Een reportage van onze man ter plekke

Bang in Bagdad

De burgers van Bagdad zitten klem tussen de buitenlandse bezetters en de Iraakse rebellen. Het geweld over en weer brengt hun leven in gevaar. «Wij blijven liever uit de buurt van de Amerikanen.»

BAGDAD — «Nu zijn wij dus doelwit», zegt een gast aan de bar van hotel Orient Palace. Hij drinkt frisdrank. Ook in dit hotel — dat bepaald niet de luxe biedt die de naam voorspiegelt — wordt tijdens de heilige islamitische vastenmaand ramadan geen alcohol geschonken. Althans, niet in het openbaar. Wie de juiste kelner aan zijn jasje trekt, krijgt zijn drank discreet bezorgd op de hotelkamer.

Vanavond hebben de hotelgasten echter iets anders aan het hoofd dan het bevredigen van hun alcoholische behoeften. Een onheilspellend gegrom is het hotel binnengedrongen. Vanachter de gordijntjes in de eetzaal wordt bezorgd naar buiten gegluurd. Daar is een Amerikaanse Abrams-tank bezig zich luidruchtig in positie te manoeuvreren. Pal voor de deur van het hotel hebben de Amerikanen een «vliegend checkpoint» opgezet. Ze houden auto’s aan en doorzoeken die grondig. De militairen van de kleine eenheid — ze zijn met zijn zevenen — lijken niet op hun gemak. Ze houden de omgeving en vooral de daken nauwlettend in de gaten. Voor hen is Bagdad een vijandige stad.

Vrijwel dagelijks ontploffen hier op afstand bediende bommen op het moment dat Amerikaanse humvee’s langskomen. Vooral ’s nachts en ’s ochtends vroeg. Soms vinden er mortier- en raketaanvallen plaats. Lang niet al die aanvallen worden in de westerse media gemeld. De raketaanval op het Al-Rashid Hotel in het centrum van Bagdad, juist op het moment dat de Amerikaanse onderminister van Defensie Paul Wolfowitz er logeerde, was spectaculair genoeg om de pers te halen.

Uit angst voor meer aanslagen wordt tegenwoordig alleen de begane grond van het hotel nog gebruikt. «Vroeger sliepen we er, maar nu ontbijten we alleen nog in het hotel», vertelt een Nederlandse militair die in Bagdad is gestationeerd voor de logistieke ondersteuning van humanitaire transporten.

Sinds president Bush op 1 mei het einde van de oorlog afkondigde, kwamen al bijna 160 Amerikaanse militairen om bij aanslagen en hinderlagen. Ook andere coalitietroepen werden niet gespaard. De Polen verloren een officier en de Italiaanse carabinieri in Nasiriyah werden onlangs getroffen door een vernietigende zelfmoordaanslag waarbij achttien Italianen en negen Irakezen omkwamen. Ook bij eerdere aanslagen op ambassades en het VN-hoofdkwartier en een reeks politie bureaus waren het vooral Irakezen die stierven. Op website www.iraqbodycount.net wordt het aantal gedode Iraakse burgers bijgehouden.

De buitenlandse stafleden van de VN, het Internationale Rode Kruis en vrijwel alle non-gouvernementele organisaties zijn inmiddels teruggetrokken en wachten betere tijden af in het nabijgelegen Jordanië. Maar de Irakezen hebben het meest te vrezen van aanslagen en anarchie. Volgens de site zijn er door aanslagen en door de criminaliteits explosie alleen al in Bagdad sinds april zeker 1519 doden méér gevallen dan zonder de oorlog het geval zou zijn geweest.

Als anderhalf uur later de Amerikaanse militairen voor hotel Orient Palace hun controlepost opbreken en verdwijnen in het binnenste van de tank, hebben ze geen wapens gevonden, maar wel een hoop mensen erg bang gemaakt.

Vartan Abu-Amar, eigenaar van het hotel, is blij als de militairen hun controlepost opbreken. «Wij blijven liever uit de buurt van de Amerikanen. Je weet nooit of iemand een bom op ze gaat gooien. Het zou veel beter zijn als de Amerikanen op hun bases bleven en wij het in Bagdad verder zelf zouden oplossen.» Daarmee doelt hij op het gevaar van plunderaars en vrijgelaten criminelen. Hij heeft een pistool onder zijn shirt. Hij gaat nog steeds liever niet ongewapend de straat op. Aan het eind van de oorlog stelde Saddam Hoessein naar schatting dertigduizend criminelen op vrije voeten. Onlangs werd de massamoordenaar Hajder Zanan opnieuw gearresteerd. Hij heeft tientallen moorden op zijn geweten. Ook een meesterdief met de bijnaam Sindbad is weer opgepakt. De meeste criminelen lopen echter nog vrij rond. Veel Irakezen hebben vuurwapens in huis om zich te beschermen. Wie het zich kan veroorloven, huurt bewakers in. «Op dit moment voelen we ons wel vrijer, maar beslist niet veiliger dan vóór de Amerikanen kwamen», zegt de hoteleigenaar. «Ik hoop maar dat het een kwestie van tijd is.»

Inmiddels is de golf van plunderingen voorbij. Er is nu weer politie op straat. «Nieuwe», gezuiverde politie, maar nog altijd zeer corrupt en met menig voormalig Baath-lid in de rangen, vertellen Irakezen.

