Bij ons op school

Bang op de praktijkschool

Het onderwijs is ervan doordrenkt.

We geven les en zien de lastige leerling zijn telefoon uit zijn tas halen, om er spelletjes op te spelen. Maar we doen alsof we het níet zien, bang dat als we er wel wat van zeggen we de rest van het uur last van hem hebben. Nu hebben wij tenminste een moment rust, terwijl de lastige leerling zit te spelen.

We geven les en zien de lastige leerling zijn telefoon uit zijn tas halen. We vermoeden dat het de klas zou opvallen als wij te vaak deden alsof wij dat niet zagen. We beginnen, angstig, te rekenen. Hoe vaak hebben wij er deze week al niets van gezegd? En hoeveel andere leerlingen hebben wij het wél verboden? Hebben de leerlingen gemerkt dat wij de lastige leerling met zijn telefoon hebben gezien? We beseffen dat we met twee maten meten, maar we zeggen tegen onszelf dat wij het doen om de rust in de klas.

We geven les en zien dat de lastige leerling een spelletje op zijn telefoon speelt. We zeggen dat hij die in zijn tas moet laten zitten, dat hij er tijdens de les niet mee mag spelen. Wij willen immers geen precedent scheppen, wij willen niet onrechtvaardig zijn — als hij het mag, moet iedereen het mogen, en wat doen wij dan nog voor de klas? Zo ontlopen wij de confrontatie met de rest van de klas, toch hebben wij het nu voor onszelf verpest. De rest van het uur maakt de lastige leerling ons het lesgeven erg lastig. Wij sturen hem er niet uit want hebben er deze week al drie leerlingen uitgestuurd. Wij zijn bang dat de conrector, bij wie eruit gestuurde leerlingen zich moeten melden, ons ervan zal verdenken geen orde te kunnen houden.

We geven les en zeggen dat de lastige leerling niet met zijn telefoon mag spelen. We zien het en treden onmiddellijk kordaat op. Maar nu is de boot aan. De lastige leerling wordt boos, roept dat wij de pik op hem hebben en maakt een verontwaardigd gebaar, dat wij interpreteren als: donder toch op, man. We weten dat wij daar beter niet op kunnen reageren, dat wij de lastige leerling beter het laatste woord kunnen laten. Maar wij kunnen dat respectloze gebaar ten overstaan van de klas niet laten passeren. Dus treden wij opnieuw op, zeggen op z’n minst dat het nergens voor nodig is zo te reageren, dat niemand in de klas met zijn telefoon mag spelen. En waarom wordt er dan alleen wat van gezegd, aldus de lastige leerling, verontwaardigd, als hij aan het spelen is? Hij is toch klaar met zijn werk, hij zit toch te wachten tot de anderen klaar zijn? Er is iets grondig mis met de perceptie van de lastige leerling, maar hij is dan ook niet voor niets lastig. Het is niet de eerste keer dat de lastige leerling in woede, en onder het uiten van een stroom van beledigingen, het lokaal verlaat.

Het is niet de eerste keer dat de klas ons medelijdend aankijkt, terwijl de woorden van de lastige leerling nog in het lokaal hangen. Wij eisen van de conrector die toeziet op de orde in het gebouw, juist omdat het niet de eerste keer is, een geduchte straf.

De conrector heeft met de lastige leerling te maken maar de conrector heeft ook met ons te maken. Wij vrezen dat als de conrector niet kordaat optreedt de lastige leerling voor ons geen respect meer zal hebben, en de rest van het jaar nog lastiger zal zijn. Wij vrezen dat dan ook de rest van de klas lastig zal worden, wij zijn die medelijdende blik nog lang niet vergeten. De conrector, op zijn beurt, vreest dat als hij nu niet geducht straft wij zullen vinden dat hij niet op zijn taak berekend is, dat hij niet achter ons staat en «te slap» is en wij daarover met collega’s zullen praten — een vrees die aldus gemakkelijk de strafmaat kan gaan bepalen.

Dit, overigens, is de perceptie van de lastige leerling: dat hij nooit iets goed doet, dat hij door iedereen altijd wordt afgewezen. Die perceptie, begrijpen wij, doet pijn. Wij begrijpen waarom hij zo gemakkelijk in woede ontsteekt. Maar hoe kunnen wij de lastige leerling aan het verstand brengen dat hij, door óns af te wijzen, zijn grootste angst tot werkelijkheid maakt?

Wist hij maar dat diezelfde angst ook ons regeert. Begreep hij maar dat wij hem dát natuurlijk nooit zouden zeggen.