Jonathan Raban, Waxwings

Bang! Bang! Bang! Hier ben ik!

Jonathan Raban

Waxwings

Picador, 311 blz., €29,-

Wat is Amerika? De plek waar buitenstaanders een bestaan kunnen opbouwen en inrichten naar eigen maatstaven, zo denken de intellectueel Tom en de illegale Chinees Chick. In vrijheid zijn oude en nieuwe Amerikanen verbonden. Vrijheid, mogelijkheden en de optimistische droom — na wat gehussel en gefrutsel met papieren kan iedereen meedoen. Om in Amerika buitenstaander te blijven moet je op zijn minst ruimtewezen zijn, psychopathische massamoordenaar of bebaarde Arabier met een auto vol springstof. Dat het toch zo makkelijk niet ligt, merken Tom en Chick in Waxwings, roman van schrijver en criticus Jonathan Raban.

De opening is broeierig en krachtig. Terwijl een schip diep in de nacht op de haven van Seattle afstevent, worden verhaallijnen en een dreigende sfeer uitgezet. Vanaf de brug zijn de lichtjes van de plaats van handeling, Seattle, al te zien. Een nieuwe loods verklaart de afwezigheid van zijn collega: die is naar de begrafenis van zijn kleindochtertje. In de tuin van de crèche is het kind aangevallen door een poema, «een bergleeuw». De crew griezelt als de invalloods vertelt daar niet van op te kijken. Omdat de mens de natuur vernietigt trekken hongerige wasberen, lynxen, stinkdieren, en zwarte beren de steden in. Coyotes vermengen zich er al met gewone honden. «You wouldn’t want to meet those guys on a dark night», waarschuwt hij onheilspellend.

Aan wal is de in Hongarije geboren Engelse schrijver en universitair docent Tom aanwezig bij een literair avondje. Hij bedrinkt zich met de bezoekende Engelse schrijver en spot later met diens arrogante blik, dezelfde als van andere Engelse schrijvers op tournee: «Tegen de tijd dat Engelse schrijvers Seattle bereikten, hadden ze gewoonlijk al de gehele Verenigde Staten van top tot teen doorgrond.» Hijzelf heeft Amerika wel door, vindt Tom en staat daar met zijn voeten, midden in het jaar 1999. Als het schip in de ochtend aan wal komt blijken in het ruim achttien Chinezen in een container verstopt te zitten. Twee zijn overleden in de helse omstandigheden, een weet te ontsnappen uit de klauwen van de douane. Hij zal Chick Lee gaan heten.

Niemand die nu nog een mooi verhaaltje vermoedt over hoe twee mannen het maken in het veelbelovende land.

Hoe te schrijven over de problemen van deze tijd? Over de immigrant die als verstekeling aan boord van een schip naar Amerika reist. Over de hysterische angst voor massamoordenaars, kinderverkrachters, rampen en terroristen, die de maatschappij dompelt in schuld, achterdocht en aanzet tot preventieve actie. Of over de rijkdom van de nieuwe interneteconomie die zich zo snel opblies dat ze vlak na de millenniumwisseling al uiteenspatte. Jonathan Raban, criticus (onder meer van The New York Review of Books) en reisschrijver, blijft dicht bij zichzelf. Zijn hoofdpersonage Tom wordt uitgediept, andere centrale karakters worden veel eendimensionaler belicht, over hun achtergrond wordt hoegenaamd niets verteld. We leren ze kennen door hoe ze handelen in hun huidige bestaan en dat maakt ze al geloofwaardig genoeg — voor Amerikanen.