Twee jongemannen in de wijk Kadara vertrouwen liever niet op de politie. Na het invallen van de duisternis halen zij hun wapens te voorschijn en posteren zich voor hun speelgoedwinkel. Een van hen staat tussen de kinderfietsjes met een revolver onder zijn jas. De ander houdt de wacht met een kalasjnikov. Ze schrikken als er plots westerlingen voor hun neus staan. Ze hebben geen wapenvergunning, maken ze duidelijk. Als de Amerikanen hen gewapend zouden aantreffen, worden ze gearresteerd. Maar ze lopen liever dat risico dan hun handel te verliezen. Bovendien patrouilleren de Amerikanen hier ’s nachts nauwelijks meer uit angst voor aanslagen. En de politie? Die is omkoopbaar.

Ook voor de lagere school achter het voormalige hoofdkwartier van het Rode Kruis staat tegenwoordig een gewapende bewaker. In april werd de school geplunderd en onlangs diende het noodlot zich opnieuw aan. De zelfmoordbom die een metersdiepe krater sloeg in het plein voor het Rode Kruis-gebouw deed ook alle ramen van de school versplinteren. Tientallen kinderen raakten gewond. «De meesten hadden wat schrammen, bij een paar kinderen waren de wonden echt diep», vertelt de directrice. «De bom heeft diepe angst gezaaid. Als wij docenten al elke dag bang zijn om hiernaar toe te gaan, denk je dan eens in wat de aanslag heeft gedaan met de kinderen. Ze vragen ons dagelijks wanneer het weer gaat gebeuren.» De directrice woont vlak bij het Amerikaanse militaire hoofdkwartier. «De Amerikanen bieden ons geen veiligheid. Bijna elke dag zijn er schoten en explosies. Als ik ’s ochtends naar school ga weet ik niet of ik tegen de avond nog leef.» Ze wil niet met haar naam in de krant. Je weet nooit waar het nieuwe regime je op af zal rekenen, zegt ze.

Zondagavond klonken in de buurt van het Amerikaanse hoofdkwartier vijf explosies. Een mortieraanval op het kamp, zoals al eerder was gebeurd. Maar ditmaal werd het vuur beantwoord door Amerikaanse artillerie, en dat is een novum. De Amerikaanse autoriteiten onthielden zich van commentaar, maar lieten doorschemeren dat het best mogelijk was dat een deel van de explosies werd veroorzaakt door Amerikaanse granaten. «Wij schieten onmiddellijk terug», legt een legerwoordvoerster desgevraagd uit. «Dat is onderdeel van ons steviger veiligheidsbeleid.» Dat beleid jaagt de inwoners van Bagdad de stuipen op het lijf. En het maakt de reputatie van de Amerikanen — die bekend staan als «tricker happy» sinds ze eerder op demonstranten schoten en per abuis burgerauto’s en ambulances doorzeefden — er niet bepaald beter op. Slecht nieuws voor de strijd om de Iraakse «hearts and minds» en ook militair niet bevredigend. De aanvallers worden zelden geraakt. Ze gebruiken mortieren of raketlanceerinstallaties die zijn gemonteerd op terreinwagens of pick-uptrucks en maken de slapende bevolking tot onwetend schild. Wie de rebellen ook zijn, om burgerslachtoffers malen ze allerminst.

Thanaa Ali woont met haar ouders, twee broers en drie zussen in de «groene zone». Zo wordt het gebied genoemd dat met tanks, zandzakken, betonplaten en prikkeldraad is afgeschermd. In de zone ligt onder meer het Amerikaanse legerkamp. Wie het gebied binnen wil moet over een moeilijk verkrijg bare speciale pas beschikken. De uitverkorenen die er een hebben worden voor de zekerheid soms wel drie keer gefouilleerd. Binnen het zwaarbewaakte gebied wonen nog zo’n drieduizend Irakezen. Velen proberen hun huis te verhuren en in veiliger gedeelten van de stad een onderkomen te vinden. «Het is hier gevaarlijk omdat er zoveel Amerikanen zitten», zegt Thanaa. «Het is goed dat de Amerikanen zijn gekomen om ons van Saddam te bevrijden. Maar zijn mensen plegen nog steeds aanslagen. Wij zijn bang, het hele Iraakse volk is bang. Wat als de Amerikanen wegvluchten en Saddams mensen terug komen?»

Het is hier gevaarlijker geworden met al die buitenlanders, vindt ook een wat oudere ingenieur die niet met zijn naam in de krant wil. «Sommigen vinden het een misdaad als je familie voor buitenlanders heeft gewerkt. Ik wil geen problemen.» Zijn schoonzoon Dikran was bewaker van het Rode Kruis-gebouw. Hij was een van de twee Rode Kruis-medewerkers die werden gedood bij de zelfmoordaanslag. De overige acht dodelijke slachtoffers waren Irakezen die als voorbijganger of bezoeker domweg op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats waren. «Ik ben bang om me in de buurt van Amerikanen te vertonen, laat staan om voor ze te werken. Mijn zoons wilden werken voor de VN of het Rode Kruis. Daar konden ze vierhonderd dollar per maand verdienen. Ze lieten zich leiden door hun gierigheid. Ik ben blij dat ik het ze heb verboden, want daardoor leven ze nog.»