracataca omdat guerrilla’s het leven er voor zo’n beroemdheid te gevaarlijk maken. Volgens de rest van het dorp omdat hij vergeten is waar hij vandaan komt.

Het zou zomaar kunnen. Weliswaar is Macondo, het dorpje uit Márquez’ klassieker Honderd jaar eenzaamheid, geïnspireerd op zijn geboortedorp, in werkelijkheid is Aracataca een heel saai, doorsnee dorpje in tropisch Colombia. De meeste straten zijn onverhard, het is er stoffig en bloedheet. Wie op straat een minibusje aanhoudt, rijdt in tien minuten naar Fundación, het stadje waar de hoogste temperaturen van Colombia worden gemeten. De hitte dwingt tot middagdutjes. De rest van de tijd wordt besteed aan samenscholingen in de schaduw.

Dat was vroeger wel anders, vertelt José Enrique Ramo, die een maand ouder is dan zijn beroemde dorpsgenoot. In zijn verschoten kleren, met aan zijn voeten kapotte gympen, vertelt de grijsaard hoe de rijkdom zijn ouders destijds naar het hoofd steeg: «De bananenbonanza begon in 1905, maar echt gek werd het pas tussen 1910 en 1915. Het was alsof iedereen rijk werd door de bananen. Er werden enorme feesten gevierd. De volgende ochtend vonden kinderen op straat half verkoolde bankbiljetten die hun ouders in hun dronkenschap in het vuur hadden gegooid.»

Met de bananen kwam de wereld naar Aracataca. De United Fruit Company legde een spoorlijn aan om de bananen in de haven te krijgen en de plantages te bevoorraden. In het voetspoor van de Amerikaanse ingenieurs trokken hoeren en gelukszoekers naar het dorp. Ze kwamen, zoals Márquez schrijft, «omdat iedereen kwam». Nog steeds wonen in Aracataca bovengemiddeld veel mensen met Syrisch, Amerikaans of Europees bloed.

Er brak een wervelende tijd aan, die in Honderd jaar eenzaamheid uitbundig wordt beschreven: «In de straat van de Turken, verrijkt met fel verlichte kruidenierswinkeltjes (…) zwierven op zaterdagavond hele massa’s avonturiers rond, die elkander verdrongen tussen de goktafeltjes, de schiettenten, het steegje waar men de toekomst voorspelde en dromen uitlegde en de kraampjes met spijzen en dranken die bij het aanbreken van de zondag her en der tegen de grond gesmakt lagen, tussen roerloze lichamen die soms toebehoorden aan gelukzalige dronkaards, maar meestal aan nieuwsgierigen, geveld door schoten, messteken of weggesmeten flessen.»

Tegenwoordig is het een stuk rustiger in de straat van de Turken, die in werkelijkheid Calle 8 heet. Het is nog steeds een winkelstraat. Maar geknokt wordt er niet meer. Het oude bordeel is nu een poolcentrum, de goktafeltjes zijn verdwenen. Een paar straten verderop ligt het station er verlaten bij. De ruiten zijn ingegooid en de deur rammelt als er een goederentrein langs dendert op weg naar de kust. Het is alweer jaren geleden dat de laatste personentrein er stopte. Sinds de bananenmaatschappij in de jaren zestig vertrok, is het bergafwaarts gegaan met Aracataca. Huizen werden niet meer geschilderd, Aracataca verzonk in vergetelheid.

Hoogste tijd voor een nieuwe goudmijn, vinden enkele ondernemende geesten in Aracataca. «Wie wil er nu niet naar het geboortedorp van een van de grootste schrijvers op aarde?» luidde de retorische vraag. Sindsdien geldt Literair Toerisme als de kip met de gouden eieren. «We hebben hier bananen en palmolie, maar verder is er niet zo veel», vertelt burgemeester Pedro Sanchez Rueda. «De naam Gabriel García Márquez moet ons belangrijkste economische product worden.» Als lichtend voorbeeld dient het dorpje New Albany, Mississippi, waar schrijver William Faulkner is geboren. Na de dood van Faulkner veranderde het plaatsje in een waar bedevaartsoord. «Hier in Aracataca zal precies hetzelfde gebeuren. Als onze meester Márquez doodgaat, zal het niet lang duren voordat bussen vol bewonderaars naar ons dorp komen. We zullen ze gastvrij ontvangen», aldus de burgemeester.

