Bandrecorder

Ik geloof dat ik in mijn journalistieke leven een keer of vijf ben aangeklaagd wegens artikelen die sommige betrokkenen niet echt bevielen. In 1987 moest ik door toedoen van een Franse politieinspecteur voor het eerst in de beklaagdenbank plaatsnemen. Vervolgens kregen mijn krant en ik nog een aantal processen te verwerken, aangespannen door een oud Tour de France-winnaar, een Franse arts die belast was met dopingcontroles in wielerwedstrijden, een oud-Belgische minister van Justitie en een Brusselse edelman, in eigen land beter bekend als de Zwarte Baron.

Hoewel ik van die vijf zaken er drie heb gewonnen - de politieinspecteur, de minister en de baron - zullen de twee verloren processen - tegen de wielerkampioen en de dopingarts - altijd een bittere herinnering bij mij blijven oproepen. De rechter vond dat ik niet in Frankrijk had mogen berichten over beschuldigingen gedaan in de Nederlandse pers zonder daarbij de nodige vraagtekens te plaatsen. Een zinnetje als ‘overigens worden de beschuldigingen aan het adres van de wielrenner en de arts niet door bewijzen gestaafd’ had me een juridische nederlaag kunnen besparen en mijn krant heel wat Franse francs. Voor de overige zaken had ik me vooraf goed ingedekt. Ik beschikte over belangrijke getuigen of cruciale documenten maar bovenal: alle gevoelige uitspraken van een bron die tot een rel konden leiden, stonden op band. Ook als het ging om telefonische gesprekken. Want je moet als journalist zeer naïef zijn of nogal onzorgvuldig te werk gaan om te veronderstellen dat een bron die met de nare gevolgen van zijn uitspraken wordt geconfronteerd, nooit de journalist die ze heeft opgetekend zal afvallen.
Bij bepaalde journalistieke onderzoeken beschikte ik op een gegeven moment over tientallen cassettebandjes. Vele waren misschien overbodig maar enkele hebben me de gang naar de rechter bespaard. De bandrecorder is te allen tijde de veiligheidsgordel van de journalist. De kleine krabbelaars met potloden, bierviltjes en achterkanten van bankafschriften hebben niets in het vak te zoeken. Anders gezegd: ze moeten zich verre van iedere vorm van interview en onderzoek houden, zeker als die als gevoelig of onthullend bestempeld kunnen worden.
Verleden week ontdekte ik in NRC Handelsblad het meest malle hoofdcommentaar dat ik in jaren heb gelezen. De aanleiding was de zaak die voormalig NOCNSF-voorzitter Huibregtsen tegen de Volkskrant had aangespannen en gewonnen omdat hij vond dat hij onjuist was geciteerd. De journalist die zijn woorden slordig had opgetekend, gebruikte geen opnameapparatuur. NRC schreef: 'bevestiging van het vonnis zal de media dwingen om permanent de bandrecorder (zichtbaar uiteraard) paraat te hebben…’ Nou en? Wat is er onwaardig, minderwaardig of beschamend aan een bandrecorder? Alsof zij die de pretentie hebben als een soort vierde macht de machtigen in het land te controleren, zelf vooral niet gecontroleerd willen worden. 'Wat ik optekende uit zijn mond, edelachtbare, was echt en niet verzonnen. U kunt me op mijn woorden geloven want ik ben journalist.’ Alsof het bezit van een perskaart een afdoende garantie is voor betrouwbaarheid. De Volkskrant heeft met de zaak-Huibregtsen precies het tegenovergestelde bewezen. Uitspraken werden uitgelokt tijdens een gesprek dat geen interview was, niet op band opgenomen, niet dubbelgecheckt, en vervolgens verdraaid tot de rellerige opening van de krant. Een staaltje van amateurisme of, nog erger, van kwaadwillige journalistiek die zich het liefst op de bodem van het riool camoufleert.
Sinds mijn veertiende schrijf ik in kranten en bladen en uit eigen waarneming weet ik dat dit wereldje niet verschilt van de gewone maatschappij. Het wordt bevolkt door hartstikke leuke mensen maar ook door matennaaiers, leugenaars, dieven van andermans werk, arrogante kwasten, hielenlikkers, verraders, manipulatoren en louche inktboeren. Het schijnheilige wereldje staat geen pottekijkers toe en eist voor zichzelf tal van privileges die het elders aan de kaak wil stellen. In tal van columns, hoofdcommentaren en opiniërende bijdragen die op het Amsterdamse vonnis volgden, heeft het wereldje zich van zijn slechtste kant laten zien. Het lijkt af en toe op een sekte die geen enkele toetsing van buitenaf aanvaardt. Geen moment wordt er vanuit het perspectief van het slachtoffer van een zeer dubieuze vorm van journalistiek gedacht en geschreven. Nee, de journalist is een romanticus, een martelaar van het vrije woord, een vrijheidsstrijder op het slagveld van het nieuws, en zijn in zijn ziel verankerde integriteit behoeft, vanzelfsprekend, niet met vulgaire attributen als een bandrecorder te worden bijgestaan.