Chinees Chick klimt gestaag op. Als hij net binnen is en voor het eerst de straat opgaat, merkt hij iets nieuws op: hij hoort het geluid van zijn eigen kleren, zijn gympen, terwijl hij gewend was onopgemerkt en geruisloos te leven, «maar Amerika had hem plotsklaps luid gemaakt, obtrusively zichtbaar, als een dikke man met een drum. Bang! Bang! Bang! Hier ben ik!» Chick komt voor zichzelf op, hij werkt illegaal met Mexicanen en neemt die al snel zelf in dienst. Maar, hoewel opgewekt en met fris gemoed, merkt ook hij dat het leven in Amerika niet altijd zo rooskleurig is. Net als Tom, wiens leven uit elkaar klapt als zijn vrouw hem verlaat en hij in een absurde misdaadaffaire geraakt. Hij realiseert zich dan dat hij, een Hongaars immigrantje dat in de Engelse klassenmaatschappij stevig op zijn plaats werd gedrukt, dacht te genieten van de afwezigheid van ironie in een stad van mensen met te weinig gemeenschappelijke geschiedenis voor ironie, maar dat hij zelf eigenlijk zo ironisch is gebleven als het eerste het beste Engelse Hogerhuislid. Opmerkingen tegen zijn vrouw, zijn radiocolumns, gedachten over zijn omgeving — ze zijn door en door ironisch. Maar hoe kan hij ook anders? Met om zich heen de omhooggeschoten internet-nouveau riche. Buitengewoon rijke mensen die met de hovercraft bij elkaar op visite gaan, die hun badkamer met malachiet uit Afrika laten inrichten. Die hun kinderen hysterisch afschermen door middel van therapeuten en anti-ADHD-diëten en constant bezig zijn met het risico gesued te worden. Geen timmerman of aannemer is er nog te vinden in het rijk geworden Seattle, stad in een land waar je moet oppassen dat je niet het doelwit van een gek wordt. Zelfs elke bejaarde kan er gevaarlijk zijn. In een rolstoel en met zuurstoffles; met een vuurwapen in handen kan iedereen doden.

Tom blijft er Engels bij. Hij denkt na over een boek met Victoriaanse karakters in het Amerika van nu. Om de kracht en arrogantie van het Amerika in de laatste dagen van de twintigste eeuw te tonen wil hij de kracht en arrogantie van Engeland in de negentiende eeuw gebruiken. Hetgeen sterk doet denken aan de roman waaraan de lezer op dat moment bezig is en die inderdaad door Jonathan Raban ook wordt gepresenteerd als een historische roman.

Raban vergeleek zijn boek met een landhuis in het Engeland van 1939: het verhaal speelt zich af vlak voordat de beurs crasht, voordat Bush verkozen wordt, voor elf september en al tijdens de antiglobaliseringsrellen in Seattle. In interviews benadrukt hij dat hij een Engelse historische roman over Amerika heeft geschreven.

Een heel klein beetje wordt toch duidelijk waarom Tom, hoewel hij meer buitenstaander blijft dan hem zelf lief is en ondanks de kwellingen die hij in het verhaal ondergaat, wel aardt in Amerika. Bijvoorbeeld wanneer hij nieuw inzicht krijgt in het Engeland van zijn jeugd: «Hij verraste zichzelf met de gedachte dat hij in feite was opgegroeid als een Londenaar zonder dat werkelijk te beseffen en dat het gevoel van provinciale uitsluiting een bijzonder geschenk was dat de hoofdstad zijn inwoners opdrong om ze op hun plek te houden.» Verwant aan deze gedachte over Engeland is een andere over Amerika, die hij formuleert in een radiocolumn getiteld Aliens. Amerika, zegt hij daarin, heeft zijn aliens in de vorm van buitenstaanders, zoals Arabische terroristen en kinderverkrachters, nodig om Amerika te zijn.

Waxwings ademt het gevoel uit dat de wereld in enkele jaren tijd onherstelbaar is veranderd. Tom begrijpt pas wat het is Amerikaan te zijn als hij zichzelf geportretteerd ziet als de Alien: een rare Engelsman die kinderen vermoordt. Hij begint zich zelfs schuldig te voelen en droomt dat hij een kinderlijkje in zijn kelder heeft verstopt. Hij is verdacht, zelfs voor zichzelf, want: Innocent people don’t have murderer’s dreams.

Het kan geen toeval zijn dat de Engelsman Jonathan Raban een boek schreef over Amerika en ermee op de longlist van de Booker-prijs belandde in hetzelfde jaar dat die prijs gewonnen werd door de Mexicaan D.B.C. Pierre met Vernon God Little, ook een roman over Amerika. En ook een boek waarin een onschuldige hoofdpersoon slachtoffer wordt van een hysterische jacht op een duivelse moordenaar.