Het geboortehuis van Márquez is de sterkste troef. Nu is het nog een armetierig museumpje waar de boomwortels door de cementen vloer komen. Maar «zodra de regering beseft op wat voor goudmijn we hier zitten en eindelijk met geld over de brug komt», wordt het huis zo snel mogelijk herbouwd in oude stijl. Een houten maquette belooft vier woningen met bijvertrek en binnenplaats, een kopie van het gastvrije familiehuis waar Honderd jaar eenzaamheid zich voor een groot deel afspeelt.

In de woning, door de Colombiaanse regering tot nationaal monument uitgeroepen, hangen vergeelde foto’s van de ouders en overgrootouders van de schrijver. De telegraaf waarmee zijn vader liefdesbrieven naar zijn toekomstige vrouw stuurde (en die vervolgens een hoofdrol speelde in de roman Liefde in tijden van cholera), is er te bewonderen en er staan twee oude houten schommelstoelen. Hier op de houten veranda hoorde Gabito (kleine Gabriel) zijn grootouders de meest fantastische verhalen en roddels vertellen, die de inspiratie vormden voor wat zijn beroemdste boek zou worden.

Weliswaar zijn veel van de gebeurtenissen in Honderd jaar eenzaamheid gebaseerd op gebeurtenissen in zijn eigen familie, maar zichtbare sporen heeft dat nauwelijks nagelaten. Wie door Aracataca wandelt, herkent de spoorlijn en aan de overkant van de weg de vervallen villa’s van de Amerikaanse ingenieurs. Verder heb je nog twee muurschilderingen ter ere van de schrijver. De echte fans kunnen nog even kijken bij de basisschool waar Márquez leerde schrijven, maar echt veel meer is er niet te zien.

«Op dit moment zijn we alleen berekend op dagjesmensen», heet het eufemistisch. «De infrastructuur is slecht, er zijn geen fatsoenlijke hotels en de mensen kunnen nergens eten», verduidelijkt Rafael Darío Jiménez, de man die door de burgemeester is binnengehaald om een succesvolle toeristische attractie van het geboortehuis van García Márquez te maken.

Zijn pogingen buurtgenoten bij het project te betrekken stuitten tot dusver op een muur van wantrouwen. «Ik heb de buren al gevraagd of ze alsjeblieft een hotel willen beginnen, of een restaurant op de binnenplaats van het museum, maar ze zien het niet zitten. Er moeten echt mensen van buiten komen, mensen met ondernemersgeest en frisse ideeën.»

Ook de buitenwereld aarzelt. Pogingen investeerders te interesseren voor het literaire bedevaartsoord leverden tot nu toe niets op, al wordt momenteel gesproken met een eerste investeerder, die een luxehotel wil neerzetten aan de rand van Aracataca, waar ooit de villa’s van de Amerikaanse werknemers van United Fruit Company stonden. Nu staan er hutjes van arme Colombianen. Er is Darío Jiménez veel aan gelegen de deal te laten slagen: «Het gaat ook om de voorbeeldfunctie. Als dat hotel eenmaal winst maakt, komen er vanzelf meer investeerders.»

Het is geen gemakkelijke opgave, niet in de laatste plaats door het imagoprobleem van Colombia. In 2005 bezochten 1500 literaire pelgrims Aracataca. Slechts 450 van hen kwamen uit het buitenland. Toeristen mijden Colombia, hoewel Aracataca al ruim drie jaar is gevrijwaard van gewelddadige incidenten. De burgemeester wuift dan ook ongeduldig met zijn hand als de bloedige historie van zijn land ter sprake komt: «Ik sta volledig in voor de veiligheid van elke bezoeker.»

