ECHT ZIEN: LITERATUUR IN HET MEDIATIJDPERK

Bang in het donker

Bas Heijne, Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk, € 12,50

De vermoeidheid ten aanzien van hedendaagse fictie die Bas Heijne onder woorden brengt in zijn essay Echt zien: Literatuur in het mediatijdperk komt bekend voor.

Medium 9789025367206

Het is een vermoeidheid die bij professionele lezers, oftewel critici, op de loer ligt, en waarvoor gewaakt moet worden. Neemt die de overhand, dan is het te hopen dat de getroffene a. zich hiervan bewust is en b. de moed heeft of in de positie verkeert iets anders te gaan doen. Zelfs kun je je afvragen of het wel een mensenleven lang gezond is tussen de boeken, van de boeken en onder de boeken te leven. Of het niet toch een vlucht in een papieren wereld is, in een niet ‘echt’ geleefd leven, wat dat ook moge wezen.
'Too many books here’, verzuchtte de dochter van A.S. Byatt die de deur open deed voor de promovenda die haar moeder kwam interviewen. Een uitspraak die sinds ik die van de betrokken promovenda hoorde, wel zo'n keer of twee per week in mijn hoofd resoneert, of ik nu de oogst aan boeken overzie die op het werk wekelijks binnenkomt, mijn eigen boekenverzameling thuis in ogenschouw neem of worstel met wat ik aan het schrijven en lezen ben.
Het essay van Heijne verschijnt in de reeks 'Over de roman’ waaraan eerder A.F.Th. van der Heijden en Connie Palmen bijdroegen. Een reeks die het debat over een steeds veranderend literair genre zou moeten voeden. Waar Van der Heijden en Palmen duidelijk hun persoonlijke gevecht met de materie, het scheppingsproces op zich, leverden, onderscheidt Bas Heijne zich van zijn voorgangers in zijn meer beschouwende en analyserende toon. Hoe komt het dat de literatuur zo aan aanzien en invloed lijkt te hebben ingeboet, in een tijd waarin er toch meer dan ooit wordt gelezen? Moet, en kan, de roman zichzelf opnieuw uitvinden, ook als niemand daarop lijkt te wachten?
Heijne begint en eindigt zijn essay met een schrijver aan te halen die expliciet zijn bekomst heeft gekregen van de literatuur. Dat hij evengoed is blijven schrijven, tja, dat is nu eenmaal - zoals deze persoon zelf in iets andere bewoordingen zegt - de aard van het beestje. Tim Parks is de schrijver in kwestie. Ooit fulminerend over de kwaliteit van de hedendaagse roman - 'kinderliteratuur voor volwassenen’ - maar daaraan des te meer animo ontlenend er het zijne tegenover te zetten. Twaalf jaar, en vier of vijf romans later, is hij moe, ziek, en tot inkeer gekomen. Er is ook nog een leven (lees: een lichaam) buiten de literatuur, en misschien is dat zelfs wel meer de moeite waard.
Het mooie aan het essay van Heijne is dat hij de scepsis ten aanzien van de roman bij monde van Parks toelaat. Deze nog een tikkeltje meer reliëf geeft met behulp van uitlatingen van 'onze grootste romanschrijver’ Louis Couperus over het in diens ogen uitgeputte genre van de psychologisch-realistische roman. Er zelf ook nog het nodige dodelijk vermoeide aan toevoegt, namelijk zijn eigen overdonderdheid als hij de boekwinkel binnenloopt en de opgetaste stapels ziet: 'Wie moeten al die nieuwe auteurs lezen?’ En dat net op het moment dat je je begint af te vragen of we hier niet toch met een ordinair maar menselijk oud-en-de-dingen-zat-raken te maken hebben, zowel van Parks, Couperus als van Heijne zelf die ook nog eens veel favorieten van vroeger (Rushdie! Ishiguro!) heeft zien 'verongelukken’, de bevlogen essayist weer de overhand neemt.
Het zijn de adjectieven die ’t ’m doen. Het 'slappe’ handje dat Couperus kreeg van kennissen, begeleid door de vraag 'Zo, heb je weer een roman geschreven?’ De 'onbekommerde’ subjectiviteit waarmee een nieuwe generatie de geschiedenis benadert, als een mediatheek waaruit je pakt wat je nodig hebt.
Stap voor stap, aan de hand van de geschriften van denkers als Finkielkraut, Todorov en Eagleton, analyseert Heijne wat er de laatste jaren aan het schuiven is geraakt. Dat je geen cultuurpessimist hoeft te zijn om het vermoeden te koesteren dat in dit overdonderende mediatijdperk iets anders aan de hand is dan simpelweg de eeuwenlange zorg over de ondergang van de literatuur. Bijvoorbeeld dat geschiedenis iets persoonlijks is geworden, en dat er naar believen uit geput wordt. Dat het ál meer lijkt te gaan om een verhaal dichtbij huis te zoeken, in plaats van zich op onbekend terrein te wagen. 'Wanneer iets je niets zegt, hoef je er ook geen kennis van te nemen.’ Cultuur wordt op die manier steeds meer een zaak van bevestiging, in plaats van een middel tot verkenning.
Even afgezien van de vraag of er echt wel iets anders aan de hand is, of niet toch iedere tijd zijn 'iets anders’ heeft, is Heijne er heel goed in om te beschrijven wát er nu aan de hand is. Hij toont zich daarmee een actueel cultuurcriticus die gekoesterd moet worden, juist omdat hij zich uiteindelijk geen gemakkelijke pessimist betoont. De manier waarop hij laat zien hoe de angst voor het donker van de kleine Louis Couperus in allerlei meer en minder metaforische gedaantes terugkeert in diens werk is een schitterend pleidooi voor de romankunst. Oké, Couperus is al weer een tijdje dood. En hoe een hedendaags literair criticus moet laveren tussen het bewaken van de literatuur en het openen ervan blijft ook een beetje de vraag. Het maakt Heijne’s betoog over het mirakel van de verdichting, dat als het goed gebeurt tot de waarlijkste inzichten leidt, er niet minder opwindend door.

ECHT ZIEN: LITERATUUR IN HET MEDIATIJDPERK
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 112 blz., € 12,50