Pal naast de spoorwegovergang staat een standbeeld van een naakte vrouw die uit een boek opstijgt naar de hemel: Remedios de Schone, een personage uit Honderd jaar eenzaamheid, de vrouw die zo mooi was dat ze alle mannen gek maakte van verlangen, totdat ze op een dag begon te zweven, terwijl ze kleren waste op de binnenplaats. Het was een heuse hemelvaart, waarna het dorp nog dagen werd overspoeld door een golf van gele vlinders.

Twee mannen naast het standbeeld kunnen nog net vertellen dat het monument iets met Márquez te maken heeft. Maar het fijne weten ze er niet van: «Vraag maar aan mijn vrouw.» Typisch Aracataca. Op straat zegt iedereen apetrots te zijn op de internationale faam van hun dorpsgenoot, maar het valt niet mee om iemand te vinden die zijn werk gelezen heeft, en boekwinkels zijn er niet in Aracataca.

«Elk jaar op 6 maart vieren we hier de verjaardag van Márquez», vertelt Robinson Mulford, een energieke onderwijzer met een Tshirt van Márquez aan. «Iedereen is welkom, maar het zijn altijd dezelfde twintig die komen opdraven.» Als belangrijkste wapenfeit noemt Mulford dat hij het werk van de schrijver op alle scholen in de omgeving in het lespakket heeft weten te krijgen. De jeugd staat volgens hem nog een hoop moois te wachten: «Ik ben een ander mens geworden door de boeken van Márquez. Je hebt geen idee wat het voor mij betekent om in het dorp te wonen dat als inspiratie diende voor een van de beroemdste dorpen uit de wereldliteratuur. Dankzij Márquez staat Aracataca zelfs vermeld in de Encyclopaedia Britannica. Een ongelooflijke eer.»

«Wij zijn niet van die lezers», verklaart bouwvakker Hermes Barletta, op de plek waar binnenkort een Márquezpromenade wordt aangelegd. «Maar wat geeft dat? Ik heb nul boeken van Márquez gelezen, maar dankzij el nobél heb ik nu een paar maanden werk. Wie weet wat het me nog meer oplevert.» Want werken willen ze in Aracataca, waar het werkloosheidscijfer inmiddels boven de veertig procent ligt.

Ook Nicolas Ricardo Arias (70), het enige familielid van Márquez dat nog in Aracataca woont («al weten de meeste mensen hier dat niet eens»), beleeft een herstart op de arbeidsmarkt dankzij zijn halfneef. Hij is al gecontracteerd als gids in het verbouwde Márquezmuseum. De gepensioneerde buschauffeur heeft zin in zijn nieuwe baan. Maar zorgen heeft hij ook: «Er valt zo weinig te bezichtigen. De mensen kunnen mij zien en een paar dingetjes van vroeger, maar er ontbreekt zo ontzettend veel. Als al die bezoekers maar niet teleurgesteld worden.»

Teneinde het geluk een handje te helpen, is de burgemeester druk bezig toestemming van de provincie los te krijgen om de naam van het dorp te veranderen. «Aracataca-Macondo moet het gaan heten, met een streepje ertussen», glundert de burgemeester, die zichzelf naast Márquez op een schilderij heeft laten vereeuwigen. Dit voorjaar kunnen de dorpelingen zich in een referendum uitspreken voor of tegen de naamsverandering. Niet iedereen zit te wachten op het literaire toevoegsel Macondo. De naam Aracataca is niet zomaar een woord, er schuilt een indiaanse geschiedenis achter waar je veel trotser op kunt zijn dan op een schrijver, zeggen veel dorpelingen.

Wat vindt de grote meester zelf? Márquez, die vecht tegen lymfklierkanker, was niet bereikbaar voor commentaar, maar volgens Darío Jiménez is de auteur niet enthousiast over de naamswijziging: «Márquez ziet Macondo niet als een concrete plek die je kunt bezoeken, maar vooral als een droomplek, waar eenieder de dingen kan zien zoals hij ze wil zien. Zo’n plek moet je niet concretiseren. Maar verder vindt hij het natuurlijk prima als we hier profiteren van zijn naamsbekendheid.»